| |
Varianten van
GRIEP/GRIP/GRIJP
>
[English]
|
|
|
| |
 |
De namen Griep, Grijp,
Grip en Gryp
betreffen, hoewel deze door de eeuwen heen
verschillend geschreven zijn, in feite een en
dezelfde naam.
Anders ligt dit met een aantal variant-namen of
namen waarin Griep/Grijp etc als onderdeel
voorkomt. Een aantal daarvan worden hieronder
genoemd en besproken. |
|
|
| |
VARIANTEN
|
|
| |
|
Greif (Gryphius) |
| |
De
bekende dichter Andreas Greif, in 1616 in Glogau
in Silezië geboren, studeert van 1638 tot 1643
rechten in Leiden.
Hij verlatijnst zijn naam tot Gryphius,
en wordt daarmee de voorvader van een geslacht
met die naam. |
Grieb (Gribius)
|
|
Op het
eerste gezicht lijken de namen Griep en Grieb
verwant te zijn. Het scheelt immers maar één
letter. Volgens taaldeskundigen hebben beide
woorden echter een geheel verschillende
oorsprong. Het Duitse woord 'Grieb' wordt in het
Nederlands vertaald als 'kaantje', en schijnt als
naam uit Oberhessen te komen waar het van 'Grebe'
is afgeleid. De naam Grieb wordt
voor het eerst genoemd in de 14e eeuw in Worms.
Nauw verwant zijn de namen Griebe en Griefe. Ondanks de
verschillende oorsprong, is het zeker denkbaar
dat de namen Griep en Grieb wel eens, ongewild,
door verschrijvingen door elkaar zijn gehaald.
Een lid
van de Grieb-familie, Johan Pieter Grieb,
omstreeks 1595 in de Palts geboren, vestigt zich
als predikant te Middelburg. Hij verlatijnst zijn
naam tot Gribius, en wordt aldus
de stamvader van een Nederlandse familie met die
naam.
|
  |
Griepink -- Grijpinck -- Grijpink
|
| |
In 1657
verlaat ene Jacobus de boerderij van zijn ouders
te Volthe in Twenthe. De naam van die boerderij,
voor het eerst genoemd in 1475, was 'Griep'. Naar
Twentse gewoonte luidt zijn achternaam sindsdien
'Griepink' (=van Griep). Aldus wordt hij
de stamvader van de families Grijpin(c)k/Griepink
in Nederland. Zijn zusters bleven achter op de
boerderij, en één van hen trouwt met ene Geert.
Hun nazaten gaan zich uiteindelijk Griep nemen.
Zie voor deze familie: Griep
uit Twenthe.
Bron:
Het boek over de familie Griepinkvan J.F.A.
Griepink te Rolde.
|
|
Griepma --
Grijpma
|
|
In het
Fries duidt een naam die eindigt op -ma op 'het
afkomstig zijn van'. In feite hebben de namen
Griepma en Grijpma in het Fries dus een
soortgelijke betekenis als Griepink en Grijpink
uit Twenthe.
Bron:
Het boek over de familie Griepink van J.F.A.
Griepink te Rolde. |
|
Griepstra --
Grijpstra
|
|
In het
Fries wijst een naam die eindigt op -stra op
iemand die woont in of op .... De
"Griep" of "Grijp" waar deze
Griepstra of Grijpstra nabij zou wonen, kan in
dit geval een duiden op een greppel of een sloot.
Bron:
Het boek over de familie Griepink van J.F.A.
Griepink te Rolde. |
|
Le Griep
|
|
De in
Beaumont, in Normandië, geboren Jean Pierre le
Griep trouwt rond 1800 met Maria van Os. Hij is
de stamvader van de familie Le Griep,
die lang in en rond Den Haag woonde. De oorsprong
van de naam ligt dus kennelijk in Frankrijk. |
Van der Grijp -- Van de Grijp
|
| |
In 1580
wordt Engelbrecht van der Grijp geboren in
IJsselmonde. Hij is de stamvader van een familie Van
der Grijp die met name woonachtig is in
de driehoek tussen Rotterdam, Gouda en Dordrecht.
Veel van hen zijn notaris of predikant. Net als Grijpink
en Grijpma betekent 'Van der Grijp' afkomstig
van Grijp. Dat betekent dat de naam een
andere betekenis heeft dan Grijp alleen.
Desondanks zijn deze namen in het verleden, al
dan niet opzettelijk of door verschrijvingen, wel
eens door elkaar gehaald.
Bron: Joh.P. van der
Grijp, Rivierdijk 655, Sliedrecht.
|
|
|
| |
GRIEP
ALS ONDERDEEL VAN EEN 'ZINSNAAM'
|
|
| |
| |
Namen
in de vorm van een korte zin komen nogal eens
voor in het noorden van Duitsland.
Het oude nederduitse woord "grip" wordt
vertaald met grijpen.
De tegenwoordige tijd en ook de gebiedende wijs
van het nederduitse werkwoord "griepen"
(=grijpen) is "griep".
Bron: Jan de Vries
(1962:189): Altnordisches Etymologisches
Wörterbuch, Leiden.
|
|
Gri(e)pentrog |
| |
De naam
Gri(e)pentrog komt tot circa
1870 voornamelijk voor in Westpruisen (de Kreisen
Marienwerder en Rosenberg) en in
Berlin/Brandenburg. Daarnaast is er sprake van
een rond 1860/1870 naar Amerika geëmigreerde
familietak.
De eerstbekende drager van de naam is Michael
Griepentrog, die rond 1647 in Wachsmuth(?)
geboren is.
Bij de familiennaam Gri(e)pentrog gaat het om een
Nederduitse zin-naam, die te vertalen is als
'Grijp-in-de-trog". Om welke trog het hier
gaat valt vooralsnog niet vast te stellen. |
Gri(e)penkerl
|
| |
Op
dezelfde manier als hierboven, kan de naam Gri(e)penkerl
vertaald worden als "Grijp-die-kerel".
Waarschijnlijk werd er oorspronkelijk een
veldwachter mee aangeduid.
De naam wordt voor het eerst genoemd in: Uelzen
(1538), Littel (1598), Wardenburg (1675) en
Bremen (1718). |
Gri(e)penstroh
|
| |
Gri(e)penstroh =
"Grijp-in-het-stroo". De naam wordt het
eerst genoemd in: Lavelsloh (1826) en Essern
(1826).
|
Gri(e)penwulf --
Gripetan --
Grypto
|
| |
Soortgelijke
namen zijn: 'Gri(e)penwulf'
(=Grijp-de-wolf), 'Gripetan'
(=Grijp-eens-aan of Val-aan) und 'Grypto'
(=Pak-aan) [2]. 'Grypto'
respectievelijk 'Gripto' komen al in 1156 voor,
en 'Greifczu' rond 1350.
Bron: Peter Griepentrog
uit Deizisau <peter@griepentrog.org>.
|
|
|
| |
ANDERE
VARIATIES VAN GRIEP
|
|
| |
 |
Greiffe:
1479; Greiffenklau: 1192, Grieffen:
in Plese 1377; Grif: rond 1230;
in Greifswald in 1320; Grife: in
1394; (zum) Grifen: in 1297, in
Speyer in 1308; Grifevoyl: in
1396; vom Griep: Wulfrath 1686,
Heiligenhaus 1686; Griepeadrach:
Frankfurt aan de Oder 1580; (van)
Griepekoven: Erkelenz 1642, Beeck in
Nordrhein-Westfalen 1666; Griepen:
Stolp in Pommern; Griepenburg:
Langholt in Nedersaksen 1832; Gripon/Gripay/Gripoix/Gripier:
Normandie; de Grippa: Tiel 1298;
Grippe: Acquoy 1330; Gryfe:
in 1444; Gryfoyl: in 1391; van
Grype en van de Gryepe:
in Tiel onstreeks 1300; Gryphiswald:
Greifenberg 1277. |
|
|
| |
|
|