In
religieuze en esoterische literatuur kom je vaak het adagium ‘oordeel
niet’ tegen. Het levert ontegenzeglijk veel profijt op om niet te
(ver)oordelen. Dat is een manier waarop een religieus mens het
ressentiment in zichzelf en in zijn medemens weet te overwinnen,
waardoor hij vreedzamer en meer verstild kan leven. Maar is dit altijd
vol te houden? En gebiedt de werkelijkheid ons niet te zeggen dat
wij constant oordelen, elke minuut van de dag? Laten we daarom dit
‘oordeel niet’ aan en nader onderzoek onderwerpen, om te kijken of we
hier te maken hebben met een deugdelijk adagium. Voor een eerste
onderzoek naar de problematiek van het moreel oordeel zijn dit wat
eerste aanzetten. Een diepere bespiegeling moet in een groter kader
worden behandeld.
Bij
groei hoort oordelen. Oordelen is een schiftingsproces op zoek naar
geestelijke kwaliteit. Elke groei voltrekt zich langs de weg van het
oordelen. Elke keuze is gebaseerd op een positief en negatief oordeel.
Als je iets koopt oordeel je over de kwaliteit van de aangeboden
produkten. Als je iets leest oordeel je over het geschrevene en zet je
het af tegen andere denkbeelden, die van jezelf of die van anderen.
Als je iets bekijkt oordeel je over de schoonheid en de waarde van dat
wat je ziet. Als je omgang hebt met mensen oordeel je over de kwaliteit
van de gesprekken en de gedeelde gevoelens. Daar kan soms ook een mate
van veroordeling in zitten, die niet louter negatief hoeft te zijn,
maar die kan leiden tot een betere verstandhouding en tot een betere
inhoud van de gesprekstof. Kortom tot groei.
Het
oordeel is de basis van kritiek en van een kritische zin. Kritisch zijn
kan een groot goed zijn, als het niet een basis van negativisme en
cynisme heeft, maar een basis van intelligentie die altijd gericht
blijft op levensgenot en geestelijke groei. Sommige mensen oordelen
zich inderdaad geestelijk ziek. Of de andere kant: oordelen constant
vanuit hun geestelijke ziekte. Dan gaat de veroordeling het winnen van
het positieve oordeel en wordt er aan het positieve aspect van het
beoordeelde geen recht gedaan. Dan valt het oordeel dus eenzijdig uit.
Dan is er simpelweg sprake van een pessimisme, melancholie of een
andere geestelijke stoornis, die het oordeelsvermogen vertroebelt.
Misschien zou je het adagium ‘oordeel niet’ moeten vervangen door ‘stel
altijd zo veel mogelijk uw oordeel uit’ gecombineerd met een ander
adagium ‘wees altijd bereid uw oordeel bij te stellen’. Een oordeel is
dan immers niet anders dan een hypothese. Vanuit de wetenschap leer je
dat het uiteindelijk veel meer kennis en inzicht oplevert als
hypotheses vervangen en bijgesteld kunnen worden. Het gaat er bij het
oordelen dus om altijd een openheid te behouden. Want we moeten ons
er van bewust blijven het menselijk verstand altijd feilbaar is
en zeer tekortschiet in het kennen van de uiteindelijke grond der
dingen. Echt weet te hebben van dat waar je over oordeelt is dus vanuit
de aard van ons verstand gezien onmogelijk. Een oordeel zou dus een
soort tijdelijke werkhypothese moeten zijn, bedoeld om ons dolende
verstand enige zekerheid te verschaffen.
‘Stel altijd zo veel mogelijk uw oordeel uit’. Het grote gevaar
bij oordelen ligt namelijk in de starheid en de rigiditeit van het
oordeel. Het oordeel ligt vast. Het oordeel is statisch. Paradoxaal
genoeg ligt daarin nu juist het verleidelijke en het aanlokkelijke. Je
weet wat je er aan hebt. Een oordeel is helder en duidelijk. Des te
stelliger een oordeel, des te meer waarheid lijkt zij te bevatten. Maar
wat je je niet zo gauw beseft is het feit dat een oordeel in al zijn
vastheid iets doods is, maar dat waarheid daarentegen levend is, dat
zij groeit, dat zij zich aanpast en dat zij vanuit verschillende
invalshoeken steeds weer nieuwe perspectieven vertoont. Kortom,
waarheid achterhaalt altijd het oordeel.
Er schuilt
dus een groot gevaar in het oordelen. Starheid, doodsheid, gebrek aan
groei, dogmatisme, fanatisme, fundamentalisme. Voorwaar, geen geringe
kwaden! In zoverre lijkt de uitspraak ‘oordeel niet’ te kloppen. Maar
als we ons een wereld voorstellen waarin helemaal niet geoordeeld zou
worden, dan doemen er ook verschillende kwaden voor ons geestesoog op.
Vaagheid, nietszeggendheid, gebrek aan onderscheidingsvermogen, gebrek
aan communicatie, lafheid om stelling te nemen in iets waar stelling
voor moet worden genomen etc.. Communicatie en lering kan alleen maar
plaatsvinden als er iets is om over te communiceren. En die inhoud kan
alleen maar communicabel zijn als het een zekere mate van vastheid
vertoont. Je kunt slechts praten over iets dat vast staat (hopelijk
chargeer ik hier lichtelijk). Over iets dat continu in verandering is
valt moeilijk te praten. Het lijkt wel alsof ons denken -als denken-
zich het best op zijn gemak voelt in een omgang met duidelijk omkaderde
begrippen, die pas mededeelzaam worden als ze van andere inhouden
worden afgezonderd. Kortom, als er een oordeel plaats vindt over onze
gedachten.
Zie
hier de grote moeilijkheid van ons verstand: het kan slechts
functioneren volgens de wetten der logica, maar die logica kan zich
alleen voltrekken volgens methodes van scheiding en schifting. A is
niet B; als A dan niet B enz. Het logische proces voltrekt zich in een
kritisch proces. Het woord kritiek komt van het Griekse krinein dat
oorspronkelijk scheiden, schiften, van iets afzonderen betekent. Wil
men kritisch zijn dan moet men logisch zijn en dat geldt omgekeerd ook.
Want in wezen hebben logica en kritiek dezelfde eigenschappen.
De
frappante conclusie die hier uit getrokken moet worden is dat men dus
alleen logisch kan zijn, dat men alleen kan communiceren, als men
oordeelt! De uitspraak ‘oordeel niet’ zou dus uiteindelijk leiden tot
een ophef van alle logica en van alle communicatie. Elk geuit begrip is
een oordeel. Want wil een begrip iets zeggen dan moet het zijn
afgezonderd en zijn gedefinieerd van andere begrippen.
Hier wordt met het ‘oordeel niet’ dus eerder iets bedoeld
als ‘blijf open in je communicatie met anderen en in je denkprocessen’.
‘Maak de begrippen en de ideeën waarmee je werkt nooit zo rigide
dat ze niet zijn bij te stellen of zijn aan te vullen’. ‘Zie een
oordeel als een vertrekpunt vanwaaruit je tot verdere kennis komt, maar
vergeet het vertrekpunt zodra je reis vordert’.
Ook moet
overwogen worden of het ‘oordeel niet’ wellicht meer een ethische
uitspraak is dan een kentheoretische. Misschien is deze aansporing meer
van belang in onze omgang met onze medemensen dan in ons denkproces. Nu
weten we uit de dagelijkse praktijk dat wij niet alles wat mensen doen
en denken goedkeuren. Niemand kan beweren dat wij daar geen goed aan
doen. Er schuilt immers veel kwaad, domheid en onwetendheid in mensen
en we zouden er geen goed aandoen als we die zaken op hun beloop zouden
laten. Een veroordeling is hier wel zeker op zijn plaats en is zelfs
het middel bij uitstek waar de opvoeding
zich van bedient. Misschien is dit wel de belangrijkste functie van een
sociaal fenomeen als ‘roddelen’, dat het door middel van sterke
veroordelingen en afkeuringen het cultureel geaccepteerde morele
waardepatroon aan iedereen op sterk affectieve manier duidelijk maakt.
Zo beschouwd zijn roddels niet anders dan sterk versimplificeerde
ethische debatten, waarin kennis wordt verkregen over wat wel en wat
niet kan in een bepaalde cultuur op een bepaald ogenblik. Een te
strikte hantering van het ‘oordeel niet’ zou hier voorkomen dat
dergelijke kennis boven tafel kwam, ja, zou er wellicht voor zorgen dat
een samenleving volstrekt zou desintegreren.
Verder kunnen oordelen van andere mensen bijdragen aan het
inzicht in jezelf. Dat geldt vooral voor mensen die weinig
zelfreflectie kennen en die de spiegel van de buitenwereld nodig hebben
om tot zelfkennis te komen. Zonder op hun tekortkomingen te worden
gewezen zou voor deze mensen maar een beperkte groei mogelijk zijn.
Hier helpt het oordeel van de omgeving de zelfcorrectie en is dus groei
bevorderend.
Morele oordelen kunnen een hoger plan dienen waardoor de mensheid
in zijn geheel verder kan groeien. Veroordelen van haat, afgunst,
wreedheid, onrechtvaardigheid etc. en het positief beoordelen van
liefde, opoffering, behulpzaamheid e.d. dienen alle een hoger doel. Ze
ondersteunen de evolutie van de wereld en dragen bij tot een groter
welzijn van heel de mensheid.
Neem het geval Adolf Hitler. Als iets hier ongepast zou zijn, dan
wel ons ‘oordeel niet’. Dit geval lijkt ons juist voor te houden
‘oordelen moet !’. Het enige nut van dit pathologisch geval en van deze
zwarte bladzijde in de wereldgeschiedenis is nu juist gelegen in ons
oordeel over dit kwaad. Zonder een oordeel hierover zou de mensheid
nooit de morele groei hebben gehad die we de laatste decennia hebben
gezien. De VN als instituut is voortgekomen uit dit oordeel. Misschien
ligt hier de functie van het Kwaad, dat het ons bewust maakt van het
belang van onze veroordeling ervan. Zonder het Kwade zouden wij nooit
bewust voor het Goede kunnen kiezen. Zouden we nooit het Goede positief
kunnen beoordelen.
Tot zover
heeft het er dus alle schijn van dat ‘oordeel niet’ een slecht
overdachte aansporing is, zowel op kentheoretisch als wel op ethisch
vlak, en dat wij er dus goed aan zouden doen deze aansporing als
inadequaat filosofisch onderbouwd terzijde te schuiven, ware het niet
dat ons gevoel ons influistert dat er wel degelijk iets voor te zeggen
valt. Rest ons dus te onderzoeken in hoeverre dit adagium wel een goede
leidraad voor handelen is. Hoe komt het dat zo menig religieus genie
tot deze uitspraak is gekomen? Waaraan ontleent het zijn diep gevoelde
geldigheid?
Bij
nadere beschouwing lijkt het erop alsof men eigenlijk met deze
uitspraak wil zeggen ‘veroordeel niet de diepste ziel der dingen, want
die is heilig en zuiver’ ‘Blijf altijd je respect behouden voor
alles wat komt onder jouw oordeelsvermogen.’ ‘Zie in dat je
oordeelsvermogen altijd feilbaar is en dat de ware aard der dingen je
kan ontgaan.’
De
ziel der dingen levert namelijk altijd een mogelijkheid tot herstellen
en tot bijstellen van dat wat men in eerste instantie veroordeelt. Want
de kern heeft altijd groeipotentieel. Nooit mag deze kern bij het
oordeel betrokken worden, want dan gooit men het kind met het badwater
weg: men veroordeelt dat wat kan leiden tot verbetering.
De
kern van dit probleem is dus het aloude verschil tussen de Schijn der
dingen en het Wezen der dingen. Over het vormniveau -het schijnbare
niveau in Platonische zin- kunnen wij een oordeel vellen, wellicht
omdat juist op dit niveau de onvolmaaktheid der dingen blijkt (wat a
fortiori ook geldt voor dat oordeel zelf! ), maar het Wezen der dingen
onttrekt zich aan iedere beoordeling omdat het enerzijds
voor ons denken onkenbaar is en anderzijds onze intuïtie -wat die
ook waard moge zijn- voorkomt als iets van zeer hoge kwaliteit of toch
zeker iets dat het niet waard is te veroordelen.
Dit
toegepast op de mens kunnen we stellen dat we zijn of haar daden of
ideeën kunnen beoordelen, maar dat we dit nooit de ziel van een
mens kunnen aandoen . Niet voor niets laten alle bestaande religies dit
oordeel aan God of de Goden over. Intuïtief voelen we aan dat in
de ziel van de mens iets schuil gaat dat -om wat voor reden dan ook-
zich aan beoordeling onttrekt. We willen deze kern zuiver en
onaangeraakt laten en niet met een oordeel bezoedelen. Op dit niveau is
er dus sprake van taboe en behoort het oordeel wel degelijk tot het
rijk van de Duivel. Hier staan we voor het Heilige der Heilige en boven
de ingang hangt het ‘oordeel niet’ als een non intrate bordje.