biografie

                                                                                                                                                                                  
 

Biografieën

01-001    Jacob (Jacques) Balm

02-001    Jacobus (Pieter) Balm

03-004    Hendrikus (Hein) Balm

 
                                                   
01-001      Jacob (Jacques) Balm        

Jacob Balm(e) werd medio 1731 geboren. Het jaartal is niet met zekerheid vast te stellen. De bronnen spreken elkaar tegen. In de akte van zijn eerste huwelijk in 1757staat een leeftijd vermeld van 26 jaar.  Bij de aangifte van zijn overlijden in 1792 wordt de leeftijd van 65 jaar genoemd. In dat geval zou Jacob geboren zijn in 1727.

Ook is de geboorteplaats niet met zekerheid vast te stellen.

In de huwelijksakte uit 1757 staat de stad Naarden als plaats van herkomst. 
In het streekarchief te Naarden zijn echter geen verdere gegevens te vinden.
In de huwelijksakte uit 1782 wordt de stad Turijn (Turin) in Noord Italië genoemd.

Lang is gedacht dat Turn de plaats of streek van herkomst was. Deze naam komt in de topografie van Europa niet voor. Turn zou dan echter kunnen komen van de stad Solothurn in Zwitserland. Ook wordt het Zwitserse plaats Thun genoemd.

Dat Jacob Balm afkomstig is uit Turijn, of de omgeving daarvan,  wordt bevestigd door een notitie in een van de archiefstukken van de Waalse kerkgemeenschap in Amsterdam.
In 1763 en de jaren daarna krijgt Jacob ondersteuning in de vorm van geld en brood. 
Dit staat beschreven in "het Grand Livre des Pauvres Wallons". Er staat vermeld dat hij afkomstig is uit de streek Piemonte. Turijn ligt in de streek Piemonte. 

In Turijn en omgeving worden rond 1730 diverse jongens met de naam Jacob of Jacques Balme geboren.
Opmerkelijk is dat de namen van de kinderen die Jacob later in Amsterdam krijgt, rond 1700 terug te vinden zijn in plaatsjes als San Germano, San Giovanni, Rodoretto en Torre Pellice.
We treffen de volgende namen aan: Jean Balme, Anne Balme, Catharine Balme, Jeannne Balme, Elisabeth Balme en Sara Balme.
Zijn oudste zoon Arnoldus zou dan mogelijk vernoemd zijn naar Arent (Arnoldus) Ottenhof,zijn schoonvader.

De naam Balm komen we in die tijd in Italië niet tegen; de naam Balme veelvuldig.
Het lijkt een zaak van mondelinge overlevering dat de naam in Nederland gewijzigd is. Men sprak een naam uit en de ambtenaar schreef op wat hij hoorde. Het wegvallen van de stomme e bij Balm wijst erop dat die door de persoon in kwestie niet werd uitgesproken, of dat die door de optekenaar niet werd verstaan.
In het boek "Drie baarsjes en een ham", over de geschiedenis van het volksleven van Spaarndam, wordt de naam Balme aangehaald, als zijnde de "franse" overgrootvader uit de Visserssteeg, van S.W. Balm.
In het oud Alpijnse (Alpiene) dialect staat "balme" voor "grot".
In de topografie is de naam Balm en Balme niet onbekend. In Zwitserland zijn de gehuchten "Balm bei Günsberg" en "Balm bei Messen" te vinden en de Balmhorn; in Italië ligt ten noordwesten van Turijn, op 61 km., het plaatsje Balme. 

Waarom ondernam Jacob de tocht van Piemonte naar Nederland?

Waarschijnlijk moet dit gezien worden tegen de achtergrond van de roerige godsdienstige periode in de eerste helft van de achttiende eeuw in Piemonte.
West-Europa ging, ook in de eeuwen daarvoor, gebukt onder godsdienstige twisten. De oppositie tegen de katholieke kerk was sterk verbreid. 
In Noord-Italië manifesteerden de Waldenzen zich. Zij ontleenden hun naam aan Petrus Waldes, een rijke zijdekoopman uit Lyon. 

Het verhaal gaat dat Waldes getroffen werd door de preek van een rondtrekkende prediker. Hij gaf zijn bezittingen aan armen en volgde in absolute armoede Christus na. 
Zijn aanhangers wilden zich niet houden aan de beperkingen die de paus aan zijn prediking wilde opleggen. Daardoor kwamen zij buiten de katholieke kerk te staan. De Waldenzen waren talrijk in de dalen van Piemonte. Turijn was rond 1700 een katholiek bolwerk, waar de inquisitie stevig huishield. Het lijkt daardoor niet aannemelijk dat Jacob afkomstig was uit stad Turijn zelf.

 
Het Edict van Nantes, in 1598 door de Franse koning Hendrik IV uitgevaardigd, gaf een zekere mate van vrijheid aan protestanten en gereformeerden (de hugenoten).
Gedurende de zeventiende eeuw kwam het verdrag steeds meer onder druk te staan.
Uiteindelijk werd het verdrag in 1685 herroepen. Harde maatregelen van de katholieke overheid tegen de niet-katholieken volgden. 
De positie van de hugenoten en Waldenzen werd onhoudbaar. Velen kozen ervoor zich te laten "bekeren". Degenen die dit niet wilden, gingen gebukt onder een verregaande terreur. 
Er zijn beschrijvingen van gruwelijke martelingen.


Al ver voor het herroepen van het Edict van Nantes was er sprake van een uittocht van hugenoten. 
Zwitserland en Duitsland (Brandenburg) in grote mate, de Nederlanden, Engeland, Zuid-Afrika en Amerika in mindere mate,  werden als bestemming van de emigratie gekozen. 
De overgrote deel van de Waldenzen vestigde zich langs de rivier de Neckar in Duitsland, tussen de steden Heidelberg en Heilbronn. Een tweede vestigingsplaats was het gebied langs de rivier de Main.
In Tübingen aan de Neckar wonen nu een aantal naamgenoten. 

Onder invloed van de Waalse emigranten ontwikkelden de Waalse (Franstalige) kerkelijke gemeenten zich in Nederland sterk. De Waldenzen die naar ons land kwamen, vonden bij de Waalse kerken een veilige haven. 
Uit het archief van de Waalse kerk blijkt dat de Waldense kerken in Piemonte gesteund werden.
In het Geldersarchief is bij de stukken van de rekenkamer (S1, fo. 955 en 956) in een verslag uit 1 oktober 1723 te lezen, dat het verzoek van Jan Best, gevolmachtigde van de Waldenzen, is afgewezen voor een bijdrage aan de bouw van een kerk in het vorstendom Hessen - Darmstadt.
 
De vluchtelingen werden in plaatsen waar zich een Waalse gemeente bevond, ondergebracht bij kerkleden.
Het gaat hier om de plaatsen Amsterdam, Arnhem, Bergen op Zoom, Den Bosch, Breda, Den Briel, Delft, Dordrecht, Goes, Gorkum, Gouda, Groningen, Den Haag, Haarlem, Heusden, Leiden, Kampen, Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Naarden, Nijmegen, Rotterdam, Schiedam, Tholen, Utrecht, Veere, Vianen, Vlissingen, Zierikzee, Zutphen en Zwolle. 

Naarden wordt door Jacob genoemd als plaats van herkomst in de akte bij zijn eerste huwelijk in 1757                                                                         
Beschreven is dat in de periode tussen 1670 en 1740 352 vluchtelingen arriveerden  in Dordrecht. 
Zij behoorden veelal tot de middenklasse van kooplieden en ambachtslieden. In 1733 en 1734 arriveerden er in Dordrecht 30 Waldenzen. 
Uit economische motieven was het aantrekkelijker om uiteindelijk Amsterdam of Rotterdam als eindbestemming te hebben. 

Het is niet bekend of Jacob Balm rechtstreeks vanuit Piemont naar Nederland is getrokken. 
De tocht werd door meer naamgenoten gemaakt.
Het standaardwerk over de Waldenzen van Kiefner (4 volumes), verwijst naar een Jacques Balme, die samen met Pierre Balme en nog twee "burschen",  in 1709 in een Waldenzerkolonie bij Karlsruhe een bruiloft verstoorde.
Bekend is ook een Jaques Balme die in 1753 vanuit Rotterdam naar Amerika emigreerde. 

Jacob Balm vestigde zich in 1754 in Amsterdam. Op 26 november liet hij zich inschrijven bij de Waalse kerk. Vermeld staat dat hij afkomstig is uit Naarden.

Hij was schoenmaker (lapper) (cordonnier) van beroep.

Hij betrok een woning in de Sint Geertruidensteeg, een steegje uitkomend op de Nieuwezijds Voorburgwal. 

     

impressie van vroeger                                    gezien vanaf de Nieuwezijds Voorburgwal               gezien vanaf de Nieuwe Nieuwstraat

Op 6 mei 1757 trouwde hij met Catharina Ottenhoff, geboren in juni 1731 te Oldenzaal (Ov). 
De stamboom van de familie Ottenhoff voert terug naar Arent Ottenhoff, geboren omstreeks 1615 in Stad Delden in Overijssel. Arent was bakker van beroep.
De halfzus van Catharina, Maria Broekhuijsen, woonde sedert 1742 met haar echtgenoot Barent in Amsterdam.
Barent Broekhuijsen verkreeg op 23-10-1742 het poorterrecht als biksteenverkoper. Hij was afkomstig uit Oldenburg (Dld).
Micheal Ottenhoff, de jongere broer van Catharina woonde waarschijnlijk ook in Amsterdam. Hij was getuige bij de doop van Jacobus, de tweede zoon van Jacob en Catharina.
.
Catharina was mogelijk analfabeet; zij ondertekende de huwelijksakte met een kruisje.

Jacob en Catharina kregen in totaal negen kinderen.

In het archief van de Waalse kerk is, zowel in het " Grand livre des Pauvres Wallons" als in het "Livre des Dons" te lezen, dat Jacob van 1763 tot aan zijn dood in 1792 bijstand kreeg. In totaal ontving hij in die jaren een bedrag van ruim ƒ 8.300,00 .
De bedragen werden aan het einde van de even maanden uitgekeerd in geld en in de vorm van brood. Bij het totale bedrag waren extra toelagen inbegrepen voor het betalen van begrafenissen van zijn dochters Francoise, Jeanne en Elisabeth.

Twee keer kreeg hij een extra toelage. De laatste ter grootte van ƒ 25,00 werd uitgekeerd op 12 november 1781, een maand voor het overlijden van Catharina Ottenhoff.
Catharina overleed op 6 december 1781 aan de tering. Zij werd begraven op 9 december 1781.
Vlak voor haar dood maakte zij de geboorte, doop (getuige) en overlijden mee van haar waarschijnlijk eerste kleinkind Harnoldus.

Jacob bleef achter met Arnoldus (23 jaar), Jacobus (21 jaar), Anna (18 jaar), Catharina (15 jaar) en Jean (8 jaar).

Jacob woonde inmiddels in de Sint Annenstraat, een zijstraat van de Warmoesstraat.

Op 12 april 1782 trouwde Jacob op circa 51 jarige leeftijd met de 26 jarige Cristina Gankema
Uit de ondertekening door Jacob blijkt dat zijn handschrift er in de jaren op achteruit gegaan is.

In het weesboek van het Sint Antonieskerkhof staat vermeld:

"de 12e april 1782 heeft de weduwnaar van Anna Catharina Ottenhof verklaard geen middelen te hebben om iets voor moederserf aan zijn minderjarige kinderen te kunnen bewijzen, 't welk Jacobus van de Brun de goede bekende getuigde de waarheid te zijn".

Cristina Gankema werd omstreeks 1757 geboren in Embde. 
Uit archiefstukken van de Waalse kerk blijkt dat er connecties waren met de Franse kerk te Embde.

In 1782 werd ook hun dochter Sara geboren. Zij werd gedoopt op 16 oktober 1782.

In het overzicht van de verleende bijstand vanaf het februari 1789 worden de kinderen uit zijn eerste huwelijk niet meer vermeld.
Van Arnoldus (30 jaar), Jacobus (29 jaar en inmiddels gehuwd) en Anna (25 jaar en inmiddels gehuwd) is dit te verklaren. 
Van Arnoldus moet overigens vermeld worden dat hij niet meer in de archiefstukken terug te vinden is.
De vraag is ook waar Jean (15 jaar) gebleven is. 

Vanaf 1789 tot aan zijn dood in 1792 kreeg Jacob vijftig tweestuiverstukken per week aan bijstand. Twintig tweestuiverstukken daarvan krijg hij uitgereikt in de vorm van vier broden per week.

Jacob overleed in begin maart 1792. Hij had problemen op zijn borst. 
Aangifte van zijn overlijden werd gedaan door Jacobus, zijn tweede zoon.
Hij werd op 14 maart 1792 begraven op het Sint Antonieskerkhof.


                 

Het Sint Antonieskerkhof, naar een tekening van G. Lamberts uit 1816.        

Het kerkhof was gelegen tussen de Nieuwe Herengracht, de Muidergracht, de Nieuwe Keizersgracht en de Weesperstraat.
Het werd in 1639 aangelegd, toen nog buiten de stadswal. Door het regelmatig optreden van de pest en andere ernstige ziekten was het aantal sterfgevallen in de stad hoog. In 1654 b.v. overleden 24.148 Amsterdammers.
De nieuwe begraafplaats was vooral bestemd voor de minder- en onvermogenden. Op 17 juli 1640 vond de eerste begrafenis plaats. Na de laatste uitbreiding van de stad kwam het kerkhof binnen de bebouwde kom te liggen. Pas in 1866 werd het kerkhof gesloten.
In 1870 werd een stuk van het kerkhofterrein in gebruik genomen als proeftuin voor de Hortus Botanicus. Op het resterende gedeelte werden in 1885 twee schoolgebouwen neergezet. Bij het bouwrijp maken van het terrein aan de Weesperstraat werden vele skeletresten van het oude kerkhof aangetroffen.

 

Christina Margaretha Gankema overleed op 20 november 1822, op circa vijfenzestig jarige leeftijd, in het Binnengasthuis te Amsterdam. Uit het archief van de "huiszittenhuizen" blijkt dat zij na 1808 nog steun kreeg voor zichzelf en haar partner J. Balem. Wie deze J. Balem is, is niet bekend. Ligt hier een relatie naar Jan Balm, die samen met Maria van der Mieren doopgetuige was bij de doop van Jacobus Balm, zoon van Jacob Balm en Lijsje ter Voort, op 19 september 1804? 

 

bronnen: 
Lex
Slager: "Enkele achtergronden en bijzonderheden over Hugenoten";
H.P.H. Jansen: "Geschiedenis van de middeleeuwen", 1978;
M.Sluis: "Een kort overzicht van de geschiedenis van de Waalse Bibliotheek";
artikel: "the Piemontese", zie pagina informatie;
artikel: "Kerken van immigranten", geschiedenis van Dordrecht, deel II;
H.P. Jansen: "Kalendarium van de geschiedenis der Lage Landen", 1974;
Westerman: "Grosser Atlas zur Weltgeschichte", 1972;
S.W. Balm, e.a.: "Drie baarsjes en een ham", 1967;
T.Kiefer:" L'émigration de Vaudois des vallées piémontaises en Suisse, Allemangne et en France";
Van de Waal en De Vries: "Amsterdam omstreeks 1800". 1965;
archiefgegevens: Robert en Angenetha Balm, Paul Balm, Fons Balm, Frank Balm, Joop Boxelaar en Ben Balm        

                                                                                                                                                                               
terug naar begin van pagina

 

Biografie 2.

02-001    Jacobus (Pieter) Balm

Jacobus Balm,  tweede zoon van Jacob Balm en Catharina Ottenhoff, werd op 21 januari 1760 in Amsterdam geboren. Hij werd gedoopt in de Waalse Kerk op 23 januari 1760.

Doopgetuigen waren Michiel Ottenhoff (broer van Catharina?) en Cornelia Kanter.
Het gezin woonde toen waarschijnlijk in de de Sint Geertuidesteeg.

Op 14 januari 1780 trouwde hij, op negentienjarige leeftijd, met Catharina Pieterse Waaterman. In de huwelijksactie staat vermeld dat Catharina op dat moment zevenentwintig jaar oud was. De vermelde leeftijd van Jacobus in de akte is overigens 21 jaar. Zijn vader, Jacob (Jacques) Balm was getuige bij zijn huwelijk.
Catharina woonde voor haar huwelijk aan de Bierkaaij. Haar ouders waren al overleden.
De Bierkaaij was de kade langs de Oudezijds Voorburgwal. Hier werd het bier gelost dat veelal afkomstig was uit Hamburg. De zegswijze "het is vechten tegen de Bierkaai" voert terug naar de ruige bevolking die daar woonde en werkte.

Bierkaaij met op de achtergrond de Oude Kerk.

Jacobus en Catharina betrokken een woning aan de Sint Annendwarsstraat.
Dit is een zijstraat van de Sint Annenstraat, waar zijn vader en moeder woonden, en is gelegen achter de Bierkaaij. 
Vanuit de Sint Annendwarsstraat kijk je op de Oude Kerk.

Het uitzicht vanuit de Sint Annendwarsstraat.

Jacob was van beroep kruier (sleper).

Hun eerste zoon, Harnoldus, werd gedoopt op 23 maart 1781 in de Oude Kerk. Doopgetuigen waren zijn grootouders, Jacob Balm en Anna Catharina Ottenhof.
Rond deze tijd verhuisde het gezin naar de Bierkaaij. 
Harnoldus overleed begin oktober 1781 aan de pokken. Op 9 oktober werd hij begraven vanaf de Bierkaaij.

       

Oude Kerk                                                                                Oude Kerk , interieur

Jacobus en zijn vrouw leefden in armoede. In september 1781 kreeg Jacobus een gift van de Waalse kerk ter grootte van ƒ 25,00 . Dit staat geregistreerd in "les Livres des Dons".
In december 1781 overleed zijn moeder.

Op 28 september 1783 werd Jacob, de tweede zoon, gedoopt in de Oude Kerk.
In februari 1785 kreeg Jacobus wederom steun; nu ter grootte van ƒ 20,00.
Het gezin verhuisde naar de Duijfjessteeg, een steegje tussen het Rokin en de Kalverstraat.

  De Duijfjessteeg.

Zoon Jacob stierf op vierjarige leeftijd op 15 november 1787. Hij werd begraven op het Sint Antonieskerkhof.

Op 14 maart 1792 overleed de oude Jacob (Jacques). Jacobus kreeg in deze maand weer een gift, deze keer ter grootte van ƒ 28,30.

De economische omstandigheden in Amsterdam verslechterden. Op 10 januari 1795 trokken de Fransen over de bevroren rivier de Waal. 
Nederland kwam onder Franse invloed.  
De handel kreeg een ernstige klap door de invoering van het continentale stelsel.
De in- en uitvoer van producten daalde sterk.
Men schat dat in 1795 circa 16% van de Amsterdamse bevolking afhankelijk was van de armenzorg.
Meer dan de helft van de Amsterdamse bevolking leefde van een jaarinkomen dat lager was dan ƒ 300,00. Dit was op de rand van het bestaansminimum.
Tot deze groep behoorden de ongeschoolde arbeiders en dienstverleners, zoals dienstboden, wasvrouwen en naaisters.

Op 25 april 1798 kreeg Jacobus een gift van ƒ 20,00.

Catharina Waaterman overleed. De datum is niet bekend. Mogelijk is er een relatie met het tijdstip van het verkrijgen van de laatste gift.

Jacobus trouwde op 20 mei 1803 met Elisabeth (Lijsje) ter Voort.
Jacobus was toen 43 jaar en Lijsje was 22 jaar oud.
Enige tijd voor deze datum stond de huwelijksvoltrekking al gepland. Het echtpaar kwam toen echter niet opdagen.
Zij woonden al samen in de Tichelstraat bij de Lijnbaansgracht. De akte vermeldt: tegenover de sleper.
De Tichelstraat ligt in de Jordaan. Sommige bedrijven werden van de grachtengordel geweerd en naar de Jordaan verplaatst. 
Voorbeelden hiervan zijn het Salpeterhuis, salpeter werd gebruikt voor het maken van buskruid, en de Stadsgeschut- en klokkengieterij.
De gieterij stond op de hoek van de Tichelstraat. 
In de Tichelstraat zelf vond men tegel-, tichel- en steenbakkerijen.

Op 19 september 1804 werd Jacob geboren. Hij werd op 26 september 1804 gedoopt in de Nieuwe Kerk op de Dam.

Getuigen bij de doop waren Jan Balm en Maria van der Mieren. Wie Jan Balm is, is niet bekend.

Op 25 november 1806 werd Hendrikus (Hein) geboren. Hij werd gedoopt op 3 december in de Nieuwe Kerk. Doopgetuigen waren zijn grootvader Hendrik ter Voort en Alida Bos.

Het derde kind, Johannes (Jan), werd geboren op 19 augustus 1811. Hij werd in de Nieuwe Kerk gedoopt op 21 augustus 1811. Doopgetuigen waren Casper Brouwer en Jansje ter Voort.

Nederland werd in 1810 ingelijfd bij Frankrijk. Het Stadhuis op de Dam was in 1808 weggeschonken aan Lodewijk Napoleon, de broer van Napoleon Bonaparte, als tijdelijk paleis.
De bevolking van Amsterdam daalde in deze jaren sterk. Waren er in 1795 nog 221.000 inwoners, in 1815 waren dit er nog 190.000.
Er was volop armoede. Zo ook bij Jacobus en zijn gezin. Zij kregen volop steun van het stadsbestuur.

De regenten van de Huiszittende Stadsarmen waren belast met de zorg voor de Amsterdamse armen die niet in een tehuis, maar in hun eigen huis woonden. Deze armen werden ´s zomers bedeeld met brood en ´s winters met brood en turf, vanuit centrale uitdelingskantoren, de Huiszittenhuizen. 
De zorg werd verleend over de winters van 1809 tot en met 1812. Ook in de zomer van 1812 kregen het gezin steun.
In het register staat vermeld dat de kinderen gepokt hebben en dat Johan (eenmaal Johanna genoemd) is gevaccineerd in 1812.

Het gezin verhuisde naar de Mandenmakerssteeg 6, een steegje tussen het Damrak en de Nieuwendijk, tegenover de huidige Beurs van Berlage.

               

Mandenmakerssteeg, gezien vanaf de Nieuwendijk.            Mandenmakerssteeg, gezien vanaf het Damrak.


Op 25 maart 1812 overleed Jacobus op tweeënvijftig jarige leeftijd.
Lijsje ter Voort krijgt in de zomer van 1812 nog eenmaal steun. Vermeld staat dat zij geroyeerd wordt i.v.m. het verlaten van haar kinderen.
Op 14 september 1813 werden Jacobus, Hendrik en Jan onder de naam Balem ingeschreven bij het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht, op de hoek van de Leidsestraat.
Jacobus was toen 9 jaar, Hendrik 6 jaar en Jan 2 jaar oud.
Op 9 juni 1820 werden ze  uitgeschreven.

  
Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht 436.             Sinds 1836 doet het gebouw dienst als Paleis van Justitie.

 
Lijsje ging na het overlijden van Jacobus samenwonen met Jan Hendrik Schnuck. Op 7 oktober 1825 overleed zij te Amsterdam op vierenveertig jarige leeftijd.

Het is niet bekend hoe het in die jaren met de kinderen Jacob en Hendrik (Hein) in het Aalmoezeniersweeshuis is gegaan.
De volgende praktijk was echter van toepassing. Kinderen onder de vier jaar werden vaak uitbesteed aan een min. Een min kreeg per kwartaal een bedrag van ƒ 14,18 voor de verzorging van het kind.
Als de kinderen terug kwamen in het weeshuis dan gingen ze tot aan hun tiende jaar naar het kleinkinderhuis.
De jongens gescheiden van de meisjes. Na deze periode ging het kind over naar het grootkinderhuis. Daar kregen de meisjes enig onderricht en werden daarna in de brei-, linnen- of wolwinkel van het weeshuis geplaatst.
De jongens gingen vanaf hun vijftiende jaar bij een baas in de leer.
Op hun achttiende jaar verlieten de kinderen in de regel het weeshuis. Meestal kregen ze dan een uitzet mee, vaak bestaande uit gereedschap.
In 1810 zaten er 4200 kinderen in het weeshuis. Van hen waren er 550 te vondeling gelegd. 

De condities in het Weeshuis waren dermate slecht, dat in 1820 C.J. Nieuwenhuis schreef: 
"Bijna alle kinderen zijn te klein van gedaante, zijn  niet tot volle wasdom gekomen, en hebben een verzwakte maag. Ze zijn bleek van kleur, hebben last van huidziekten en hoofdzeer. Er slapen drie tot vijf kinderen in een krib, de kamers zijn niet afdoende gelucht. (...) Het eten is te zwaar en er is te weinig, met als gevolg, dat er te schokkerig wordt gegeten om genoeg te krijgen".

Geprojecteerd op de kinderen Balm zou dit betekenen, dat Jacob van september 1814 tot 1819 in het grootkinderhuis zat en van 1819 tot en met juni 1820 zou hij gewerkt hebben bij een baas. 
Voor Hendrik zou het betekenen, dat hij van september 1814 tot en met 1816 in het kleinkinderhuis verbleef en van 1816 tot en met juni 1820 in het grootkinderhuis. 
Vast staat evenwel dat Hendrikus (Hein) in 1829 vermeld staat in het huwelijksregister van Spaarndam.

Bekend is dat op 1 mei 1824 het weeshuis geheel ontruimd werd. Kinderen die ouder dan zes jaar waren uit het weeshuis werden doorgezonden naar Veenhuizen in Drenthe.

3e.jpg (14994 bytes)

Het gesticht in Veenhuizen. 

Daar waren gestichten voor vondelingen en wezen, bedeelden en bedelaars. Zij werden te werk gesteld bij het ontginnen van het gebied. Het wegzenden stuitte op veel weerstand. Regenten van het weeshuis namen er zelfs ontslag voor. Pas in 1863 kwam er een einde aan het doorsturen.

Een opmerkelijke Balm in dit verband is de circa zes maanden oude vondeling Willem Balm.
Hij werd op 21 september 1816 door een zekere Jan Volkerts afgegeven bij de portier van het Aalmoezeniersweeshuis. Volkerts had het kind gevonden op de Loyersgragt tussen de Dwarsestraat en de Baangracht. Op het kind werd geen bericht gevonden. Het jongetje werd evenwel Willem Balm genoemd.
Waren de ouders dan wel bekend?

Het volgende proces-verbaal werd opgesteld:

Willem BALM , geboren maart 1816 te Amsterdam
Proces‑Verbaal van het Aalmoezieniers weeshuis der stad Amsterdam.

no. 26 Litt. A;A 

Op heden den een en twintigsten september 1816 s'avonds te elf ure is door Jan Volkerts gebragt aan Paulus Henricus Pijpers waarnemende de funktie van portier in het Aalmoezieners Weeshuis dezer stad, overgegeven en is in het zelve ingenomen een kind van het manlijk geslacht, oud na gissing zes  maanden

aan hebbende de volgende kleederen:
een hempje een borstrokje een doekje twee musjes een hempje een jurkje

door denzelven Jan Volkerts gevonden alhier op de Loyersgragt tussen de Dwarsestraat en Baangragt s'avonds te elf ure met geen berigt. 

Zullende aan dit kind de naam gegeven worden van Willem Balm 

waarvan dit proces ‑ verbaal is opgemaakt en door ons het voorschreve op voorschrevenen dag, maand en jaar is ondertekend. P.H.Pijpers 

Regent van het Aalmoezeniersweeshuis te Amsterdam. 

Jan Volkerts oud 45 jaar strijkeijsermaker in de Rosestraat tussen de laatste Dwarsstraat en Baangragt n 2 Nagtwagt in wijk 2 aan de Amstel Corps du garde bekend niet te kunne schreijven.  

Gedoopt (N.H.) op 29-09-1816 te Amsterdam , overleden op 01-04-1827 te Veenhuizen ,  

archief 343 vondelingen - index 372 (1784 - 1818) 

reg. van vonst; 380 - reg. van opname: 371
5073 weeskamer
jaar; 1816 inv. 392 proces verbaal/inv. 402 doopboek N.H./ inv. 313 kinderhuisboek (KB) 22 

Uitbesteding(UB) 601 - Uitgang 17-8 -1824 naar Veenhuizen 

Archief Maatschappij van Weldadigheid.  

Willem Balm behoorde dus tot de kinderen die na 1824 naar Veenhuizen werden doorgestuurd.

 

bronnen: 

H.P. Jansen: "Kalendarium van de geschiedenis der Lage Landen", 1974;
Levie en Zantkuyl: "Wonen in Amsterdam in de 17de en 18de eeuw", 1980;
A. Bredius e.a.: "Amsterdam in de zeventiende eeuw";
J.I. Israel: "De Republiek, 1477 - 1806", 1996;
G. Mak: "Een kleine geschiedenis van Amsterdam", 1999;
archiefgegevens: Paul Balm, Robert en Angenetha Balm, Frank Balm, Joop Boxelaar en Ben Balm.

terug naar begin van pagina

                                                                                                                                                                                    
 

Biografie 3.

 

03-004    Hendrikus (Hein) Balm

Deze biografie beschrijft het leven van Hein (Hendrikus) Balm, kleinzoon van stamvader Jacob Balm.
Hein wordt op dinsdag 25 november 1806 geboren, als tweede zoon van Jacobus Balm en Elisabeth ter Voort, in de Tichelstraat bij de Lijnbaansgracht in de Jordaan, te Amsterdam.
Op 3 december 1806 wordt Hein door dominee Dirk Cornelis van Voorst gedoopt in Nieuwe Kerk te Amsterdam. Getuigen zijn opa Hendrik ter Voort en Alida Bos.
Zijn ouders, Jacob en Lijsje, hebben dan de leeftijd van 45 en 24 jaar.
Zijn vader is kruier van beroep.
Op 19 augustus 1811 wordt Johan, de derde zoon, geboren.

Kort daarna verhuist het gezin naar de Mandenmakersteeg nummer 6, in het centrum van Amsterdam.
Het gezin leeft regelmatig onder het bestaansminimum en krijgt, net als veel andere gezinnen, steun van het gemeentebestuur.

Op 25 maart 1812 overlijdt zijn vader op tweeënvijftig jarige leeftijd in de Mandenmakerssteeg.
Het gezin krijgt in de zomer van 1812 nog eenmaal steun. 
Blijkbaar kan moeder Lijsje de situatie niet meer aan. Vermeld staat dat zij in 1812 geroyeerd wordt en daardoor geen verdere steun meer zal ontvangen. 
Zij hertrouwt na 1812 met Jan Hendrik Schnux.

Op vrijdag 10 september 1813 worden Jacob, Hein en Johan ingeschreven bij het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht, op de hoek van de Leidsestraat te Amsterdam.
In het register van inschrijving van het Aalmoezeniersweeshhuis staat vermeld:
 

Dinsdag den 14 September 1813
Jacobus Balem Oud 9 Jaar
Hendrik Balem Oud 6 Jaar
Jan Balem Oud- 2 Jaar
Devader Jacobus Balem. Overleden
Demoeder Lijsje …………….Weggelopen
Op authorisatie van Den Heer Prefect
De Dato 10 September 1813 ingenomen.
Van de Gereformeerde Godsdienst.
 

J.H. Bernhard
Boekhouder

De kinderen verblijven tot 9 juni 1820 in het weeshuis.

De leefomstandigheden in het weeshuis zijn slecht te noemen. Door het onvoldoende en zware voedsel blijft de groei van de weeskinderen achter.
De maaltijd kan bestaan uit: groentesoep, gortepap, rijst, erwten, brood en melkproducten.

In de periode van 22 februari tot en met 1 maart 1816 stond op het menu:

 

De sociale en economische omstandigheden in het Amsterdam van 1810 en de jaren daarna zijn zorgelijk. Het aantal te vondeling gelegde kinderen en wezen neemt sterk toe; in 1811 zelf met 52 %. 
De hoge sterfte onder ouders is hier mede de oorzaak van.
 

In 1810 werd Nederland ingelijfd bij de Franse republiek. Nederland moest daardoor meebetalen aan de oorlogvoering van de Franse keizer Napoleon.
Als gevolg daarvan werden de publieke gelden voor de weeshuizen verminderd.
Door het uitbesteden van de weeskinderen aan fabrikanten en boeren werd getracht een andere bron van inkomsten te creëren.
In 1810 werd tevens de militaire dienstplicht ingevoerd. De oudere weeskinderen werden beschouwd als potentiële rekruten. Tot een verlichting voor de weeshuizen kwam het echter niet. De minimum lengte voor een rekruut werd eerst vastgesteld op 1598 mm, en later, toen er een tekort aan rekruten was, op 1544 mm. Veel weeskinderen bleven onder deze lengte.

Een andere manier om het aantal wezen terug te dringen was het opsporen van ouders die hun kind te vondeling hadden gelegd.
Tussen 1819 en 1821 werden maar liefst 1158 ouders opgespoord.
Waarschijnlijk was Lijsje ter Voort één van deze ouders.
Op 9 juni 1820 ondertekende zij de volgende verklaring: 

Ik ondergetekende als moeder van bovengenoemde Kinderen verklare bij Deze Dezelve terug ontvangen te hebben, aannemende en behorende Dezelve eene goede Opvoeding te Zullen geeven van al het nodige te voorzien en te zullen Zorgen dat dezelve nimmer weder ten laste komen van dit Godshuis.

Amsterdam 9 Juny 1820

Lijsje ter Voort

Hein is op dat moment 13 jaar.

Op 7 oktober 1825 overlijdt zijn moeder op vierenveertig jarige leeftijd te Amsterdam. 
De volgende dag wordt zij begraven.
Hein is dan 18 jaar oud.

Waarschijnlijk werkt hij op dat moment als wijnkopersknecht in Amsterdam of Haarlem.
In het adresboekje van “Kooplieden, Bankiers, handeldrijvenden of negotiedoenden der stad Amsterdam” uit 1821 worden dertig wijnhandelaren vermeld die in die jaren actief zijn.

Hein’s beroep van wijnkopersknecht staat vermeld op het certificaat van de Nationale Militie van de provincie Noord-Holland, afgegeven op 8 augustus 1828, registratienummer 2847.
Hein is met nummer 3386 uitgeloot en wordt niet opgeroepen voor militaire dienst.
Op het certificaat staat als zijn signalement vermeld:

lengte 160,5 cm (=1 el, 6 palm, 0 duim, 5 streep; Nederlands metriek stelsel uit 1816) gezichtskenmerken:
aangezicht:            ovaal
voorhoofd:             plat
ogen:                     blauw
neus:                     groot
mond:                    breed
kin:                        rond
haar:                     bruin
wenkbrauwen:        idem
merkbare tekenen: geen

In deze periode neemt het leven van Hein een wending. Hij vertrekt naar Spaarndam en wordt visventer.
Hein ontmoet Maria Severijnse. 
Maria is geboren op 18-01-1802 te Heemstede.

Zij is de dochter van Pieter Severijnse, timmermansknecht, en Adriaantje Van Steenderen.
Maria is rooms katholiek en opgenomen in het doopboek van de R.K. kerk te Berkenwoude.
Zij woont in Spaarndam en is op dat moment zonder beroep.

Op 13 en 17 mei 1829 wordt de aankondiging gedaan bij de stadhuizen van Amsterdam en Spaarndam van het huwelijk van Hein en Maria Severijnse.
 

Op 24 mei 1829 vindt om 12.00 uur te Spaarndam het burgerlijk huwelijk plaats.
De getuigen zijn: Matheus Melchior, schoenmaker, Willum Krijger, werkman, Adolf Melchior Mattheuszoon, schoenmaker en Jan van Bragt, herbergier
Hein woont, aldus de huwelijksakte, in Amsterdam.
Op 24 september 1829 is het kerkelijk huwelijk, in de R.K. kerk van Spaarnwoude.

Maria is dan zevenentwintig jaar en Hein tweeëntwintig jaar oud.
Hein wordt belijdend katholiek.
 

Maria heeft op het moment van haar huwelijk met Hein al twee kinderen.

Op 19 december 1826, om 14.00 uur, werd haar dochter Adriana Severijnse te Haarlem geboren. 
Er staat in de geboorteakte niet omschreven wie de vader van Adriane is.  
Maria was voor de geboorte van Adriana dienstbode en woonde in de Patientiestraat W 2. nr 808 te Haarlem.
Getuigen bij de aangifte waren Jan Luikel, lettergieter, wonende in de Patientiestraat, Jan van Eskert, schilder, wonende in de  Lange Hofstraat en de vroedvrouw Martina Lasschuit. 

Op 11 april 1829, om 02.00 uur, werd ruim één maand voor haar burgerlijk huwelijk, Hendrik Severijnse
te Spaarndam geboren.

Hendrik (Hein) Balm (Severijnse)

In de geboorteakte wordt Hendrik omschreven als onechte zoon en Maria als ongehuwd. 
Getuigen waren Willem Krijger, oud veertig jaar en werkman, Adolf Melchior Mattheuszoon, negenendertig jaar en schoenmaker, en vroedvrouw Maria de Beers, weduwe van  Martijn Buizer, oud 59 jaar.

De vraag is of Hein de biologische vader van Adriana en Hendrik is. Dit is, gezien de geboortedatum, zeker te verwachten bij Hendrik.
Opvallend is wel dat Hein zowel bij Adriana, als bij Hendrik niet als getuige wordt genoemd in de geboorteakte. Later, 1848, zal Hein de beide kinderen erkennen.

Het gezin van Hein en Maria zal de komende jaren gaan bestaan uit zeven kinderen. Na Adriana en Hendrik volgen de volgende vijf kinderen:

Hein en zijn gezin hebben het niet breed. 
Op 3 december 1847 verklaart burgemeester Van Egmond schriftelijk dat Hein en Maria Balm in zodanige behoeftige omstandigheden verkeren, dat zij als onvermogend aangemerkt worden. Op grond daarvan zijn zij onmachtig om de zegelrechten van de gemeente Spaarndam te betalen.
 

In het leven van Hein zal een belangrijke wending komen.
Op 18 februari overlijdt zijn vrouw Maria op zesenveertig jarige leeftijd.

Twee maanden ervoor, op 9 december 1847, worden Adriana en Hendrik door Hein erkend als zijnde zijn kinderen. Vlak na het overlijden van hun moeder worden op 16 maart 1848 Adriana en Hendrik, bij een koninklijk besluit, gewettigd .
Op 12 april 1848 worden Adriana en Hendrik ingeschreven in burgerlijke stand van Spaarndam.
 

De wettiging zal ook te maken hebben met het aanstaande huwelijk van Adriana.
Op 27 augustus 1848 treedt zij in het huwelijk met Petrus Josephus Jukes, geboren op 21 september 1823 te Spaarndam. Peter Jukes is visser en schippersknecht.
Het burgerlijk huwelijk vindt plaats in Spaarndam en het kerkelijk huwelijk in Spaarnwoude.
 

In de jaren die volgen maakt Hein, voor zijn overlijden, vijf huwelijken mee van zijn kinderen. 
Eén schoondochter, Guurtje Rozenkrans, de vrouw van Hendrik, overlijdt.
Over zijn zoon Willem (Wilhelmus Arnoldus) en zijn gezin volgt een biografie.

   
Willem Arnoldus en Eliaabeth Beenders, zijn tweede echtgenote.

Hein krijgt tijdens zijn leven zestien kleinkinderen. Zeven van hen overlijden op jonge leeftijd.  

Op 2 oktober 1865 overlijdt Hein, op achtenvijftig jarige leeftijd, om 6.00 uur in de ochtend in het Visserseinde nummer 9b te Spaarndam.
Hein wordt op 5 oktober 1865 begraven op het Rooms Katholieke kerkhof van Haarlemmerliede.

 

bronnen:
S.W. Balm, e.a.: "Drie baarsjes en een ham", 1967;
G. Mak: "Een kleine geschiedenis van Amsterdam", 1999;
Bakker,Noordman en Rietveld: "Vijf eeuwen opvoeden in Nederland", 2006
archiefgegevens: Ben Balm

terug naar begin van pagina