Datering
Om tot een redelijk nauwkeurige datering te komen moeten we de
speeldoos op de volgende eigenschappen onderzoeken. Naarmate een
speeldoos aan méér van deze punten voldoet, is de kans
op juiste datering groter:
- Tot ca 1818 is er geen systeem van loden slabben ( blokken of
baarden) onder de tanden van de bas en het middengebied. De
gewenste (lage) toon wordt hier bereikt door verbreding van de
tanden.
- Een systeem tot demping van delen van de bekamming wijst op
een speeldoos van na de periode 1820 / 1825.
- Tot ca 1825 zijn de cylinders hol. Hierna worden de cilinders
gevuld met een hechtmengsel van schellak, was en gemalen steen
(grit). Deze vulling biedt de pennetjes van de cylinder meer
houvast en doodt ook de resonanties.
- Sedert 1824 worden op de regulateur half-edelstenen (robijn)
toegepast. Toepassingen met glas of geharde staalplaatjes duiden
op een werk van voor 1824.
- (Beschermende) glasplaatjes worden vanaf ongeveer 1835
incidenteel in speeldozen geplaatst. Pas in de loop van de
vijftiger jaren wordt deze toepassing algemeen.
- In de periode van ca. 1840 tot 1860 worden de
bedieningsorganen, voor zover buitenstekend, beschermd door een
op- en neerklapbaar, scharnierend plankje aan de linkerkant van de
doos.
- Een hefboom met platte greep wijst meest op een werk van voor
of kort na 1850. Nadien is de hefboomgreep doorgaans rond.
- Een hendel tot onderbreking van de melodie wijst op een
speelwerk van voor 1870.
- Speeldozen van voor 1860 hebben veelal sleutelwinding. Latere
sleutels - tussen 1845 en 1860 - hebben een houten handvat,
voordien waren ze volledig van metaal.
- Voor 1855 wordt veelal de grondplaat met horizontale schroeven
tussen voor- en achterwand bevestigd, waarbij aan de buitenkant
van de kist gebolde messing onderlegringen onder de schroefkoppen
zijn aangebracht. Nadien zijn doorgaans de speelwerken met
verticale schroeven bevestigd aan houten klossen die op de
klankborden van de kist gelijmd zitten.
- Grotere maten speeldozen - van meer dan 35 cm - zijn in ieder
geval van na 1835 en waarschijnlijk van (veel) later datum.
- Titelbladen worden pas na 1830 toegepast, geleidelijk
algemener.
- De vroegste speeldozen - tot ca 1835 - zitten in een kistje
van onbewerkt (noten-)hout in naturel-kleur. Een speeldoos van
voor 1870 zit meest gevat in een bewerkte kist, die inwendig
roodachtig gekleurd is, terwijl werken van na ca 1870 meestal zijn
gehuisvest in een inwendig zwarte kist.
- (Veel) inlegwerk op de kist en vernikkelde onderdelen van het
speelwerk duiden op een (tamelijk) late doos. Is er bescheiden
inlegwerk en geen nikkel, dan kan de speeldoos nog wel van de
periode 1840-1880 zijn. De andere gevallen moeten worden gedateerd
na 1885.
- Een messing grondplaat wijst op een maaksel van voor omstreeks
1880. Een gietijzeren grondplaat komt echter al voor in
speelwerken van ca 1837. Bij latere dozen heeft de grondplaat soms
een nikkelcoating.
- Tot ca. 1875 zijn in het algemeen slechts messing cylinders
toegepast. Een positie van de cylinder, geheel boven de grondplaat
(en ook relatief hoog ten opzichte van de kam) duidt meest op een
werk van rond 1812.
Veelal zijn op speeldozen melodieën verwerkt, die in het land
van de maker en/of het land van de koper of besteller van de doos
populair waren door een bepaalde opvoering. Een goed boek betreffende
de historie van de opera en de amusementsmuziek kan niet alleen
helpen bij het dateren van speeldozen, maar ook bij het achterhalen
van de titel van de melodieën wanneer een titelblad
ontbreekt.
Sommige speeldozen hebben een titelblad of zijn op de een of
andere manier gesigneerd, bijvoorbeeld op de kam. Ook deze kunnen
extra aanknopingspunten geven bij het dateren van een speeldoos.
Venster sluiten