Jacob Ravesteyn
en het huwelijk van Graaf St. Maur
[this article is also available in English ]

Op 14 juni 1844 wordt in het Utrechtse dorp Harmelen Jacob Ravestein geboren, als zoon van de 19-jarige ongehuwde Annigje Ravestein . Al op jonge leeftijd verlaat Jacob Nederland, om er nog slechts als bezoeker zo nu en dan terug te keren. In veel gevallen belanden navorsers van familiegeschiedenis bij het onderzoek naar landverhuizers en avonturiers op een dood spoor. Voor het onderzoek naar Jacob Ravestein geldt het tegenovergestelde: er is geen 19e eeuws lid van de familie Ravestein waarover zoveel bekend is.

Op 25 november 1924 verschijnt in het Utrechtsch Nieuwsblad een advertentie die geplaatst is door het Londense advocatenkantoor Church Rackham & Co. Een beloning van liefst 50 Pond wordt uitgeloofd voor ‘getuigen of inlichtingen omtrent het huwelijk van een Engelsche dame genaamd ROSINA (of Rosa) ELISABETH SWAN’. Reden om te adverteren in een Utrechtse krant is dat ‘een der getuigen vermoedelijk is een man genaamd RAVESTEYN’. Onmiddellijk heeft de familie Ravestein in Groenekan door dat in de advertentie neef Jacob Ravestein (die zelf altijd Raveste y n schreef) bedoeld wordt. Nog dezelfde dag laat Dirk Ravestein sr. een van zijn zonen een brief naar Londen schrijven. Gedurende een jaar wordt er gecorrespondeerd tussen Londen en Groenekan. In de brieven wordt vooral informatie uitgewisseld over Jacob Ravestein, niet over het huwelijk van mevrouw Swan. Voor de Londense advocaten is het dan ook een weinig vruchtbare briefwisseling geweest. Vanuit Nederlands perspectief biedt de grotendeels bewaard gebleven correspondentie nu echter een schat aan informatie.

‘Na eenige ambachten gehad te hebben, kwam hij [Jacob Ravestein] als kelner in een hotel aan de boompjes te Rotterdam. Daar ontmoette hij een zekere Engelschman, welke zeer rijk was, in dienst  van deze is hij toen medegegaan en na verschillende landen bezocht te hebben is hij door deze heer in een hotel gezet te Torquay’. Dirk Ravestein geeft zo in de tweede brief een beknopte samenvatting van de levensloop van neef Jacob. 

Graaf St. Maur
De zeer rijke Engelsman is Edward Adolphus Ferdinand Seymour, Graaf St. Maur, ook wel Ferdy genoemd. Hij is de oudste zoon van de 12e Hertog van Somerset, een vooraanstaand edelman die onder andere de functie van ‘First Lord of the Admiralty’ bekleedt. Volgens het Britse recht wordt de titel geërfd door de oudste zoon en krijgt hij ook het grootste deel van de bezittingen. Het probleem met 'Ferdy' is dat hij niet erg de behoefte heeft om in de voetsporen van zijn vader te treden. Hij leidt een nogal avontuurlijk bestaan, dat uitvoerig is beschreven in Sir John Colville's boek Strange inheritance (1), over Ferdy's dochter Ruth St. Maur. In 1857-58 dient Ferdinand St. Maur in het Britse leger in Brits Indië en vervolgens sluit hij zich onder de valse naam Capt. Richard Sarsfield aan bij het leger van Garibaldi in Italië, het 'Esercito Meridionale' (het Zuidelijke Leger). Terug in Engeland krijgt hij in 1866 een verhouding met een 17-jarig dienstmeisje, Rosina Swan, die half zigeuner is. Omdat hij vanwege haar afkomst onmogelijk met haar kan trouwen, besluit hij met haar op reis te gaan. Nadat  hun dochter Ruth geboren was in een door de graaf gebouwd huisje met uitzicht op de Middellandse Zee in Tanger, keert het paar in 1868 terug naar Engeland. In het voorjaar van 1869 wordt in of nabij Brighton ook een zoon wordt geboren, Richard Harold, die meestal Harold genoemd wordt. Rond die tijd pas licht Ferdinand St. Maur zijn familie in over de situatie. Later dat jaar, op 30 september, komt hij te overlijden ten gevolge van een met spoed uitgevoerde tracheotomie (insnijding van de luchtpijp) die verkeerd afliep - bij slechte verlichting uitgevoerd in zijn flat in Mayfair, Londen. Zijn gezondheidstoestand was vermoedelijk verslechterd ten gevolge van tijdens zijn avonturen opgelopen kwalen.

Hoewel uit de correspondentie met de Londense advocaten niet blijkt wie op zoek is naar bewijzen voor een huwelijk tussen Graaf St. Maur en Rosina Swan, kan uit andere bronnen worden afgeleid dat het zoon Harold is. Zijn belang is duidelijk: het bewijs van een wettig huwelijk tussen zijn ouders maakt hem tot erfgenaam van zijn grootvader, de Hertog van Somerset. Sir John Colville schrijft in zijn boek dat Harold 'vergeefse pogingen deed zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat Ferdy en Rosina in het geheim ergens in Devonshire getrouwd waren' (2). Een van de geruchten is dat het huwelijk voltrokken zou zijn Easton-in-Gardano, bij Bristol. In het standaardwerk over de Britse adel The Complete Peerage (3) is te lezen dat Major Richard Harold St. Maur in februari 1925 een petitie richt aan het Britse Hogerhuis waarin hij verzoekt zijn aanspraak op de titel te erkennen. In The Times van 26 maart 1925 (4) is te lezen dat het bewijs voor het huwelijk echter nog altijd niet is gevonden. In een rechtszaak waarin twee andere verre familieleden de titel opeisen, meldt een advocaat namens Harold dat hij 'goede hoop heeft uiteindelijk te kunnen bewijzen dat zijn vader en moeder voor de wet gehuwd waren voor zijn geboorte.' De advocaat in kwestie is afkomstig van Church, Rackham and Co., het kantoor dat een half jaar eerder de advertentie in het Utrechtsch Nieuwsblad plaatste. Het bewijs is overigens nooit gevonden; tot op de dag van vandaag vererft de titel Hertog van Somerset langs een andere lijn in de familie. Harold overleed in 1927.

Jacob Ravestein ontmoet Graaf St. Maur waarschijnlijk in 1866 in Rotterdam, als de jonge graaf met zijn geliefde op weg is naar Duitsland. Jacob heeft zich daar op 23 januari van dat jaar gevestigd, afkomstig uit Utrecht. In Utrecht woonde hij sinds 25 juli 1863, daarvoor in Woerden. De ontmoeting tussen de 31-jarige Graaf St. Maur en de 22-jarige Jacob vindt plaats in een hotel aan de Rotterdamse Boompjes, waar Jacob als kelner werkt; vermoedelijk betreft het hier het vermaarde New Bath Hotel (5). Het moet ook daar zijn dat St. Maur besluit hem in dienst te nemen. De reis door ‘verschillende landen’ die neef Dirk beschrijft voert naar Tanger. Hoe deze reis verliep is moeilijk te reconstrueren. Volgens Colville reisden ze eerst naar Duitsland en vervolgens per trein door Europa, om via Spanje en Gibraltar uiteindelijk in Tanger te belanden. De nagelaten brieven van St. Maur wijzen uit dat hij op zaterdag 3 november 1866 in San Sebastian aankwam, nadat hij de donderdag ervoor uit Londen vertrokken was en de boot had genomen. Voor die datum zijn uit 1866 echter geen brieven bewaard gebleven. Van San Sebastian gaat de reis verder naar Burgos, Madrid, Cordoba, Cadiz, Gibraltar en ten slotte naar Tanger. Het paar vestigt zich daar en laat in het voorjaar van 1867 een huis bouwen. Over het personeel komen we uit de brieven verder weinig te weten. Wel is duidelijk dat als Jacob inderdaad ook in Tanger voor de graaf werkte, hij verschillende collega's had. Op 1 maart 1867 schrijft Ferdy St. Maur  'Mijn kok is ziek geworden en is nog afwezig en mijn beide andere bedienden zijn stalknechten, hoewel het koken iets beter is geworden.' Op 5 juli 1867 schrijft hij dat er 'twee Duitsers voor hem werken'. Ook neemt hij een Moorse jongen in dienst, later bekend als Mohamed U'led Slimane. Na zijn naturalisatie tot Brits burger en na Rooms-Katholiek te zijn gedoopt en getrouwd stond hij bekend als William Weld Silmon. Als Graaf St. Maur en Rosina Swan met hun baby Ruth in februari 1868 naar Engeland terugkeren met het P&O stoomschip Aurora, gaat de jongen met ze mee. In Engeland kan Mohamed rekenen op steun van de familie Seymour. Na de dood van St. Maur bezorgden ze hem werk via familie en vrienden. Ook ontving hij levenslang een toelage. Ten behoeve van zijn naturalisatie schrijft de Hertogin van Somerset in 1877 een aanbevelingsbrief, waarin ze zegt hem te kennen sinds hij 'een jongen was in dienst van haar zoon Graaf St. Maur' (6). Leonora, de ernstig kreupele dochter van Mohamed's echtgenote Sarah Monaghan Serrano, uit haar vorige huwelijk met de Italiaanse kapitein Carlo Antonio Pasola, woont zelfs enige tijd bij de familie Seymour op Bulstrode en krijgt medische verzorging.

Vermoedelijk reist ook Jacob met het gezelschap mee naar Engeland. Wellicht kon ook hij rekenen op de goede zorgen en financiële steun van de familie. Het is zeer waarschijnlijk dat Mohamed en Jacob elkaar gekend hebben. Enige tijd later vestigt Jacob zich in Torquay, een badplaats in Zuid-West-Engeland. Dirk Ravestein schrijft dat Jacob ‘door deze heer [Graaf St. Maur] in een hotel [is] gezet te Torquay’. Omdat St. Maur al in 1869 overlijdt, zou dat betekenen dat Jacob vrijwel direct na aankomst in 1868 in het hotel is gaan werken. Gegevens uit verschillende officiële documenten wijzen echter in een andere richting. 

Jacob in Engeland
De vroegste bewijzen van Jacob's verblijf in Engeland dateren van 1871 en vanaf dat moment kunnen zijn gangen redelijk nauwkeurig worden nagegaan. Of Jacob ooit bewust heeft besloten in Engeland te blijven is niet duidelijk, wel heeft hij zich laten naturaliseren, wat overigens niet noodzakelijk was. In de Engelse volkstellingen van 1891 en 1901 (7) staat Jacob vermeld als een 'genaturaliseerde Britse onderdaan' is. Bij de volkstelling van 1871 is hij dat nog niet en woont en werkt als 'footman' (lakei of geüniformeerde huisbediende) bij de familie van Unwin Heathcote aan 10, Hesketh Crescent in Torquay. De badplaats Torquay heeft een aangenaam klimaat en is de decennia daarvoor tot ontwikkeling gekomen. Vooral in de winter trekt de plaats veel leden van vooraanstaande families, zodat er ook behoefte is aan huispersoneel. Aangenomen mag worden dat bij het aannemen van huispersoneel aanbevelingen van eerdere werkgevers een rol speelden. Wellicht kenden de Seymours de familie Heathcote, aanwijzingen daarvoor ontbreken echter. Een relatie die de familie Seymour met de streek had was het huis Stover Lodge, een kilometer of vijftien ten noordwesten van Torquay. Het oude familiekasteel Berry Pomeroy, een ruïne, lag een kilometer of tien naar het zuidwesten.

Op 10 augustus 1876 trouwt Jacob in de Congregational Church in Dawlish in het district Newton Abbott met de 26-jarige Jane Risdon. Voor beiden staat in de huwelijksakte als adres Villa Ditton in Torquay vermeld, waar zij kennelijk dus voor hun huwelijk al woonden. Als zijn beroep staat butler vermeld, naar aangenomen mag worden in de betreffende villa, gelegen aan Lower Warberry Road. Mogelijk was hij in dienst van H.P. Ree, die in ieder geval eind 1876 in Villa Ditton woonde. Van Jane staat in de trouwakte geen beroep vermeld, maar vermoedelijk werkte ook zij er in de huishouding. In ieder geval woont ze ver van haar ouderlijk huis, ruim 60 kilometer naar het noordwesten in de buurt van Black Torrington. Vader Joseph Risdon staat in de volkstelling van 1851 vermeld als boer met 150 acres land en drie man personeel. Opmerkelijk in de trouwakte is verder dat als Jacob's overleden vader William Ravesteyn vermeld staat, die bovendien van beroep klompenmaker (clogmaker) zou zijn geweest. Jacob's stiefvader, Marinus Cornelis Lam, was van beroep klompenmaker, maar overleed pas in 1882 en was ten tijde van het huwelijk dus nog in leven. Probeerde Jacob hiermee zijn buitenechtelijke geboorte te verdoezelen? Kende hij de naam van zijn natuurlijke vader en is de voornaam William een verwijzing naar diens identiteit? 

We mogen aannemen dat Jacob en Jane elkaar als collega's in Villa Ditton hebben leren kennen. De aanleiding voor het huwelijk is duidelijk: binnen vier maanden wordt hun zoon William Andrew geboren, kennelijk vernoemd naar zijn officieel onbekende grootvader van vaderskant. William wordt geboren in Halwill, in de streek waar Jane geboren werd. Omdat dit ook als woonplaats van de moeder in de akte is vermeld, kan het goed zijn dat het paar tijdelijk bij haar ouders verbleef. Tussen het huwelijk in 1876 en 1880 woonde het gezin op 78, Union Street, waar Jacob verschillende activiteiten combineerde. In ieder geval kon men er overnachten en eten. Jacob staat vermeld als Lodging House Keeper of, zoals in de geboorteakte van de tweede zoon Herman Jacob, als Commercial Boarding House Keeper. Volgens een adresboek uit 1878 (8) zijn er op het adres ook eetzalen en een restaurant en is er tabak te koop. In de zomer van 1880 neemt Jacob het Union Hotel over, iets verderop in Union Street, op nummer 70-71. Tot dan toe staat het bekend als Mogridge's Union Hotel of Mogridge's Union Commercial Hotel. In juli 1880 wordt Jacob in de geboorteakte van dochter Emily opgenomen als ‘Licensed Victualler’ (leverancier van levensmiddelen). Als adres staat dan vermeld ‘Commercial Hotel Torquay’. Omdat de geboorte ongeveer samenvalt met de overname van het hotel is onduidelijk of hiermee het oude of het nieuwe adres wordt bedoeld.

Union Hotel Torquay
Het Union Hotel werd gebouwd in 1831, op de plaats waar een oude watermolen was gesloopt, de Fleete Mill. Een molensteen uit deze molen zou jarenlang in de bar van het hotel te zien zijn (9). De eerste eigenaar was John Mogridge. (10) Jarenlang was het hotel een belangrijk centrum voor vermaak in Torquay. De achter het hotel gelegen Union Hall werd eind jaren veertig door theaterdirecteur Doel als klein theater ingericht. Tot 1852 was deze zaal naast de balzaal van het Royal Hotel de enige publieke ruimte in de stad, waar ook vergaderingen van de gemeenteraad en veilingen plaatsvonden (11). Als hotel was het vooral geliefd bij handelsreizigers. De voorname bezoekers van Torquay verbleven in de grote en luxere hotels, zoals The Imperial. Niettemin kozen sommigen voor het Union Hotel. In 1856 verbleef politicus en schrijver Sir Edward Bulwer-Lytton enige tijd in het hotel. (12)
Een kaartje van het hotel uit de jaren negentig vermeldt als naam: The Union Commercial and Family Hotel. Het kaartje prijst het hotel aan als het meest centrale in Torquay, voorzien van ruime koffiekamers en een goede biljartkamer. Op het kaartje staat J. Ravesteyn vermeld als 'Proprietor' (eigenaar) en is te lezen dat extra kamers aan het hotel zijn toegevoegd. Dat gebeurde in 1889, toen het hotel 'aanzienlijk werd uitgebreid' (13). Uit de volkstellingen van 1881 en 1891 blijkt dat er respectievelijk zes en acht inwonende personeelsleden waren: barmeisjes, werksters, een kruier en een kok, maar ook een billiard marker, die kennelijk de biljartkamer beheerde. In december 1897 verliet Ravesteyn het hotel en werd de dagelijkse leiding voor enige tijd overgenomen door Mr. en Mrs. Gilley (14). Al in augustus 1898 zijn zij opgevolgd door Mr. W.R. Harding en na hem nemen James en Rosina Sweet de leiding over, in ieder geval tussen 1901 en 1911. In 1939 wordt het hotel beheerd door Carr & Quick Ltd. De snelle wisselingen doen vermoeden dat Jacob Ravesteyn het hotel aan deze nieuwe uitbaters niet heeft verkocht maar heeft verpacht. Dat dat klopt blijkt uit een advertentie uit 1946 (15), waarin de veiling van het hotel wordt aangekondigd. Het is Jacob's oudste zoon William Andrew die het hotel dan te koop aanbiedt. Het hotel is dus al die jaren familiebezit gebleven. Het hotel heeft dan drie bars, een lounge, een eetzaal, twee zitkamers, 30 slaapkamers, twee badkamers en een kelder en bergruimtes. Ook beschikt het over parkeerplaatsen voor 15 auto's. In 1954 wordt het hotel door Herbert Clifford opnieuw verkocht (16), aan Arthur Henry Mogford. In februari 1963 eindigt na 132 jaar de geschiedenis van het hotel. Het wordt gesloopt en op de plaats van het hotel wordt een winkelpand gebouwd.

Het gezin Ravesteyn
Op 17 december 1881 overleed Jacob's echtgenote Jane. Een jaar later hertrouwde hij in Camden Town, Pancras, Middlesex met Sarah Ann Thomas, geboren in Dartmouth Devon. In deze huwelijksakte staat als de naam van zijn vader 'James Ravesteyn' vermeld, die 'Captain in of Batavian Regiment' zou zijn.
Blijkens de briefwisseling onderhoudt Jacob ook na zijn tweede huwelijk nog contacten met zijn Nederlandse familie. 'Jacob Ravestein is meermalen met zijn vrouw in Holland geweest, meestal bleef zijn vrouw in Den Haag, terwijl hijzelf de familie bezocht, ook is hij met zijn tweede vrouw weleens in Bussum geweest', schrijft Dirk Ravestein daarover. Er is ook een aan Nederlandse familie gestuurde foto bewaard gebleven waarop Jacob als adres ‘Castle Mount’ heeft geschreven . Het is de naam van een huis aan Castle Road, niet ver van het hotel. Tegenwoordig draagt het de naam Highbury House. Volgens Margareth Tapping, die het huis vanaf 1968 tot omstreeks 2000 bewoonde, was het van oorsprong een Victoriaanse villa met drie of vier slaapkamers, gebouwd omstreeks 1870. Ten tijde van de volkstelling van 1891 woont een gepensioneerd echtpaar Thomas in het huis, de ouders van Jacob's tweede vrouw. Tot eind jaren tachtig van de 20e eeuw doet ook Castle Mount, zoals talloze huizen in Torquay, dienst als hotel. Mogelijk woonden Jacob Ravestein en zijn vrouw er enige tijd in bij haar moeder, wellicht tussen het vertrek uit het Union Hotel in 1897 en 1899.
Dochter Emily overlijdt in 1899 op 19-jarige leeftijd, volgens haar overlijdensakte ten gevolge van lichamelijke uitputting. Het adres van het gezin is dan Marlborough House, 4, The Birklands in Torquay, tegenwoordig 519 Babbacombe Road (17). Ten tijde van de Engelse volkstelling van 1901 wonen Jacob en zijn tweede echtgenote in een pension genaamd Tralee aan St. Michaels Road in Bournemouth, met een zekere William Mattock als 'boarding house keeper'. Jacob staat ook hier te boek als 'gepensioneerd hotelhouder'. Omdat de foto waarop Jacob als adres Castle Mount schreef gemaakt is in Bournemouth,  is het ook mogelijk dat het echtpaar Ravesteyn delen van het jaar bij moeder Thomas in dit huis in Torquay doorbracht.

In de brieven van Dirk Ravestein is te lezen dat één van beide zonen omkomt in de Zuid-Afrikaanse Boerenoorlog en dat ook de andere zoon jong zou zijn overleden. Op de begraafplaats in Torquay is op de grafsteen van zijn moeder te lezen dat Herman Jacob op 9 augustus 1906 in Cradock, Zuid-Afrika overleed, enkele jaren na het einde van de Boerenoorlog. Zijn graf bevindt zich op de Municipal Cemetery aan de Deary Road in Cradock, Zuid-Afrika. Herman Jacob woonde in 1901 wellicht nog in London. De volkstelling meldt een 24 jaar oude Harry Ravesteyn, geboren in Ashburton Devon, niet ver van Torquay, wonend in St. James, Westminster. Herman was in 1901 weliswaar pas 22, maar volkstellingsgegevens zijn niet altijd correct. 

Jacob Ravesteyn overleed in Bournemouth, op 28 maart 1910. Hij woonde toen nog altijd aan St. Michaels Road, maar staat ook Beechwood in de akte vermeld, zodat onduidelijk is of hij nog in pension Tralee woonde. Jacob werd begraven op Wimborne Road Cemetery in Bournemouth. Anders dan de brieven beweren, overleeft de oudste zoon William Andrew (ook wel Bill) zijn vader. Volgens de volkstellingsgegevens van 1901 woonde hij bij zijn oom Joseph Risdon in Exeter. Net als zijn broer diende hij rond die tijd enkele jaren in Zuid-Afrika, maar keerde levend en voorzien van medailles terug. Twee jaar na de dood van zijn broer emigreerde hij in 1908 naar Canada, waar hij nog ruim tien jaar paramedische functies vervulde in het Canadese leger, o.a. als 'medisch sergeant' en instructeur eerste hulp. Op het aanmeldingsfomulier dat hij in 1918 voor de Canadian Overseas Expeditionary Force invulde verklaarde hij geen familie meer te hebben (18), hoewel zijn stiefmoeder toen nog leefde. Hij trouwde enkele jaren na de oorlog, in 1922 en kreeg tenminste één dochter. Na zijn militaire carrière werkte Bill voor Jeffrey Drug Store in Calagary en voor de Alberta National Drug Company. Daarnaast deed hij meer dan vijftig jaar vrijwilligerswerk voor St. John Ambulance. Hij overleed in 1953, zijn echtgenote in 1956 (19).  

De hand van de St. Maurs?
Blijft de vraag hoe Jacob van kelner tot eigenaar van een hotel uitgroeide. De lezing van Dirk Ravestein is dat hij door Graaf St. Maur 'in een hotel is gezet', waarbij onduidelijk blijft wat dit precies betekent. Binnen de familie St. Maur doet een iets ander verhaal de ronde, dat opgetekend is in Brian Masters' in 1975 verschenen boek 'The Dukes' (20). Lord Henry Thynne, gehuwd met een zuster van St. Maur, zou aan Jacob zwijggeld hebben betaald. Hij plaatst de affaire tegen de achtergrond van Harold St. Maur's zoektocht naar bewijzen voor het huwelijk van zijn ouders. 'Harold St. Maur werd ouder en begon zich vragen te stellen over zijn ouders. Zou het kunnen dat zij getrouwd waren? Hij besteedde een groot deel van zijn vermogen en veel tijd aan pogingen om een trouwcertificaat te achterhalen. Jaren gingen voorbij zonder succes, tot op een dag een man verscheen die beweerde dat Graaf St. Maur en Rosa Swann getrouwd waren en dat hij bovendien getuige was bij dit huwelijk. Henry Thynne was gealarmeerd. Het was niet in zijn belang dat Harold St. Maur de rechtmatige Hertog van Somerset zou blijken te zijn. De mysterieuze heer werd weggemoffeld en opende later dat jaar een winkel in Torquay met geld dat hij niet had; het was allemaal zeer verdacht. Het gerucht deed de ronde dat Thynne er voor had gezorgd dat de huwelijksakte werd vernietigd.' Hoewel de naam in Masters' boek niet genoemd wordt is duidelijk dat de 'mysterieuze heer' niemand anders dan Jacob Ravestein kan zijn. Hoewel het verhaal een kern van waarheid kan hebben zijn in ieder geval de data die Masters daarbij noemt aantoonbaar onjuist. Toen Jacob in 1876 een winkel en/of pension in Torquay begon, was Harold St. Maur pas zeven jaar oud.

Maar er is nog een heel andere verklaring mogelijk, die verband houdt met Jacob's eerste huwelijk met Jane Risdon. In de volkstelling van Torquay van 1891 zijn twee hotelhouders met de naam Risdon te vinden. Joseph Risdon is 'Inn Keeper' van het Exeter Hotel aan Union Street, de straat waar ook het Union and Commercial Hotel is gevestigd. Hij is een broer van Jacob's eerste vrouw en woonde ook enige tijd bij zijn zuster in het Union Hotel, waar hij wellicht het vak leerde. Een jongere zus, Ann Risdon, is in 1891 'Hotel Keeper' van de Hesketh Arms aan Meadfoot Lane. Daar woont bovendien haar zuster Charlotte Risdon. Wellicht heeft dus niet de familie St. Maur, maar de familie Risdon Jacob op weg geholpen.

Waarschijnlijk heeft Jacob Ravestein zelf nooit heeft geweten dat hij in de belangrijke erfeniskwestie een rol had kunnen spelen. Ten tijde van de briefwisseling was hij immers al ruim tien jaar dood. Zijn tweede vrouw is in 1924 nog wel in leven. Het Londense advocatenkantoor staat dan ook met haar in contact. Maar ook zij weet het onderzoek niet verder te brengen. In één van de brieven aan Dirk Ravestein schrijven de advocaten: ‘Mr. Ravestein [...] repeatedly stated to his second wife (who is still living) that he was present at the marriage. Mrs. Ravestein cannot remember where it took place.’ En dat is maar goed ook; had zij wel bruikbare informatie kunnen verschaffen, dan was de advertentie in het Utrechtsch Nieuwsblad nooit verschenen.

E.M. Habben Jansen

Noten

1. John Colville, Strange Inheritance , Salisbury (Michael Russell) 1983. Meer informatie over het leven van Ferdy is te vinden in zijn gepubliceerde brieven: Letters of Lord St. Maur and Lord Edward St. Maur 1846 to 1869, London (Printed for private circulation) 1888. Ook het overlijden van Ferdy is uitvoerig beschreven: Charles J.B. Williams, M.D. F.R.S, Authentic Narrative of the case of the late Earl St. Maur , London (Longmans, Green, and Co) 1870.
2. John Colville, Strange Inheritance, p. 88.
3. Geoffrey H. White (ed.), The Complete Peerage or a history of the house of Lords and all its members from the earliest times , Vol. XII, part I - Skelmersdale to Towton, London (The St. Catherine Press) 1953, p. 87 .
4. 'House of Lords. Committee for privileges. The Dukedom of Somerset', in: The Times, 26 maart 1925 .
5. In het boek Dwalen over de Boompjes en omgeving van Herman Romer (Rotterdam 2001) wordt melding gemaakt van meerdere hotels die in de 19e eeuw aan de Boompjes gevestigd waren. Het New Bath Hotel en het Grand Hôtel des Pays-Bas waren daarvan volgens de schrijver duidelijk de meest gerenommeerde. 'Daar logeerden regelmatig hoogwaardigheidsbekleders, onder wie vorstelijke personen', aldus Romer. Pays-Bas sloot zijn deuren definitief in 1858. Het hotel waar Graaf St. Maur verbleef en waar Jacob werkte was daarom vermoedelijk het New Bath Hotel. Het officiële Rotterdamse adresboek uit die tijd (Naamlijst volgens de wijken der stad Rotterdam 1866-67 ) lijkt dit vermoeden te bevestigen: daarin is maar één hotel aan de Boompjes vermeld, het New Bath Hotel op adres Boompjes 57.
6. Naturalisatiepapieren: Public Record Office, HO45/9443/67001. John Colville schrijft over de jongen 'He also brought to England a Moorish boy, whom he continued to employ as a servant in England'. Deze en andere gegevens zijn beschikbaar gesteld door J.A.A. Silmon-Monerri, een kleinzoon van Mohamed. Hij schreef een in 2010 uitgegeven boek over St. Maur: 'The Secret Life of the Earl St. Maur'.
7. In de volkstellingsgegevens van 1901 is Jacob te vinden als Jacob Raresteyn. De gegevens zijn te vinden op internet .
8. William White, History, gazetteer and directory of the county of Devon, Sheffield/London 1878-9, p. 814.
9. Mike Holgate, Images of England: Torquay, pocket edition 2005, p. 14.
10. 
Arthur Charles Ellis, An historical survey of Torquay, from the earliest times, as illustrated by finds in Kent's Cavern, down to the present time, Torquay z.jr (ca. 1930), p. 316-317. De voornaam van Mogridge (John) is te vinden in de voornoemde publicatie van White.
11. Ibidem en William Winget, 'Reminiscences of an octogenarian. Early scenes, happenings, and amusements. A boyish recollection of Tor Abbey', in: Torquay Directory and South Devon Journal, 14 feb 1923.
Zie ook: John R. Pike, Torbay's heritage: Torquay, Torquay 1994, p. 44.
12. Arthur Charles Ellis, An historical survey of Torquay, p. 317.
13. Ibidem.
14. Torquay Directory, 1897.
15. Torquay Times, 5 jul 1946.
16. Torquay Times, 20 aug 1954.
17. In de overlijdensakte staat als adres vermeld '4, The Birklands'. Volgens het register van de begraafplaats is Emily overleden in 'Marlborough House'. Volgens een register met huisnamen bijgehouden door het Local Studies Centre in Torquay is het huis 2, The Birklands later 523 Babbacombe Road geworden. In The Torquay Directory, bijvoorbeeld van 29 dec 1897, staat Marlborough House vermeld onder het adres 4, The Birklands, gelegen aan Babbacombe Road. Uit deze combinatie van gegevens kan worden afgeleid dat het huidige adres 519 Babbacombe Road is. Het is het rechter huis van een blok van vier woningen, kennelijk ooit bekend onder de naam The Birklands.
18. Dit aanmeldingsformulier kan online geraadpleegd worden via de Library and Archives Canada.
19. Een korte biografische schets van William Andrew Ravesteyn is te vinden in:  Lavonne Browarny, A friend in need. St. John Ambulance in Calgary, Calgary 1975, p.  57-59.

 20. Brian Masters, The Dukes. The Origins, Ennoblement and History of Twenty-six Families, London (Pimlico) 2001 (herziene druk, 1e uitgave 1975).





















_____________________________
Reacties

[Naar genealogie Ravestein ] [Terug naar homepage ] [Index Jacob Ravesteyn ]