01-001
Jacob
(Jacques)
Balm
Jacob Balm(e) werd medio 1731 geboren. Het jaartal is niet met zekerheid vast te stellen. De bronnen spreken elkaar tegen. In de akte van zijn eerste huwelijk in 1757staat een leeftijd vermeld van 26 jaar. Bij de aangifte van zijn overlijden in 1792 wordt de leeftijd van 65 jaar genoemd. In dat geval zou Jacob geboren zijn in 1727.
Ook is de geboorteplaats niet met zekerheid vast te stellen.
In de huwelijksakte uit
1757 staat de stad Naarden als plaats van herkomst.
In het streekarchief te Naarden zijn echter geen verdere gegevens te vinden.
In de huwelijksakte uit 1782 wordt de stad Turijn (Turin) in Noord Italië
genoemd.
Lang is gedacht dat Turn de plaats of streek van herkomst was. Deze naam komt in
de topografie van Europa niet voor. Turn zou dan echter kunnen komen van de stad
Solothurn in Zwitserland. Ook wordt het Zwitserse plaats Thun genoemd.
Dat Jacob Balm afkomstig
is uit Turijn, of de omgeving daarvan, wordt bevestigd door een notitie in
een van de archiefstukken van de Waalse kerkgemeenschap in Amsterdam.
In 1763 en de jaren daarna krijgt Jacob ondersteuning in de vorm van geld en
brood.
Dit staat beschreven in "het Grand Livre des Pauvres Wallons". Er
staat vermeld dat hij afkomstig is uit de streek Piemonte. Turijn ligt in de
streek Piemonte.
In Turijn en omgeving
worden rond 1730 diverse jongens met de naam Jacob of Jacques Balme geboren.
Opmerkelijk is dat de
namen van de kinderen die Jacob later in Amsterdam krijgt, rond 1700 terug te
vinden zijn in plaatsjes als San Germano, San Giovanni, Rodoretto en Torre
Pellice.
We treffen de volgende namen aan: Jean Balme, Anne Balme, Catharine Balme,
Jeannne Balme, Elisabeth Balme en Sara Balme.
Zijn oudste zoon Arnoldus zou dan mogelijk vernoemd zijn naar Arent (Arnoldus)
Ottenhof,zijn schoonvader.
De naam Balm komen we in
die tijd in Italië niet tegen; de naam Balme veelvuldig.
Het lijkt een zaak van mondelinge overlevering dat de naam in Nederland
gewijzigd is. Men sprak een naam uit en de ambtenaar schreef op wat hij hoorde.
Het wegvallen van de stomme e bij Balm wijst erop dat die door de persoon in
kwestie niet werd uitgesproken, of dat die door de optekenaar niet werd
verstaan.
In het boek "Drie baarsjes en een ham", over de geschiedenis van het
volksleven van Spaarndam, wordt de naam Balme aangehaald, als zijnde de "franse"
overgrootvader uit de Visserssteeg, van S.W. Balm.
In het oud Alpijnse (Alpiene) dialect staat "balme" voor
"grot".
In de topografie is de naam Balm en Balme niet onbekend. In Zwitserland zijn de
gehuchten "Balm bei Günsberg" en "Balm bei Messen" te
vinden en de Balmhorn; in Italië ligt ten noordwesten van Turijn, op 61 km., het
plaatsje
Balme.

Waarom ondernam Jacob de
tocht van Piemonte naar Nederland?
Waarschijnlijk moet dit gezien worden tegen de achtergrond van de roerige
godsdienstige periode in de eerste helft van de achttiende eeuw in Piemonte.
West-Europa ging, ook in de eeuwen daarvoor, gebukt onder godsdienstige twisten.
De oppositie tegen de katholieke kerk was sterk verbreid.
In Noord-Italië manifesteerden de Waldenzen zich. Zij ontleenden hun naam aan
Petrus Waldes, een rijke zijdekoopman uit Lyon.
Het verhaal gaat dat Waldes
getroffen werd door de preek van een rondtrekkende prediker. Hij gaf zijn bezittingen
aan armen en volgde in absolute armoede Christus na.
Zijn aanhangers wilden zich niet houden aan de beperkingen die de paus aan zijn
prediking wilde opleggen. Daardoor kwamen zij buiten de katholieke kerk te
staan. De Waldenzen waren talrijk in de dalen van Piemonte. Turijn was rond 1700
een katholiek bolwerk, waar de inquisitie stevig huishield. Het lijkt daardoor
niet aannemelijk dat Jacob afkomstig was uit stad Turijn zelf.
Het Edict van Nantes, in 1598 door de Franse koning Hendrik IV uitgevaardigd,
gaf een zekere mate van vrijheid aan protestanten en gereformeerden (de hugenoten).
Gedurende de zeventiende eeuw kwam het verdrag steeds meer onder druk te staan.
Uiteindelijk werd het verdrag in 1685 herroepen. Harde maatregelen van de
katholieke overheid tegen de niet-katholieken volgden.
De positie van de hugenoten en Waldenzen werd onhoudbaar. Velen
kozen ervoor zich te laten "bekeren". Degenen die dit niet wilden,
gingen gebukt onder een verregaande terreur.
Er zijn beschrijvingen van
gruwelijke martelingen.
Al ver voor het herroepen van het Edict van Nantes was er sprake van een
uittocht van hugenoten.
Zwitserland en Duitsland (Brandenburg) in grote mate, de
Nederlanden, Engeland, Zuid-Afrika en Amerika in mindere mate, werden
als bestemming van de emigratie gekozen.
De overgrote deel van de Waldenzen vestigde zich langs de rivier de Neckar in
Duitsland, tussen de steden Heidelberg en Heilbronn. Een tweede vestigingsplaats
was het gebied langs de rivier de Main.
In Tübingen aan de Neckar
wonen nu een aantal naamgenoten.
Onder invloed van de Waalse emigranten ontwikkelden de Waalse (Franstalige)
kerkelijke gemeenten zich in Nederland sterk. De Waldenzen die naar ons land
kwamen, vonden bij de Waalse kerken een
veilige haven.
Uit het archief van de Waalse kerk blijkt dat de Waldense kerken in Piemonte
gesteund werden.
In het Geldersarchief is bij de stukken van de rekenkamer (S1, fo. 955 en 956)
in een verslag uit 1 oktober 1723 te lezen, dat het verzoek van Jan Best,
gevolmachtigde van de Waldenzen, is afgewezen voor een bijdrage aan de bouw van
een kerk in het vorstendom Hessen - Darmstadt.
De vluchtelingen werden in plaatsen waar zich een
Waalse gemeente bevond, ondergebracht bij kerkleden.
Het gaat hier om de plaatsen Amsterdam, Arnhem, Bergen op Zoom, Den Bosch,
Breda, Den Briel, Delft, Dordrecht, Goes, Gorkum, Gouda, Groningen, Den Haag, Haarlem,
Heusden, Leiden, Kampen, Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Naarden, Nijmegen,
Rotterdam, Schiedam, Tholen, Utrecht, Veere, Vianen, Vlissingen, Zierikzee,
Zutphen en Zwolle.
Naarden wordt door Jacob genoemd als plaats van herkomst in de akte bij zijn
eerste huwelijk in 1757
Beschreven is dat in de periode tussen 1670 en 1740 352 vluchtelingen
arriveerden in Dordrecht.
Zij behoorden veelal tot de middenklasse van kooplieden en ambachtslieden. In
1733 en 1734 arriveerden er in Dordrecht 30 Waldenzen.
Uit economische motieven was het aantrekkelijker om uiteindelijk Amsterdam of
Rotterdam als eindbestemming te hebben.
Het is niet bekend of
Jacob Balm rechtstreeks vanuit Piemont naar Nederland is getrokken.
De tocht
werd door meer naamgenoten gemaakt.
Het standaardwerk over de Waldenzen van Kiefner (4 volumes), verwijst naar een
Jacques Balme, die samen met Pierre Balme en nog twee "burschen", in
1709 in een Waldenzerkolonie bij Karlsruhe een bruiloft verstoorde.
Bekend is ook een Jaques Balme die in 1753 vanuit Rotterdam naar Amerika
emigreerde.
Jacob Balm vestigde zich in 1754 in Amsterdam. Op 26 november liet hij zich inschrijven bij de Waalse kerk. Vermeld staat dat hij afkomstig is uit Naarden.
Hij was schoenmaker (lapper) (cordonnier) van beroep.
Hij betrok een woning in de Sint Geertruidensteeg, een steegje uitkomend op de Nieuwezijds Voorburgwal.

impressie van vroeger gezien vanaf de Nieuwezijds Voorburgwal gezien vanaf de Nieuwe Nieuwstraat
Op 6 mei 1757 trouwde hij
met Catharina Ottenhoff, geboren in juni 1731 te Oldenzaal (Ov).
De stamboom van de familie Ottenhoff voert terug naar Arent Ottenhoff, geboren
omstreeks 1615 in Stad Delden in Overijssel. Arent was bakker van beroep.
De halfzus van Catharina, Maria Broekhuijsen, woonde sedert 1742 met haar echtgenoot Barent
in Amsterdam.
Barent Broekhuijsen verkreeg op 23-10-1742 het poorterrecht als biksteenverkoper.
Hij was afkomstig uit Oldenburg (Dld).
Micheal Ottenhoff, de jongere broer van Catharina woonde waarschijnlijk ook in
Amsterdam. Hij was getuige bij de doop van Jacobus, de tweede zoon van Jacob en
Catharina.
.
Catharina was mogelijk analfabeet;
zij ondertekende de huwelijksakte met een kruisje.
Jacob en Catharina kregen in totaal negen kinderen.
In het archief van de
Waalse kerk is, zowel in het "
Grand livre des Pauvres Wallons" als in het "Livre des Dons" te
lezen, dat Jacob van 1763 tot aan zijn dood in 1792 bijstand kreeg. In totaal
ontving hij in die jaren een bedrag van ruim ƒ 8.300,00 .
De bedragen werden aan het einde van de even maanden uitgekeerd in geld en in de
vorm van brood. Bij het totale bedrag waren extra toelagen inbegrepen voor het betalen
van begrafenissen van zijn dochters Francoise, Jeanne en Elisabeth.
Twee keer kreeg hij een
extra toelage. De laatste ter grootte van ƒ 25,00 werd uitgekeerd op 12
november 1781, een maand voor het overlijden van Catharina Ottenhoff.
Catharina overleed op 6 december 1781 aan de tering. Zij werd begraven op 9 december 1781.
Vlak voor haar dood maakte zij de geboorte, doop (getuige) en overlijden mee van
haar waarschijnlijk eerste kleinkind Harnoldus.
Jacob bleef achter met Arnoldus (23 jaar), Jacobus (21 jaar), Anna (18 jaar), Catharina (15 jaar) en Jean (8 jaar).
Jacob woonde inmiddels in de Sint Annenstraat, een zijstraat van de Warmoesstraat.
Op 12
april 1782 trouwde Jacob op circa 51 jarige leeftijd met de 26 jarige Cristina
Gankema.
Uit de ondertekening door Jacob blijkt dat zijn handschrift er in de jaren op achteruit
gegaan is.
In het weesboek van het Sint Antonieskerkhof staat vermeld:
Cristina Gankema werd omstreeks 1757 geboren in Embde.
Uit archiefstukken van de Waalse kerk blijkt dat er connecties waren met de
Franse kerk te Embde.
In 1782 werd ook hun dochter Sara geboren. Zij werd gedoopt op 16 oktober 1782.
In het overzicht van de
verleende bijstand vanaf het februari 1789 worden de kinderen uit zijn eerste
huwelijk niet meer vermeld.
Van Arnoldus (30 jaar), Jacobus (29 jaar en inmiddels gehuwd) en Anna (25 jaar
en inmiddels gehuwd) is dit te verklaren.
Van Arnoldus moet overigens vermeld worden dat hij niet meer in de
archiefstukken terug te vinden is.
De vraag is ook waar Jean (15 jaar) gebleven is.
Vanaf 1789 tot aan zijn dood in 1792 kreeg Jacob vijftig tweestuiverstukken per week aan bijstand. Twintig tweestuiverstukken daarvan krijg hij uitgereikt in de vorm van vier broden per week.
Jacob overleed in begin
maart 1792. Hij had problemen op zijn borst.
Aangifte van zijn overlijden werd gedaan door Jacobus, zijn tweede zoon.
Hij werd op 14 maart 1792 begraven op het Sint Antonieskerkhof.
Het Sint Antonieskerkhof,
naar een tekening van G. Lamberts uit
1816.
Het kerkhof was gelegen tussen de Nieuwe Herengracht, de Muidergracht, de Nieuwe
Keizersgracht en de Weesperstraat.
Het werd in 1639 aangelegd, toen nog buiten de stadswal. Door het regelmatig
optreden van de pest en andere ernstige ziekten was het aantal sterfgevallen in
de stad hoog. In 1654 b.v. overleden 24.148 Amsterdammers.
De nieuwe begraafplaats was vooral bestemd voor de minder- en onvermogenden. Op
17 juli 1640 vond de eerste begrafenis plaats. Na de laatste uitbreiding van de
stad kwam het kerkhof binnen de bebouwde kom te liggen. Pas in 1866 werd het
kerkhof gesloten.
In 1870 werd een stuk van het kerkhofterrein in gebruik genomen als proeftuin
voor de Hortus Botanicus. Op het resterende gedeelte werden in 1885 twee
schoolgebouwen neergezet. Bij het bouwrijp maken van het terrein aan de
Weesperstraat werden vele skeletresten van het oude kerkhof aangetroffen.
Christina Margaretha
Gankema overleed op 20 november 1822, op circa vijfenzestig jarige leeftijd, in
het Binnengasthuis te Amsterdam. Uit het archief van de "huiszittenhuizen"
blijkt dat zij na 1808 nog steun kreeg voor zichzelf en haar partner J. Balem.
Wie deze J. Balem is, is niet bekend. Ligt hier een relatie naar Jan Balm, die
samen met Maria van der Mieren doopgetuige was bij de doop van Jacobus Balm,
zoon van Jacob Balm en Lijsje ter Voort, op 19 september 1804?
bronnen:
Lex Slager:
"Enkele achtergronden
en bijzonderheden over Hugenoten";
H.P.H. Jansen: "Geschiedenis van de middeleeuwen", 1978;
M.Sluis: "Een kort overzicht van de geschiedenis van de Waalse Bibliotheek";
artikel: "the Piemontese", zie pagina informatie;
artikel: "Kerken van immigranten", geschiedenis van Dordrecht, deel II;
H.P. Jansen: "Kalendarium van de geschiedenis der Lage Landen", 1974;
Westerman: "Grosser Atlas zur Weltgeschichte", 1972;
S.W. Balm, e.a.: "Drie baarsjes en een ham", 1967;
T.Kiefer:" L'émigration de Vaudois des vallées piémontaises en Suisse,
Allemangne et en France";
Van de Waal en De Vries: "Amsterdam omstreeks 1800". 1965;
archiefgegevens: Robert en Angenetha Balm, Paul Balm, Fons Balm, Frank Balm, Joop Boxelaar en Ben Balm
Biografie 2.
02-001 Jacobus (Pieter) Balm
Jacobus Balm, tweede zoon van Jacob Balm en Catharina Ottenhoff, werd op 21 januari 1760 in Amsterdam geboren. Hij werd gedoopt in de Waalse Kerk op 23 januari 1760.

Doopgetuigen waren
Michiel Ottenhoff (broer van Catharina?) en Cornelia Kanter.
Het gezin woonde toen waarschijnlijk in de de Sint Geertuidesteeg.
Op 14 januari 1780
trouwde hij, op negentienjarige leeftijd, met Catharina Pieterse
Waaterman. In
de huwelijksactie staat vermeld dat Catharina op dat moment zevenentwintig jaar
oud was. De vermelde leeftijd van Jacobus in de akte is overigens 21 jaar. Zijn
vader, Jacob (Jacques) Balm was getuige bij zijn huwelijk.
Catharina woonde voor haar huwelijk aan de Bierkaaij. Haar ouders waren al
overleden.
De Bierkaaij was de kade langs de Oudezijds Voorburgwal. Hier werd het bier
gelost dat veelal afkomstig was uit Hamburg. De zegswijze "het is vechten
tegen de Bierkaai" voert terug naar de ruige bevolking die daar woonde en
werkte.

Bierkaaij met op de achtergrond de Oude Kerk.
Jacobus en Catharina
betrokken een woning aan de Sint Annendwarsstraat.
Dit is een zijstraat van de Sint Annenstraat, waar zijn vader en moeder woonden,
en is gelegen achter de Bierkaaij.
Vanuit de Sint Annendwarsstraat kijk je op de Oude Kerk.

Het uitzicht vanuit de Sint Annendwarsstraat.
Jacob was van beroep kruier (sleper).

Hun eerste zoon,
Harnoldus, werd gedoopt op 23 maart 1781 in de Oude Kerk. Doopgetuigen
waren zijn grootouders, Jacob Balm en Anna Catharina Ottenhof.
Rond deze tijd verhuisde het gezin naar de Bierkaaij.
Harnoldus overleed begin oktober 1781 aan de pokken. Op 9 oktober werd hij
begraven vanaf de Bierkaaij.

Oude Kerk Oude Kerk , interieur
Jacobus en zijn vrouw
leefden in armoede. In september 1781 kreeg Jacobus een gift van de Waalse kerk ter
grootte van ƒ 25,00 . Dit staat geregistreerd in "les Livres des
Dons".
In december 1781 overleed zijn moeder.
Op 28 september 1783 werd
Jacob, de tweede zoon, gedoopt in de Oude Kerk.
In februari 1785 kreeg Jacobus wederom steun; nu ter grootte van ƒ 20,00.
Het gezin verhuisde naar de Duijfjessteeg, een steegje tussen het Rokin en de
Kalverstraat.
De
Duijfjessteeg.
Zoon Jacob stierf op vierjarige leeftijd op 15 november 1787. Hij werd begraven op het Sint Antonieskerkhof.
Op 14 maart 1792 overleed de oude Jacob (Jacques). Jacobus kreeg in deze maand weer een gift, deze keer ter grootte van ƒ 28,30.
De economische
omstandigheden in Amsterdam verslechterden. Op 10 januari 1795 trokken de Fransen over de bevroren rivier de Waal.
Nederland kwam onder Franse invloed.
De handel kreeg een ernstige klap door de invoering van het continentale
stelsel.
De in- en uitvoer van producten daalde sterk.
Men schat dat in 1795 circa 16% van de Amsterdamse bevolking afhankelijk was van
de armenzorg.
Meer dan de helft van de Amsterdamse bevolking leefde van een jaarinkomen dat
lager was dan ƒ 300,00. Dit was op de rand van het bestaansminimum.
Tot deze groep behoorden de ongeschoolde arbeiders en dienstverleners, zoals
dienstboden, wasvrouwen en naaisters.
Op 25 april 1798 kreeg Jacobus een gift van ƒ 20,00.
Catharina Waaterman overleed. De datum is niet bekend. Mogelijk is er een relatie met het tijdstip van het verkrijgen van de laatste gift.
Jacobus trouwde op 20 mei
1803 met Elisabeth (Lijsje) ter Voort.
Jacobus was toen 43 jaar en Lijsje was 22 jaar oud.
Enige tijd voor deze datum stond de huwelijksvoltrekking
al gepland. Het
echtpaar kwam toen echter niet opdagen.
Zij woonden al samen in de Tichelstraat bij de Lijnbaansgracht. De akte
vermeldt: tegenover de sleper.
De Tichelstraat ligt in de Jordaan. Sommige bedrijven werden van
de grachtengordel geweerd en naar de Jordaan verplaatst.
Voorbeelden hiervan zijn het Salpeterhuis, salpeter werd gebruikt voor het maken
van buskruid, en de Stadsgeschut- en klokkengieterij.
De gieterij stond op de hoek van de Tichelstraat.
In de Tichelstraat zelf vond men tegel-, tichel- en steenbakkerijen.
Op 19 september 1804 werd Jacob geboren. Hij werd op 26 september 1804 gedoopt in de Nieuwe Kerk op de Dam.

Getuigen bij de doop waren Jan Balm en Maria van der Mieren. Wie Jan Balm is, is niet bekend.
Op 25 november 1806 werd Hendrikus (Hein) geboren. Hij werd gedoopt op 3 december in de Nieuwe Kerk. Doopgetuigen waren zijn grootvader Hendrik ter Voort en Alida Bos.
Het derde kind, Johannes (Jan), werd geboren op 19 augustus 1811. Hij werd in de Nieuwe Kerk gedoopt op 21 augustus 1811. Doopgetuigen waren Casper Brouwer en Jansje ter Voort.
Nederland werd in 1810
ingelijfd bij Frankrijk. Het Stadhuis op de Dam was in 1808 weggeschonken aan
Lodewijk Napoleon, de broer van Napoleon Bonaparte, als tijdelijk paleis.
De bevolking van Amsterdam daalde in deze jaren sterk. Waren er in 1795 nog
221.000 inwoners, in 1815 waren dit er nog 190.000.
Er was volop armoede. Zo ook bij Jacobus en zijn gezin. Zij kregen volop steun
van het stadsbestuur.
De regenten van de Huiszittende Stadsarmen waren belast met de zorg voor de
Amsterdamse armen die niet in een tehuis, maar in hun eigen huis woonden. Deze
armen werden ´s zomers bedeeld met brood en ´s winters met brood en turf,
vanuit centrale uitdelingskantoren, de Huiszittenhuizen.
De zorg werd verleend over de winters van 1809 tot en met 1812. Ook in de zomer
van 1812 kregen het gezin steun.
In het register staat vermeld dat de kinderen gepokt hebben en dat Johan
(eenmaal Johanna genoemd) is
gevaccineerd in 1812.
Het gezin verhuisde naar de Mandenmakerssteeg 6, een steegje tussen het Damrak en de Nieuwendijk, tegenover de huidige Beurs van Berlage.

Mandenmakerssteeg, gezien vanaf de Nieuwendijk. Mandenmakerssteeg, gezien vanaf het Damrak.
Op 25 maart 1812 overleed Jacobus op tweeënvijftig jarige leeftijd.
Lijsje ter Voort krijgt in de zomer van 1812 nog eenmaal steun. Vermeld staat
dat zij geroyeerd wordt i.v.m. het verlaten van haar kinderen.
Op 14 september 1813 werden Jacobus, Hendrik en Jan onder de naam Balem ingeschreven bij het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht, op
de hoek van de Leidsestraat.
Jacobus was toen 9 jaar, Hendrik 6 jaar en Jan 2 jaar oud.
Op 9 juni 1820 werden ze uitgeschreven.

Aalmoezeniersweeshuis
aan de Prinsengracht
436.
Sinds 1836 doet het gebouw dienst als Paleis van Justitie.
Lijsje ging na het overlijden van Jacobus samenwonen met Jan Hendrik Schnuck. Op 7 oktober 1825 overleed zij
te Amsterdam op vierenveertig jarige leeftijd.
Het is niet bekend hoe het in die jaren met de kinderen Jacob en Hendrik (Hein)
in het Aalmoezeniersweeshuis is gegaan.
De volgende praktijk was echter van toepassing. Kinderen onder de vier jaar
werden vaak uitbesteed aan een min. Een min kreeg per kwartaal een bedrag van ƒ
14,18 voor de verzorging van het kind.
Als de kinderen terug kwamen in het weeshuis dan gingen ze tot aan hun tiende
jaar naar het kleinkinderhuis.
De jongens gescheiden van de meisjes. Na deze periode ging het kind over naar
het grootkinderhuis. Daar kregen de meisjes enig onderricht en werden daarna in
de brei-, linnen- of wolwinkel van het weeshuis geplaatst.
De jongens gingen vanaf hun vijftiende jaar bij een baas in de leer.
Op hun achttiende jaar verlieten de kinderen in de regel het weeshuis. Meestal
kregen ze dan een uitzet mee, vaak bestaande uit gereedschap.
In 1810 zaten er 4200 kinderen in het weeshuis. Van hen waren er 550 te
vondeling gelegd.
Geprojecteerd op de
kinderen Balm zou dit betekenen, dat Jacob van september 1814 tot 1819 in het grootkinderhuis
zat en van 1819 tot en
met juni 1820 zou hij gewerkt hebben bij een baas.
Voor Hendrik zou het betekenen, dat hij van september 1814 tot en met 1816 in het
kleinkinderhuis verbleef en van 1816 tot en met juni 1820 in het grootkinderhuis.
Vast staat evenwel dat Hendrikus (Hein) in 1829 vermeld staat in het
huwelijksregister van Spaarndam.
Bekend is dat op 1 mei 1824 het weeshuis geheel ontruimd werd. Kinderen die ouder dan zes jaar waren uit het weeshuis werden doorgezonden naar Veenhuizen in Drenthe.

Het gesticht in Veenhuizen.
Daar waren gestichten voor vondelingen en wezen, bedeelden en bedelaars. Zij
werden te werk gesteld bij het ontginnen van het gebied. Het wegzenden stuitte op veel weerstand. Regenten van het weeshuis namen er
zelfs ontslag voor. Pas in 1863 kwam er een einde aan het doorsturen.
Een opmerkelijke Balm in dit verband is de circa zes maanden oude vondeling
Willem Balm.
Hij werd op 21 september 1816 door een zekere Jan Volkerts afgegeven bij de
portier van het Aalmoezeniersweeshuis. Volkerts had het kind gevonden op de
Loyersgragt tussen de Dwarsestraat en de Baangracht. Op het kind werd geen
bericht gevonden. Het jongetje werd evenwel Willem Balm genoemd.
Waren de ouders dan wel bekend?
Het volgende proces-verbaal werd opgesteld:
Willem
BALM
,
geboren
maart 1816 te
Amsterdam
.
Proces‑Verbaal van het Aalmoezieniers weeshuis der stad Amsterdam.
no. 26 Litt. A;A
Op
heden den een en twintigsten september 1816 s'avonds te elf ure is door Jan
Volkerts gebragt aan Paulus Henricus Pijpers waarnemende de funktie van portier
in het Aalmoezieners Weeshuis dezer stad, overgegeven en is in het zelve
ingenomen een kind van het manlijk geslacht, oud na gissing zes
maanden
aan
hebbende de volgende kleederen:
een hempje een borstrokje een doekje twee musjes een hempje een jurkje
door denzelven Jan Volkerts gevonden alhier op de Loyersgragt tussen de
Dwarsestraat en Baangragt s'avonds te elf ure met geen berigt.
Zullende
aan dit kind de naam gegeven worden van Willem
Balm
waarvan
dit proces ‑ verbaal is opgemaakt en door ons het voorschreve op
voorschrevenen dag, maand en jaar is ondertekend. P.H.Pijpers
Regent
van het Aalmoezeniersweeshuis te Amsterdam.
Jan
Volkerts oud 45 jaar strijkeijsermaker in de Rosestraat tussen de laatste
Dwarsstraat en Baangragt n 2 Nagtwagt in wijk 2 aan de Amstel Corps du garde
bekend niet te kunne schreijven.
Gedoopt
(N.H.) op
29-09-1816 te
Amsterdam
,
overleden op
01-04-1827 te
Veenhuizen
,
archief
343 vondelingen - index 372 (1784 - 1818)
reg.
van vonst; 380 - reg. van opname: 371
5073 weeskamer
jaar; 1816 inv. 392 proces verbaal/inv. 402 doopboek N.H./ inv. 313
kinderhuisboek (KB) 22
Uitbesteding(UB)
601 - Uitgang 17-8 -1824 naar Veenhuizen
Archief
Maatschappij van Weldadigheid.
Willem Balm behoorde dus tot de kinderen die na 1824 naar Veenhuizen werden doorgestuurd.
H.P. Jansen: "Kalendarium van de geschiedenis der Lage Landen", 1974;
Levie en Zantkuyl: "Wonen in Amsterdam in de 17de en 18de eeuw", 1980;
A. Bredius e.a.: "Amsterdam in de zeventiende eeuw";
J.I. Israel: "De Republiek, 1477 - 1806", 1996;
G. Mak: "Een kleine geschiedenis van Amsterdam", 1999;
archiefgegevens: Paul Balm, Robert en Angenetha Balm, Frank Balm, Joop Boxelaar en Ben Balm.
Biografie 3.
Deze biografie beschrijft het leven van
Hein (Hendrikus) Balm, kleinzoon van stamvader Jacob Balm.
Hein wordt op dinsdag 25 november 1806 geboren, als tweede zoon van Jacobus Balm
en Elisabeth ter Voort, in de Tichelstraat bij de Lijnbaansgracht in de Jordaan,
te Amsterdam.
Op 3 december 1806 wordt Hein door dominee Dirk Cornelis van Voorst gedoopt in
Nieuwe Kerk te Amsterdam. Getuigen zijn opa Hendrik ter Voort en Alida Bos.
Zijn ouders, Jacob en Lijsje, hebben dan de leeftijd van 45 en 24 jaar.
Zijn vader is kruier van beroep.
Op 19 augustus 1811 wordt Johan, de derde zoon, geboren.
Kort daarna verhuist het gezin naar de
Mandenmakersteeg nummer 6, in het centrum van Amsterdam.
Het gezin leeft regelmatig onder het bestaansminimum en krijgt, net als veel
andere gezinnen, steun van het gemeentebestuur.
Op 25 maart 1812 overlijdt zijn vader op tweeënvijftig jarige leeftijd in de Mandenmakerssteeg.
Het gezin krijgt in de zomer van 1812 nog eenmaal steun.
Blijkbaar kan moeder Lijsje de situatie niet meer aan. Vermeld staat dat zij in
1812 geroyeerd wordt en daardoor geen verdere steun meer zal ontvangen.
Zij hertrouwt na 1812 met Jan Hendrik Schnux.
Op vrijdag 10 september 1813 worden Jacob,
Hein en Johan ingeschreven bij het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht,
op de hoek van de Leidsestraat te Amsterdam.
In het register van inschrijving van het Aalmoezeniersweeshhuis staat vermeld:
Dinsdag
den 14 September 1813
Jacobus Balem Oud 9 Jaar
Hendrik Balem Oud 6 Jaar
Jan Balem Oud- 2 Jaar
Devader Jacobus Balem. Overleden
Demoeder Lijsje …………….Weggelopen
Op authorisatie van Den Heer Prefect
De Dato 10 September 1813 ingenomen.
Van de Gereformeerde Godsdienst.
J.H.
Bernhard
Boekhouder
De kinderen verblijven tot 9 juni 1820 in
het weeshuis.
De leefomstandigheden in het weeshuis zijn
slecht te noemen. Door het onvoldoende en zware voedsel blijft de groei van de
weeskinderen achter.
De maaltijd kan bestaan uit: groentesoep, gortepap, rijst, erwten, brood en
melkproducten.
In de periode van 22 februari tot en met 1
maart 1816 stond op het menu:
De sociale en economische omstandigheden
in het Amsterdam van 1810 en de jaren daarna zijn zorgelijk. Het aantal te
vondeling gelegde kinderen en wezen neemt sterk toe; in 1811 zelf met 52
%.
De hoge sterfte onder ouders is hier mede de oorzaak van.
In 1810 werd Nederland ingelijfd bij de
Franse republiek. Nederland moest daardoor meebetalen aan de oorlogvoering van
de Franse keizer Napoleon.
Als gevolg daarvan werden de publieke gelden voor de weeshuizen verminderd.
Door het uitbesteden van de weeskinderen aan fabrikanten en boeren werd getracht
een andere bron van inkomsten te creëren.
In 1810 werd tevens de militaire dienstplicht ingevoerd. De oudere weeskinderen
werden beschouwd als potentiële rekruten. Tot een verlichting voor de
weeshuizen kwam het echter niet. De minimum lengte voor een rekruut werd eerst
vastgesteld op 1598 mm, en later, toen er een tekort aan rekruten was, op 1544
mm. Veel weeskinderen bleven onder deze lengte.
Een andere manier om het aantal wezen terug te dringen was het opsporen van
ouders die hun kind te vondeling hadden gelegd.
Tussen 1819 en 1821 werden maar liefst 1158 ouders opgespoord.
Waarschijnlijk was Lijsje ter Voort één van deze ouders.
Op 9 juni 1820 ondertekende zij de volgende verklaring:
Ik
ondergetekende als moeder van bovengenoemde Kinderen verklare bij Deze Dezelve
terug ontvangen te hebben, aannemende en behorende Dezelve eene goede Opvoeding
te Zullen geeven van al het nodige te voorzien en te zullen Zorgen dat dezelve
nimmer weder ten laste komen van dit Godshuis.
Amsterdam
9 Juny 1820
Lijsje
ter Voort
Hein is op dat moment 13 jaar.
Op 7 oktober 1825 overlijdt zijn moeder op vierenveertig jarige leeftijd te Amsterdam.
De volgende dag wordt zij begraven.
Hein is dan 18 jaar oud.
Waarschijnlijk werkt hij op dat moment als wijnkopersknecht in Amsterdam of
Haarlem.
In het adresboekje van “Kooplieden, Bankiers, handeldrijvenden of
negotiedoenden der stad Amsterdam” uit 1821 worden dertig
wijnhandelaren vermeld die in die jaren actief zijn.
Hein’s beroep van wijnkopersknecht staat
vermeld op het certificaat van de Nationale Militie van de provincie
Noord-Holland, afgegeven op 8 augustus 1828, registratienummer 2847.
Hein is met nummer 3386 uitgeloot en wordt niet opgeroepen voor militaire
dienst.
Op het certificaat staat als zijn signalement vermeld:
lengte 160,5 cm (=1
el, 6 palm, 0 duim, 5 streep; Nederlands metriek stelsel uit 1816)
gezichtskenmerken:
aangezicht:
ovaal
voorhoofd:
plat
ogen:
blauw
neus:
groot
mond:
breed
kin:
rond
haar:
bruin
wenkbrauwen: idem
merkbare tekenen: geen
In deze periode neemt het leven van Hein
een wending. Hij vertrekt naar Spaarndam en wordt visventer.
Hein ontmoet Maria Severijnse.
Maria is geboren op 18-01-1802 te Heemstede.
Zij is de dochter van Pieter Severijnse, timmermansknecht, en Adriaantje Van
Steenderen.
Maria is rooms katholiek en opgenomen in het doopboek van de R.K. kerk te
Berkenwoude.
Zij woont in Spaarndam en is op dat moment zonder beroep.
Op 13 en 17 mei 1829 wordt de aankondiging gedaan bij de stadhuizen van
Amsterdam en Spaarndam van het huwelijk van Hein en Maria Severijnse.
Op 24 mei 1829 vindt om 12.00 uur te
Spaarndam het burgerlijk huwelijk plaats.
De getuigen zijn: Matheus Melchior, schoenmaker, Willum Krijger, werkman, Adolf
Melchior Mattheuszoon, schoenmaker en Jan van Bragt, herbergier
Hein woont, aldus de huwelijksakte, in Amsterdam.
Op 24 september 1829 is het kerkelijk huwelijk, in de R.K. kerk van Spaarnwoude.
Maria is dan zevenentwintig jaar en Hein tweeëntwintig jaar oud.
Hein wordt belijdend katholiek.
Maria heeft op het moment van haar
huwelijk met Hein al twee kinderen.
Op 19 december 1826, om
14.00 uur, werd haar dochter Adriana Severijnse te Haarlem geboren.
Er staat in de geboorteakte niet omschreven wie de vader van Adriane is.
Maria was voor de geboorte van Adriana dienstbode en woonde in de
Patientiestraat W 2. nr 808 te Haarlem.
Getuigen bij de aangifte waren Jan Luikel, lettergieter, wonende in de
Patientiestraat, Jan van Eskert, schilder, wonende in de
Lange Hofstraat en de vroedvrouw Martina Lasschuit.
Op 11 april 1829, om 02.00 uur, werd ruim één maand voor haar burgerlijk huwelijk,
Hendrik
Severijnse te Spaarndam geboren.
Hendrik (Hein) Balm (Severijnse)
In de geboorteakte wordt Hendrik omschreven als onechte zoon en Maria als
ongehuwd.
Getuigen waren Willem Krijger, oud veertig jaar en werkman,
Adolf Melchior Mattheuszoon, negenendertig jaar en schoenmaker, en vroedvrouw Maria de Beers,
weduwe van Martijn Buizer, oud 59 jaar.
De vraag is of Hein de biologische vader
van Adriana en Hendrik is. Dit is, gezien de geboortedatum, zeker te
verwachten bij Hendrik.
Opvallend is wel dat Hein zowel bij Adriana, als bij Hendrik niet als getuige
wordt genoemd in de geboorteakte. Later, 1848, zal Hein de beide kinderen
erkennen.
Het gezin van Hein en Maria zal de komende
jaren gaan bestaan uit zeven kinderen. Na Adriana en Hendrik volgen de volgende
vijf kinderen:
Hein en zijn gezin hebben het niet
breed.
Op 3 december 1847 verklaart burgemeester Van Egmond schriftelijk dat Hein en
Maria Balm in zodanige behoeftige omstandigheden verkeren, dat zij als
onvermogend aangemerkt worden. Op grond daarvan zijn zij onmachtig om de
zegelrechten van de gemeente Spaarndam te betalen.
In het leven van Hein zal een belangrijke
wending komen.
Op 18 februari overlijdt zijn vrouw Maria op zesenveertig jarige leeftijd.
Twee maanden ervoor, op 9 december 1847, worden Adriana en Hendrik door Hein
erkend als zijnde zijn kinderen. Vlak na het overlijden van hun moeder worden op
16 maart 1848 Adriana en Hendrik, bij een koninklijk besluit, gewettigd .
Op 12 april 1848 worden Adriana en Hendrik ingeschreven in burgerlijke stand van
Spaarndam.
De wettiging zal ook te maken hebben met
het aanstaande huwelijk van Adriana.
Op 27 augustus 1848 treedt zij in het huwelijk met Petrus Josephus Jukes,
geboren op 21 september 1823 te Spaarndam. Peter Jukes is visser en
schippersknecht.
Het burgerlijk huwelijk vindt plaats in Spaarndam en het kerkelijk huwelijk in
Spaarnwoude.
In de jaren die volgen maakt Hein, voor
zijn overlijden, vijf huwelijken mee van zijn kinderen.
Eén schoondochter, Guurtje Rozenkrans, de vrouw van Hendrik, overlijdt.
Over zijn zoon Willem (Wilhelmus Arnoldus) en zijn gezin volgt een biografie.
Willem Arnoldus en Eliaabeth Beenders,
zijn tweede echtgenote.
Hein krijgt tijdens zijn leven zestien kleinkinderen. Zeven van hen overlijden
op jonge leeftijd.
Op 2 oktober 1865 overlijdt Hein, op
achtenvijftig jarige leeftijd, om 6.00 uur in de ochtend in het Visserseinde
nummer 9b te Spaarndam.
Hein wordt op 5 oktober 1865 begraven op het Rooms Katholieke kerkhof van Haarlemmerliede.
bronnen:
S.W. Balm, e.a.: "Drie baarsjes en een ham", 1967;
G. Mak: "Een kleine geschiedenis van Amsterdam", 1999;
Bakker,Noordman en Rietveld: "Vijf eeuwen opvoeden in Nederland", 2006
archiefgegevens: Ben Balm