Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld worde

www.mysticism.nl

    

In religieuze en esoterische literatuur kom je vaak het adagium ‘oordeel niet’ tegen. Het levert ontegenzeglijk veel profijt op om niet te (ver)oordelen. Dat is een manier waarop een religieus mens het ressentiment in zichzelf en in zijn medemens weet te overwinnen, waardoor hij vreedzamer en meer verstild kan leven. Maar is dit altijd vol te houden?  En gebiedt de werkelijkheid ons niet te zeggen dat wij constant oordelen, elke minuut van de dag? Laten we daarom dit ‘oordeel niet’ aan en nader onderzoek onderwerpen, om te kijken of we hier te maken hebben met een deugdelijk adagium. Voor een eerste onderzoek naar de problematiek van het moreel oordeel zijn dit wat eerste aanzetten. Een diepere bespiegeling moet in een groter kader worden behandeld.

Bij groei hoort oordelen. Oordelen is een schiftingsproces op zoek naar geestelijke kwaliteit. Elke groei voltrekt zich langs de weg van het oordelen. Elke keuze is gebaseerd op een positief en negatief oordeel. Als je iets koopt oordeel je over de kwaliteit van de aangeboden produkten. Als je iets leest oordeel je over het geschrevene en zet je het af tegen andere denkbeelden, die van jezelf of die van waterhall in the underground temple of Damanhuranderen. Als je iets bekijkt oordeel je over de schoonheid en de waarde van dat wat je ziet. Als je omgang hebt met mensen oordeel je over de kwaliteit van de gesprekken en de gedeelde gevoelens. Daar kan soms ook een mate van veroordeling in zitten, die niet louter negatief hoeft te zijn, maar die kan leiden tot een betere verstandhouding en tot een betere inhoud van de gesprekstof. Kortom tot groei.

Het oordeel is de basis van kritiek en van een kritische zin. Kritisch zijn kan een groot goed zijn, als het niet een basis van negativisme en cynisme heeft, maar een basis van intelligentie die altijd gericht blijft op levensgenot en geestelijke groei. Sommige mensen oordelen zich inderdaad geestelijk ziek. Of de andere kant: oordelen constant vanuit hun geestelijke ziekte. Dan gaat de veroordeling het winnen van het positieve oordeel en wordt er aan het positieve aspect van het beoordeelde geen recht gedaan. Dan valt het oordeel dus eenzijdig uit. Dan is er simpelweg sprake van een pessimisme, melancholie of een andere geestelijke stoornis, die het oordeelsvermogen vertroebelt.

Misschien zou je het adagium ‘oordeel niet’ moeten vervangen door ‘stel altijd zo veel mogelijk uw oordeel uit’ gecombineerd met een ander adagium ‘wees altijd bereid uw oordeel bij te stellen’. Een oordeel is dan immers niet anders dan een hypothese. Vanuit de wetenschap leer je dat het uiteindelijk veel meer kennis en inzicht oplevert als hypotheses vervangen en bijgesteld kunnen worden. Het gaat er bij het oordelen dus om altijd een openheid te behouden. Want we moeten ons er  van bewust blijven het menselijk verstand altijd feilbaar is en zeer tekortschiet in het kennen van de uiteindelijke grond der dingen. Echt weet te hebben van dat waar je over oordeelt is dus vanuit de aard van ons verstand gezien onmogelijk. Een oordeel zou dus een soort tijdelijke werkhypothese moeten zijn, bedoeld om ons dolende verstand enige zekerheid te verschaffen.

‘Stel altijd zo veel mogelijk uw oordeel uit’. Het grote gevaar bij oordelen ligt namelijk in de starheid en de rigiditeit van het oordeel. Het oordeel ligt vast. Het oordeel is statisch. Paradoxaal genoeg ligt daarin nu juist het verleidelijke en het aanlokkelijke. Je weet wat je er aan hebt. Een oordeel is helder en duidelijk. Des te stelliger een oordeel, des te meer waarheid lijkt zij te bevatten. Maar wat je je niet zo gauw beseft is het feit dat een oordeel in al zijn vastheid iets doods is, maar dat waarheid daarentegen levend is, dat zij groeit, dat zij zich aanpast en dat zij vanuit verschillende invalshoeken steeds weer nieuwe perspectieven vertoont. Kortom, waarheid achterhaalt altijd het oordeel.
 

Er schuilt dus een groot gevaar in het oordelen. Starheid, doodsheid, gebrek aan groei, dogmatisme, fanatisme, fundamentalisme. Voorwaar, geen geringe kwaden! In zoverre lijkt de uitspraak ‘oordeel niet’ te kloppen. Maar als we ons een wereld voorstellen waarin helemaal niet geoordeeld zou worden, dan doemen er ook verschillende kwaden voor ons geestesoog op. Vaagheid, nietszeggendheid, gebrek aan onderscheidingsvermogen, gebrek aan communicatie, lafheid om stelling te nemen in iets waar stelling voor moet worden genomen etc.. Communicatie en lering kan alleen maar plaatsvinden als er iets is om over te communiceren. En die inhoud kan alleen maar communicabel zijn als het een zekere mate van vastheid vertoont. Je kunt slechts praten over iets dat vast staat (hopelijk chargeer ik hier lichtelijk). Over iets dat continu in verandering is valt moeilijk te praten. Het lijkt wel alsof ons denken -als denken- zich het best op zijn gemak voelt in een omgang met duidelijk omkaderde begrippen, die pas mededeelzaam worden als ze van andere inhouden worden afgezonderd. Kortom, als er een oordeel plaats vindt over onze gedachten.

Zie hier de grote moeilijkheid van ons verstand: het kan slechts functioneren volgens de wetten der logica, maar die logica kan zich alleen voltrekken volgens methodes van scheiding en schifting. A is niet B; als A dan niet B enz. Het logische proces voltrekt zich in een kritisch proces. Het woord kritiek komt van het Griekse krinein dat oorspronkelijk scheiden, schiften, van iets afzonderen betekent. Wil men kritisch zijn dan moet men logisch zijn en dat geldt omgekeerd ook. Want in wezen hebben logica en kritiek dezelfde eigenschappen.

De frappante conclusie die hier uit getrokken moet worden is dat men dus alleen logisch kan zijn, dat men alleen kan communiceren, als men oordeelt! De uitspraak ‘oordeel niet’ zou dus uiteindelijk leiden tot een ophef van alle logica en van alle communicatie. Elk geuit begrip is een oordeel. Want wil een begrip iets zeggen dan moet het zijn afgezonderd en zijn gedefinieerd van andere begrippen.

Hier  wordt met het ‘oordeel niet’ dus eerder iets bedoeld als ‘blijf open in je communicatie met anderen en in je denkprocessen’. ‘Maak de begrippen en de ideeën waarmee je werkt nooit zo rigide dat ze niet zijn bij te stellen of zijn aan te vullen’. ‘Zie een oordeel als een vertrekpunt vanwaaruit je tot verdere kennis komt, maar vergeet het vertrekpunt zodra je reis vordert’.


Ook moet overwogen worden of het ‘oordeel niet’ wellicht meer een ethische uitspraak is dan een kentheoretische. Misschien is deze aansporing meer van belang in onze omgang met onze medemensen dan in ons denkproces. Nu weten we uit de dagelijkse praktijk dat wij niet alles wat mensen doen en denken goedkeuren. Niemand kan beweren dat wij daar geen goed aan doen. Er schuilt immers veel kwaad, domheid en onwetendheid in mensen en we zouden er geen goed aandoen als we die zaken op hun beloop zouden laten. Een veroordeling is hier wel zeker op zijn plaats en is zelfs het middel bij uitstek waar de labirinthglass in the underground temple of Damanhuropvoeding zich van bedient. Misschien is dit wel de belangrijkste functie van een sociaal fenomeen als ‘roddelen’, dat het door middel van sterke veroordelingen en afkeuringen het cultureel geaccepteerde morele waardepatroon aan iedereen op sterk affectieve manier duidelijk maakt. Zo beschouwd zijn roddels niet anders dan sterk versimplificeerde ethische debatten, waarin kennis wordt verkregen over wat wel en wat niet kan in een bepaalde cultuur op een bepaald ogenblik. Een te strikte hantering van het ‘oordeel niet’ zou hier voorkomen dat dergelijke kennis boven tafel kwam, ja, zou er wellicht voor zorgen dat een samenleving volstrekt zou desintegreren.

Verder kunnen oordelen van andere mensen bijdragen aan het inzicht in jezelf. Dat geldt vooral voor mensen die weinig zelfreflectie kennen en die de spiegel van de buitenwereld nodig hebben om tot zelfkennis te komen. Zonder op hun tekortkomingen te worden gewezen zou voor deze mensen maar een beperkte groei mogelijk zijn. Hier helpt het oordeel van de omgeving de zelfcorrectie en is dus groei bevorderend.

Morele oordelen kunnen een hoger plan dienen waardoor de mensheid in zijn geheel verder kan groeien. Veroordelen van haat, afgunst, wreedheid, onrechtvaardigheid etc. en het positief beoordelen van liefde, opoffering, behulpzaamheid e.d. dienen alle een hoger doel. Ze ondersteunen de evolutie van de wereld en dragen bij tot een groter welzijn van heel de mensheid.


Neem het geval Adolf Hitler. Als iets hier ongepast zou zijn, dan wel ons ‘oordeel niet’. Dit geval lijkt ons juist voor te houden ‘oordelen moet !’. Het enige nut van dit pathologisch geval en van deze zwarte bladzijde in de wereldgeschiedenis is nu juist gelegen in ons oordeel over dit kwaad. Zonder een oordeel hierover zou de mensheid nooit de morele groei hebben gehad die we de laatste decennia hebben gezien. De VN als instituut is voortgekomen uit dit oordeel. Misschien ligt hier de functie van het Kwaad, dat het ons bewust maakt van het belang van onze veroordeling ervan. Zonder het Kwade zouden wij nooit bewust voor het Goede kunnen kiezen. Zouden we nooit het Goede positief kunnen beoordelen.

   
Tot zover heeft het er dus alle schijn van dat ‘oordeel niet’ een slecht overdachte aansporing is, zowel op kentheoretisch als wel op ethisch vlak, en dat wij er dus goed aan zouden doen deze aansporing als inadequaat filosofisch onderbouwd terzijde te schuiven, ware het niet dat ons gevoel ons influistert dat er wel degelijk iets voor te zeggen valt. Rest ons dus te onderzoeken in hoeverre dit adagium wel een goede leidraad voor handelen is. Hoe komt het dat zo menig religieus genie tot deze uitspraak is gekomen? Waaraan ontleent het zijn diep gevoelde geldigheid?

Bij nadere beschouwing lijkt het erop alsof men eigenlijk met deze uitspraak wil zeggen ‘veroordeel niet de diepste ziel der dingen, want die is heilig en zuiver’  ‘Blijf altijd je respect behouden voor alles wat komt onder jouw oordeelsvermogen.’  ‘Zie in dat je oordeelsvermogen altijd feilbaar is en dat de ware aard der dingen je kan ontgaan.’

De ziel der dingen levert namelijk altijd een mogelijkheid tot herstellen en tot bijstellen van dat wat men in eerste instantie veroordeelt. Want de kern heeft altijd groeipotentieel. Nooit mag deze kern bij het oordeel betrokken worden, want dan gooit men het kind met het badwater weg: men veroordeelt dat wat kan leiden tot verbetering.

De kern van dit probleem is dus het aloude verschil tussen de Schijn der dingen en het Wezen der dingen. Over het vormniveau -het schijnbare niveau in Platonische zin- kunnen wij een oordeel vellen, wellicht omdat juist op dit niveau de onvolmaaktheid der dingen blijkt (wat a fortiori ook geldt voor dat oordeel zelf! ), maar het Wezen der dingen onttrekt zich aan iedere beoordeling omdat het enerzijdsartwork from the underground temple of Damanhur voor ons denken onkenbaar is en anderzijds onze intuïtie -wat die ook waard moge zijn- voorkomt als iets van zeer hoge kwaliteit of toch zeker iets dat het niet waard is te veroordelen.

Dit toegepast op de mens kunnen we stellen dat we zijn of haar daden of ideeën kunnen beoordelen, maar dat we dit nooit de ziel van een mens kunnen aandoen . Niet voor niets laten alle bestaande religies dit oordeel aan God of de Goden over. Intuïtief voelen we aan dat in de ziel van de mens iets schuil gaat dat -om wat voor reden dan ook- zich aan beoordeling onttrekt. We willen deze kern zuiver en onaangeraakt laten en niet met een oordeel bezoedelen. Op dit niveau is er dus sprake van taboe en behoort het oordeel wel degelijk tot het rijk van de Duivel. Hier staan we voor het Heilige der Heilige en boven de ingang hangt het ‘oordeel niet’ als een non intrate bordje.



Arnhem, januari 2002










www.mysticism.nl


gast Sign our guestbook! 







MS banner