Familiekroniek Lekkerkerker
In 1924 geschreven door Teunis Lekkerkerker (1843-1930)


Meermalen is mij vroeger gevraagd van waar het toch zou komen dat
sommigen van de Fam. Lekkerkerker zo zeer afweken van het Hollandsche ras, soms zoo in en diep zwart van haar, eenigszins sluik en in vorm van gezicht anders dan en verschillende van de andere leden van dezelfe Fam., Ik vraagde mijnen Vader er al na in mijn jonge jaren, doch Vader wist er geen voldoende antwoord op te geven, evenwel het feit bestaat dat moest mijn Vader zelf toestemmen, immers mijn Vader Teunis Lekkerkerker was niet alleen diep zwart van Haar en Baard eenigszins sluikachtig, doch was dadelijk te herkennen aan zijn groot en breed voorhoofd en het meer puntig zijn van neus en puntig afloopende gezichtsvorm en een zeer lichte olijfkleur, mijn Vader had nog twee broers die dezelde type te zien gaven, dat weet ik alles zoo goed omdat ik hen zoo lang gekend heb. Volgens Vader waren er al in zijn tijd die beweerden dat de gelaatsvorm en de kleur van Haar overeenkwamen met het Spaansche Type, terwijl anderen beweerden dat het overeenkwam met het Alpinische Ras, mijn Vader kon op dit alles geen voldoende antwoord geven, wel had hij vroeger wel eens gehoord dat de Lekkerkerkers van lang vervlogen tijden in Holland waren gekomen , en wel ten Tijde van Prins Maurits en Frederik Hendrik of nog eerder, en dat zij van het Zuiden van Frankrijk afkomstig waren, en dat zij ook in 's lands dienst ook onder genoemde stadhouders hadden mee gestreden, en om alle naspeuringen te ontgaan hun geslachtsnaam in dezelfde betekenis in het Hollandsch hadden overgebracht, eene zaak die in die onrustige tijden veel voorkwam, dat was ook het gevoelen van de onderwijzer waar mijn Vader ter school ging, zeer goed weet ik nog dat ik als jongen speelde met een degen (afkomstig van genoemde voorvaderen) daar mijn Vader deze degen steeds had bewaard als een gedenkstuk uit die lang vervlogen tijden; beziet men de zaak van die kant, dan is de zaak gemakkelijker op te lossen, en zit de bewegelijkheid ons allen in het bloed als aangeboren, ongeveer in die zelfde tijd was er nog een andere Familie welke veel van zich liet spreken nl. de Heeren van Amoureux, deze stam schijnt met onze Familie verwant te zijn geweest, alleen schijnen zij hunnen naam steeds in het Fransch te hebben behouden tot ongeveer 1800 of 1810, en zouden toen hun naam in het Hollandsch hebben overgebracht en hadden er De Liefde, van gemaakt; hierover later meer. Deze Familie had zich toen gevestigd te De Bild bij Utrecht, deze Familie was zeer bemiddeld, later met het herroepen van het Edict van Nantes in 1685 zouden zich als vluchtelingen uit Frankrijk vele anderen bij hen hebben gevoegd, het is zeer waarschijnlijk dat zij verwant waren met de Fam. Lekkerkerker, immers bij het overlijden van een der Familie Amoureux welke ongehuwd of kinderloos was, werd mijn vader bij Testament 14 à 15 morgen land (ruim 12 bunder) toebedeeld, dit was volgens Vader een volle Neef van hem.

Nu zullen wij na dit voorafgaande meer zakelijk over de Famielje Lekkerkerker spreken, tenzij ik nog even wil bemerken dat het voorafgaande mij moeilijk viel neer te schrijven, omdat ik geen zekerheid had of dit alles alzoo is geschied. Vader heeft mij naar zijn beste weten mij dat wel alzoo meegedeeld en dat er dienaangaande aanwijzingen en Familiepapieren en ook kostbare antiekiteiten en kostbaarheden waren welke hij meermalen gezien had, maar toen eindelijk Grootmoeder was overleden was er niets te vinden en dat het hem voorkwam dat er wel waren die er belang bij hadden dat er geen papieren bestonden.

Mijn overgrootvader heette Gerrit Antonius Lekkerkerker, was vermoedelijk geboren in 1740, is waarschijnlijk gehuwd geweest met een Amoureux; Hij had drie kinderen (jongens), van meisjes heb ik nooit gehoord, de oudste heette Cornelis, de tweede heette Adriaan of Arie, de derde heette Antonis of Teunis. De oudste, Cornelis is geboren tusschen de jaren 1760 en 1770, hij was gehuwd, ongeveer 1786 met Adriana de Hoop, haar Vader woonde in het Overleksche, een zeer achtenswaardige famielje welke leefde van Landbouw en Veeteelt, ofschoon er verscheidene in Rotterdam woonden en burgelijke betrekkingen bekleedden, Zijn Toenaam, namelijk van Grootvader was Zwarte Cornelis, en woonde op het Oude Hof te Benschop nabij het dorp van die naam. Van de Fam. de Hoop is niet veel bekend, zij leefden zeer geisoleerd en afgesloten zooals dat wel meer in Familiën voorkomt. Genoemde Grootvader Cornelis werden vijf zonen en drie dochters geboren, de oudste heette Gerardus, de tweede Gerrit (Vader) en de derde Johannes, de vierde Adrianus, de vijfde Pieter, de namen van de dochters zijn mij niet bekent, de oudste dochter was gehuwd met Arie Slingerland, de tweede met een neef, ook Lekkerkerker, deze is overleden, zij is later hertrouwd met Jan van Baren, zij woonden te de Vlist, gemeente Polsbroek. waar ook Arie Slingerland woonde, de derde is gehuwd met Arie Dekker, deze woonde te Stolwijk. Grootvader is niet oud geworden, hij stierf op 50 jarige leeftijd aan een keelaandoening, Grootmoeder Lekkerkerker overleed op 86 jarige leeftijd, met haar laatste levensjaren was zij niet zoo helder van hoofd en het is daaraan toe te schrijven dat vele papieren en andere zaken zijn verloren gegaan (volgens Vader) Zij liet aan haar kinderen 180 morgen land na. Oom Gerrit is 88 jaren geworden, en is twee maal gehuwd geweest, Oom Johannes is meen ik ruim 60 jaren geworden, en Pieter woonde te Gouderak en is ook niet zeer oud geworden, de vier eerst genoemde zonen woonden allen te Benschop. Mijn Vader Teunis Lekkerkerker is geboren te Benschop den 18den junij 1815, hij is gehuwd in het jaar 1835 (naar ik meen) met Jannetje Hoogendoorn, dochter van Pontio Hoogendoorn en Klazina Lubbers. De Famielje Lubbers waren Duitsers, een zeer deftige en Godgevreesde Famielje. Onze (over) grootvader Theodorus Lubbers moet ongeveer 1740 zijn geboren meer dieper in Duitschland, is later naar het Oldenburgsche vertrokken en wel nabij Embden, Oost Friesland, hij heeft verscheidene kinderen nagelaten, de naam zijner, echtgenote is mij niet bekend. Een zijner kinderen heette Willem Thomas Lubbers, deze is de stamvader van Grootmoeder of Moeder Jannetje Hoogendoorn. Willem Thomas Lubbers had behalve andere kinderen eene dochter genaamt Klazina, deze dochter was in kennis gekomen met Pontio Hoogendoorn. De Vader van Grootvader Hoogendoorn dreef een sterken handel in paarden welke hij opkocht voor het leger en bezocht ook op zijne reizen Embden, en Grootvader was vanzelf ook handelsman in paarden en kwam dan ook in 0ldenburg en Embden, alzoo is de eerste kennismaking tot stand gekomen welke tot een huwelijk leidde, Grootvader Hoogendoorn heeft eerst naar ik meen gewoond aan de Lage Rijndijk op de Hofstede Paardenburg nabij Kouderkerk op de plaats waar eerst Overgrootvader woonde. Aan deze plaats is nog een sage verbonden welke mijn Moeder mij meermalen heeft verteld en ik wil dezelfde mededeelen. Het geviel dat de vrouw des huizes ziek werd en stierf. Diep bedroefd bleef de man en vader zitten. De eerste nacht na de begrafenis evenwel kwam de vrouw middernacht terug en belde en klopte aan; de man van schrik bevangen geloofde niet dat het zijn echtgenote was meenende dat het haar geest was en deed niet open; zij evenwel sprak, ik zal je toch overtuigen dat ik het in levende lijve ben; Ik zal twee beste paarden van stal halen en zij zullen aan de tweede verdieping aan de ramen aankloppen en zoo zij sprak gebeurde het, de paarden klopten aan en de man geloofde het en deed open en de vrouw heeft nadien nog 15 jaar geleefd maar was steeds zwaarmoedig en heeft nooit meer gelachen, zoo was het verhaal mijner Moeder. Of er dan niets van waar was, zeker de eerste oorzaak was waar,de nacht volgende op den dag van haar begrafenis waren eer lijkroovers gekomen om de dode van haar kostbaarheden te berooven, zij openden het graf en de kist en terwijl zij deslaatste ringen van des overledene vingers haalden werd de overledene wakker daar zij slecht schijn dood was en door het wringen aan haar vingers van deze verstijvende invloed ontwaakte , zij zat overeind in de kist en de roovers van nare schrik bevangen vluchtte met achterlating van al de sieraden en toen de vrouw weer goed bij haar zinnen was stapte zij uit de kist en zoo naar haar huis. Aan de voorgevel van het huis was een groote Bentheimersteen aangebracht waarop een kasteel gebeiteld was met twee ramen en twee paarden waar aan ieder raam een paard aanklopte; mijn Vader en Moeder hebben wanneer zij naar de latere woonplaats van Grootvader Hoogendoorn reden, als ik nog zeer jong was, deze plaats en steen aangewezen, en dat weet ik nog zoo goed dat ik het huis en de steen nog wel kan uittekenen, maar of het feit zich zoo heeft toegedragen daar weet ik niets van, het is een sage.

Later is Grootvader Hoogendoorn gaan wonen aan het Zwaantje aan de Hoge Rijndijk tusschen.Koudekerk en Alphen, een zeer mooie plaats, een Heerehuis voor en achter de boerderij met land voor veeteelt en korenbouw. Ik moet nog melden dat Grootmoeder Lubbers zich nooit van haar gewoonte heeft losgemaakt, zij betrokken altijd het Heerenhuis zooals dat ook bij Overgrootmoeder gebeurde en vandaar werd de boerderij met vaste hand bestuurd, nooit waren zij hard of ruw, zij waren altijd goed voor het volk, maar lieten niet met zich sollen. Grootmoeder was een mooie verschijning, kloek van stuk, en wist altijd haar stand te bewaren,daarbij zeer Godsdienstig,dat hadden zij al uit hun ouders huis meegenomen en is later aan het hart geheiligd. Grootvader was een man, kloek van stuk met veel verstand begaafd, Grootmoeder zou nooit die Duitsche en Oostfriesche tongval afwennen en haar spraak maakte haar steeds openbaar, Grootvader had bij Grootmoeder negen kinderen en wel vijf zoons en vier dochters. De oudste zoon heette Willem Thomas, deze is op 35 jarige leeftijd tegelijk met eene Andries van der Vlies, en zijne Echtgenote nl. de vrouw van Oom Willem, welke Alida Vlasveld heette, naar Zuid-Afrika getrokken nadat hij eerst zoowat twee jaar bij mijn Vader heeft gewoont om in de boerderij behulpzaam te zijn. Hij heeft daar in Zuid Afrika eerst zeer moeilijke jaren doorgemaakt, hij woonde eerst te Port Natal, had daar Landbouw en Veeteelt maar de Bosjesmannen en Kaffers ontstalen hem al zijn vee, toen werd hij onderwijzer, dat beviel de bedrijvige man niet, toen richtte hij een warenhuis op, eerst op bescheiden voet, later op grootere voet, (een toko) dit ging zeer goed. Hij had verscheidene zonen, deze kon hij een uitstekende opvoeding geven, kortom hij heeft daar als het ware een Volksplanting van de Famielje Hoogendoorn opgericht en is de stamvader van dit geslacht geworden in Afrika. Een dorp is door hem en zijn kinderen gesticht, dit dorp heet heden Willemsdorp, Oom is in hoogen ouderdom overleden terwijl zijn dankbare kinderen hem een sierlijk grafmonument van wit marmer hebben opgericht, en is in het volle geloof in zijn Zaligmaker gestorven. De tweede zoon heette Gerardus, deze was gehuwd met Maria Hofland, zij woonde te Waarder bij Woerden, doch de tweede zoon had de moed en het groote verstand van zijn broeder niet en kon zich niet in zijn stand handhaven en heeft later zijn leven lang met kleinhandel zijn brood verdiend. De derde zoon heette Wouter, deze ging het zeer goed, terwijl hij zeer veel kennis had. De vierde zoon heette Pontio, deze is gehuwd geweest met een meisje uit Zoetermeer (de naam is mij ontgaan) deze heeft eerst op zijn Vaders plaats gewoond, hij was klein van verstand en kort van begrip, hij kon het daar niet houden, verloor zijn vrouw , huwde ten tweede male, deed in veehandel, heeft nog te Delft gewoond. Zijn tweede vrouw is ook overleden, hij is naar Zeeland gegaan en ten derde male gehuwd, en is vandaar naar Amerika gegaan, is daar later overleden, zijn spoor zijn we kwijtgeraakt, alle nasporingen waren te vergeefs, en wij hebben nooit meer van hem gehoord. De vijfde zoon heette Nicolaas, deze is schrijnwerker geworden, deze was goed ontwikkeld, maar ongehuwd op 22 jarigen leeftijd overleden. De oudste dochter heette Bodina, gehuwd met Cornelis de Jong, woonde te Nieuwerbrug bij Waarden, beiden zeer schrander, hadden vele kinderen en het is hun allen goed gegaan. De tweede dochter heette Jannetje, mijn moeder (zeer schrander) hierover later meer. De derde dochter heette Elisabeth, is gehuwd met Cornelis van Dijk, veehouder wonende te Sassenheim, deze hadden ook verscheidene kinderen het ging hun alle goed. De vierde dochter heette Betje, gehuwd met Jacobus Johannes Lazonder, deze was van beroep Goudsmit, wonende te Schoonhoven, zijn vrouw is nog jong overleden, hij is niet meer hertrouwd, zij liet hem twee kinderen na, een zoon en een dochter. De dochter is zeer kort gehuwd geweest, en is naar ik meen kinderloos overleden. De zoon Adrianus is ongehuwd op 40 jarigen leeftijd overleden. De oudste dochter van Willem Lubbers is gehuwd geweest met een heer genaamd, Ottenhof (voornaam onbekend), deze was Officier van Gezondheid, deze is naar Oost-Indië vertrokken. Ottenhof is op reis of geheel in het begin van de aankomst overleden, zijn echtgenote is in Indië bevallen van een zoon, genaamde Willem. Zij had in het begin zeer moeilijke dagen, geldgebrek had zij zeker, want eer dat het bericht per zeilschip Embden bereikte, en eer dat zij het opgezonden geld had ontvangen, die tusschentijd was zeer lang, en daar haar echtgenoot was overleden was er geen sprake van salaris, maar haar schranderheid liet naar niet in de steek, door de ervaring die zij bij haar zelve had op gedaan, en door nauwlettende studie in de boeken van haar overleden man, daartoe in staat gesteld, gaf zij zich uit voor vroedvrouw, en dat lukte boven alle verwachtingen, zij werd veel geroepen bij die Inlandsche vorsten en Grootwaardigsbekleders, zij verdiende geld in overvloed, zij is later gehuwd met één van die heren (naam onbekend) en heeft tal van kinderen nagelaten, haar oudste zoon alleen heette ottenhof, deze heeft ook vele kinderen nagelaten, en zoo werd zij de stammoeder van al die geslachten Ottenhof en de andere kinderen verwekt bij haar tweede echtgenoot, de meeste zijn in Indië gebleven, en hebben zich verspreid tot zelfs in Japan en China en ook in Engels-Indië, enkele zijn naar Holland teruggekeerd en hebben hun woonplaats in de omgeving van Breda gevestigd. Eenmaal is zij nog uit Indië bij haar vader, de oude heer Lubbers, welke toen al zeer oud was, te Embden geweest, vergezelt van twee of drie van haar kinderen, zij heeft toen ook haar zuster Klazina (mijn Grootmoeder) van haar van ook Lubbers bezocht, terwijl zij toen ook nog een andere zuster heeft bezocht (over deze zuster later meer), mijn Moeder was toen nog zeer jong maar zij had een goed geheugen, zij kon er in haar goede tijd niet uitgepraat van komen, groot en diep was de indruk welke die verhalen op mij maakten, ik heb door dien indruk nooit vergeten, en dit doet mij nu gemakkelijker schrijven. Zij namelijk, de zuster, is naar Indië teruggekeerd en is in hoogen ouderdom overleden. De tweede dochter van de heer Lubbers was ook ouder dan mijn Grootmoeder , deze is gehuwd geweest met ééne De Groot (voornaam onbekend) diens Vader schijnt een handelshuis te of nabij Dordrecht te hebben gehad, in dien tijd was er een drukken handel tusschen Dordrecht en Embden per schip of schepen, tegelijk met andere plaatsen aan de Oostzee.

De zoon die ook die reizen meemaakte , kreeg alzoo kennis met de oude heer, en diens dochter, dit leidde tot een huwelijk, deze vestigde zich te Dordrecht in en nabij zijn vaders huis. Aan dit huis was nog een sage verbonden, welke ik wil mededeelen. Zooals het in zulke huizen in dien tijd ging hadden zij behalve de dienstboden ook een huisknecht, deze was geroepen om behalve andere bezigheden ook het vleesch aan het spit te braden. Dit was een voor dit doel ingericht werktuig om het vleesch al draaiende in een opvlammend vuur te draaien terwijl het voortdurend met vet of boter tegelijk werd bedropen. Het was echter een Godvreezend huisgezin waar de Bijbel trouw werd gelezen, evenwel Jan was een vrolijke Fransman welke deze zaken nog al licht opnam, en als er dan uit de Bijbel gesproken werd steeds zeide, “als ik dood ben zal ik zeker terugkomen en Madam zeggen hoe ik het heb bevonden.” En of Jan vermaand werd of niet, het was altijd zijn woord, “ik zal u komen zeggen hoe ik het heb.” En Jan stierf, en een tijd erna werd er niets vernomen, zoodat alles vergeten werd. Doch eens op een avond vluchtten de dienstboden uit de keuken naar Madam, terwijl zij haar meedeelde dat Jan aan het spit stond te braden en niemand durfde in de keuken te komen, maar Madam welke voor geen kleinigheid vervaart was ging naar de keuken en vroeg aan hem: "Wel Jan hoe hebt gij het nu", waarop Jan antwoorde: "Madam zij rekenen nu en schelden niets kwijt", en tegelijk verdween Jan met het spit en vuur om nooit meer terug te keeren.

Vele zulke verhalen heeft Moeder verteld om te bewijzen hoe rijk die tijd was in zulke verhalen, en of Moeder het dan geloofde, zij dacht zoo als ieder denkt dat er toch een kern als grondslag was en het was haar altijd te doen om ons te doen gevoelen dat wij met dergelijke zaken niet lichtvaardig spottend onze bemerkingen mochten maken. Van deze famielje welke zich zeer uit breidde moeten er later ook velen naar Oost-Indië zijn gegaan. Ze hebben er het hunne toe bijgedragen om steeds meer van hun stam in Indië te doen voortleven. Dan had de oude heer Lubbers nog een zoon van dezelfde naam, deze was Predikant te Assen in Drenthe, deze was het wiens naam veel ter onderteekening in oude Bijbels en kerkboeken voorkomt, verder weet ik niet of hij meer kinderen had, en wie er nu van leven weet ik evenmin, en waar zij zich hebben neergezet is mij onbekend, wel is mij geruchte bekent dat zij in hun geslacht nog steeds in groote menigte voorkomen. Eenmaal is Grootvader Hoogendoorn nog met Grootmoeder Lubbers bij zijn schoonouders geweest, zij was nog een zeer jong meisje welke met haar zuster Bodina mee mocht, dat was haar een geschiedenis, daar kon Grootmoeder Hoogendoorn van vertellen wat het beteekende om met een huisgezin per wagen naar Embden te reizen. Alles ging met eigen rijtuig, een grootte reiskoets, er werd zoo veel mogelijk mond voorraad meegenomen; vleesch, boter, kaas en andere artikelen, het waren toen slechte wegen, en onveilig en de reis duurde van uit Holland eene kleine 14 dagen, omdat de paarden steeds tijd moesten hebben om uit te rusten, duurde alles veel langer. En een postrijtuig van voldoende grootte was niet te bekomen. Overal moest des nachts een onderkomen gezocht worden, was dat niet te bekomen voor het huisgezin, als de paarden maar onderdak waren, installeerde Grootmoeder met hare kinderen zich in de reiskoets, terwijl de mannen om beurten de wacht hielden. Grootvader had voor het gemak en de veiligheid een trouwe en sterke knecht meegenomen. Zij zijn veilig weer thuis gekomen maar de reis had zeer lang geduurd. Natuurlijk deed een man de reis alleen of met hun beiden, dan was er wel scheepsgelegenheid, en ook met postrijtuig. Grootvader is zoowat op 60 jarige leeftijd schielijk overleden, toen heeft Grootmoeder met haar oudste zoon Willen Thomas de boerderij gedreven tot dat ook deze zijn bestemming volgde, toen deed zij met haar tweede zoon Gerrit tot dat ook deze trouwde. Toen werd zij het bedrijvige en drukke leven moede, zij zette haren zoon Pontio in de zaak, na diens oom Wouter ook was gehuwd. Hare laatste levenjaren heeft zij doorgebracht te Leiderdorp in een net burgerhuis met haar zoon Nicolaas en hare dochter Betje. Zij had daar een mooie tuin en hield alle soort kippen tot haar genoegen, zij kon voldoende leven. Menigmaal ben ik toen als kleine jongen bij haar geweest daar ik voor Vader alle boodschappen bezorgde. Zij was steeds zeer goed voor mij, dit maakte haar spraakzaam en zoodoende raakte ik nog meer bekend met menige bijzonderheid, die ik anders nooit had geweten. Haar eerste slag aldaar trof haar door het zeer spoedig overlijden van haar zoon Nicolaas, van wien zij als hare laatste zoon in huis toch zoo veel hield, hij is 22 jaar oud geworden. Met groote gelatenheid heeft zij hare bittere smart gedragen, en later is hare dochter Betje van uit haar huis gehuwd met oom Lazonder. Ja toen had zij bittere en droeve dagen, eenzaam uit een zulk talrijk gezin overgebleven. Is het wonder dat zij hare smart soms tegen mij uitweende, ik was als kind al zoo gevoelig van aard, en daar bleef het niet bij. Zij kreeg eene beroerte, de helft van haar lichaam was geheel verlamt, eene goede hulp had zij aan eene Mej. Neeltje Langelaan. Deze heeft haar dag en nacht verzorgt met waarlijke Christelijke liefde. Totdat zij ongeveer een jaar daarna in Haren Heer en Heiland in vrede is ontslapen.

Mijn Vader was zoo ik boven opmerkte met Jannetje Hoogendoorn gehuwd. Was geboren 18 Juni van het jaar 1815, gehuwd naar ik meen in 1835. Zij hebben zes jongens, waarvan een op 12 jarigen leeftijd overleed. Deze heette Pontio, dus vijf zoons en vier dochters herden grootgebracht De oudste Adriana is gehuwd geweest met Arie Los, landbouwer en veehandelaar, zoon van Matheus Los en Neeltje Catharina Vellekoop, wonende aan Nieuwe Wetering gemeente Alkemade (hierover later meer). Deze zwager woonde aan de Nieuwe Wetering, het ging hem zeer goed. De tweede, ook een dochter, Clazina is gehuwd geweest met Dik Jan Ciggaar, zoon van Dirk Jan Ciggaar en Geertje van der Bosch. Deze woonde aan de Postbrug te Sassenheim, alwaar zich ook mijn zwager vestigde als landbouwer en veehouder, het ging hem goed, deze Clazina is niet oud geworden, naar ik meen ruim 40 jaren. Dan volgde mijn oudste broer Cornelis, deze is gehuwd geweest met Cornelia van Lokhorst, wonende te Zegveld, bij Woerden. Zij was weduwe, was eerst gehuwd met eene heer Karens, bij wie ze twee kinderen had n.l. Martinus en Jacob Karens. Dan volgde ik n.l. Teunus, ik ben gehuwd geweest met Gerritje Los dochter van bovengenoemde Matheus Los en Neeltje Catherina Vellekoop. Daarop volgde mijn broeder Adrianus, deze is gehuwd geweest met Elisabeth van der Wel, dochter van Cornelis van der Wel, deze woonde te Schipluiden bij Delft. Genoemde Elisabeth van der Wel (of Welle) was eerst gehuwd geweest met Jan van der Marel, deze was ruim een jaar na zijn huwelijk met genoemde Elisabeth overleden, eene dochter nalatende met name Cornelia. Dan volgde mijn zuster Jannetje, gehuwd geweest met Abraham Dijkman, zoon van Jan Dijkman wonende te Voorschoten bij Leiden, mijn zwager Dijkman woonde te Zoetermeer bij Leiden. Dan volgde mijn broeder Wouter, deze is gehuwd geweest met Gerritje Habben Jansen, mede een Duitsche Famielje, haar vader heb ik nooit gekend, deze was al overleden toen Gerritje een kind was. Zij hebben gewoond te Duivenvoorde bij Voorschoten. Dan volgt mijn zuster Cornelia, deze is gehuwd geweest met Adrianus van Reeuwijk, zoon van Bertus van Reeuwijk, wonende te Zegwaard bij Zoetermeer, de zwager is gegaan naar zijn Moeders woning, zijn Vader was al lang tevoren overleden, dit was een zeer grootte woning, zeer veel bouwland en verder veeteelt. Dan volgt mijn jongste broeder Gerrit Johannes, deze is gehuwd ge­weest met Antje Lekkerkerker, dochter van Johannes Lekkerkerker (een achterneef van mij), deze woonde te Mastenbroek bij Montfoort, mijn broeder Gerrit Johannes woonde op de woning waar vroeger zijn Vader woonde.

En nu volg ik, ik ben zoo ik boven opmerkte gehuwd geweest met Gerritje Los, dochter van Neeltje Catharina Vellekoop en Mattheus Los. Deze Los was mede een echte Duitscher in zijn geslacht. De Grootvader van mijn schoonvader Mattheus Los kwam omstreeks het jaar 1740 in Holland om aldaar als gewoon werkman in de veenderijen een eerlijk stuk brood te verdienen. Hij ging naar de veenderijen, welke aldaar overvloedig waren tusschen Rijpwetering en Oude Wetering, gemeente Alkemade. Het geluk diende hem, weldra had hij zoo veel, dat hij een stuk in eigendom bewerkte. Wie zijn echtgenote was weet ik niet, hij had vele kinderen welke de stamvaders geworden zijn van vele geslachten Los, welke in genoemde plaatsen voorkomen, daar vroeger dien naam niet bekend was, evenwel een van zijn kinderen Hugo Los had geen lust in de veenderijen, deze had meer lust in den veehandel. Hij is zijn roeping gevolgd, en ook deze was zeer gelukkig. Hij liet platboomde vaartuigen maken waarin gewoonlijk zeven koeien konden geplaats worden, daar was aldaar grootte behoefte aan. Alles was water en het vee afhalen en brengen moest alles per vaartuig geschieden, en daar dit voor de veehouders wel wat duur was en zeer moeilijk, zette hij zijn plan door en ontzag kosten noch moeite, en hij had het goed gezien. Hij had voor alles zijn volk, en was een door en door eerlijk man, daardoor wilde ieder aan hem verkoopen en ook van hem koopen omdat hun alles zoo gemakkelijk werd gemaakt. Immers het verkochte vee, hetzij koeien of schapen werd per schuit afgehaald en alzoo naar de Leidsche markt gevoerd en het vee wat zij kochten werd op dezelfde wijze thuis bezorgd, dus dat ging best. Hij had behalve andere kinderen twee zonen Mattheus en Teunus Los, beiden doorkneed in den handel, deze hielpen de zaak zoo veel mogelijk in een bloeiende toestand te brengen. Zij gingen naar Groningen om zelve aldaar het beste vee te koopen, dat vee werd gewoonlijk per schip waarin 30 koeien plaats vonden naar Holland verzonden, terwijl hij een groote stal had waar 40 stuks vee in ruimte zich konden bewegen, met groote ruimte erachter voor de talrijke koopers. En was daar een schip in de stalling gelost dan werden overal boden heen gezonden, dat zij op een daarvoor bestemden dag konden koopen. Het ging er op zulke dagen zeer druk toe, er was altijd een groote kamer klaar waar de bezoekers gratis broodjes met vleesch, kaas, ham of andere zaken konden gebruiken, terwijl gedienstige handen steeds gereed waren om ieder zijn begeerte te bedienen. Was het vee verkocht dan werd het vee in genoemde veerschuiten op de plaats van bestemming gebracht en zoodoende had ieder zijn gekochte vee des avonds al thuis, zonder zelf eenige last of moeite er van te hebben.

Doch temidden zijner drukke werkzaamheden stierf Grootvader Hugo Los, hij was zeer sterk, maar toch was hij overwerkt. Of het dag of nacht was, of het sneeuw of regen was of vorst, hij was altijd op een van de koeschuiten te vinden vanwaar hij altijd, tot genoegen der koopers, een wakend oog over alles hield. Door al te veel gevatte koude kreeg hij een bezetting op de borst, het kwaad wilde niet wijken en Grootvader Hugo Los overleed. Hij liet behalve andere kinderen eene dochter Mijntje, en twee zonen na, de een heette Teunis, de andere Mattheus na. In den handel werden zij gewoonlijk oom Teun en oom Mees genoemd. De dochter Mijntje is gehuwd geweest met eene Prosman, deze is niet nader bekend, hij is vroeg gestorven. Hij liet haar twee kinderen na, de eerste heette Dirk Prosman, deze werd slager te Oude Wetering, hij had een beste zaak. De andere Trijntje Prosman is overleden op 30 jarigen leeftijd aan een ontsteking aan de lever. De weduwe is later hertrouwd met Johannes Wetstein, deze kwam uit het Westland bij Delft, een zeer oppassend en Godvreezende man. Zij woonde aan de Nieuwe Wetering, hadden een groote boerderij deels korebouw deels weiland, doch ook deze man is vroegtijdig overleden. Hij heeft een zoon nagelaten, Willem Wetstein, deze was groot genoeg om met zijne Moeder verder de zaken te besturen. Hij is gehuwd, de naam zijner vrouw weet ik niet, toen ging tante Mijntje stil leven, dat kon zij gemakkelijk. Zeer menigmaal ben ik bij hen geweest, het was een degelijke Godvreezende Famielje. Doch ook Willem is niet oud geworden, hij is gestorven in het jaar 1871, hij liet veel kinderen na. Deze kinderen waren bekwaam genoeg om met hunne moeder de zaak voort te zetten. Eene zuster van hen, Emma, in den regel Ma genoemd is later gehuwd met Jan Los, zoon van Mattheus Los.

Oom Teun en Vader Los hadden de volle bekwaamheid den handel voort te zetten, oom Teunis is gehuwd de naam zijner vrouw weet ik niet. Hij kocht een boerderij deels bouwland, deels weiland en tegelijk met den handel dreef hij de boerderij. Hij heeft vele kinderen nagelaten, het ging hen allen goed. Mijn schoonvader Mattheus Los is gehuwd met Neeltje Catherína Vellekoop, haar Vader had eene boerderij van gemengde bedrijf aan de Rijpwetering, gemeente Alkemade. Hij heette Jan Vellekoop, inmiddels zette zijn schoonvader en oom Teunis de handel in vee met kracht voort, zij zetten den handel onder den naam van Mees en Teun Los voort. De boeken werden goed bijgehouden en steeds breidde de handel zich verder uit, zij hadden een commissiekoper in Groningen, en het beste vee werd gekocht. Mijn schoonvader had bij zijn echtgenote vijf kinderen, drie zoons en twee dochters. De oudste zoon heette Hugo, deze is twee maal gehuwd geweest, zijne eerste vrouw was eene dochter van Oudshoorn, deze woonde in Warmond. Hij heeft eerst gewoond te Leiden, aldaar had hij een stalhouderij met logement en tevens een veestalling, terwijl deze veestalling zeer ten nutte kwam voor het opgekochte vee, welk vee dan gewoonlijk al drijvende op het koeschip Donderdag aldaar gebracht werd, en Vrijdagmorgen in de vroegte op de Leidsche markt geplaatst werd. Er was ook bij de stalhouderij groen of weiland, dit diende weer om de talrijke schapen en lammeren te bergen zoodat alles dan frisch en welvoorzien op de Leidsche markt geplaatst werd. Dit was een groote aanwinst en voorkwam veel onnoodige uitgaven, terwijl mijn Schoonvader met oom Teunis Donderdagavond aldaar overnachtten om daar Vrijdagmorgen in de vroegte ter marktplein te komen om op alles toe te zien. Het was natuurlijk een zeer druk bedrijf, jarenlang heeft mijn zwager aldaar gewoond, maar hij verloor zijne vrouw, zij overleed aan een slepende ziekte, hem nalatende eene zoon genaamd Mattheus. Het was een brave vrouw en ten volle berekend voor de zaak, dit was een groot verlies voor mijn zwager. Terwijl zijn eenige zoon op naar ik meen twaalfjarige leeftijd aan de pokken overleed. Hij is later weer hertrouwd met een dochter van de heer van Rijn, welke ook leefde van landbouw en veeteelt. De man was uit een oud Hollandsch geslacht waarvan er zeer velen dezelfde naam voerden en ook heden in Holland en andere plaatsen leven, en zijn allen van eenen stam oorspronkelijk voort gekomen. Dit is nog zeer goed na te gaan. Zijne vrouw heette Cornelia, hij trof het zeer goed, zij was goedig van omgang en ook ten volle voor de zaak berekend. Hij had bij zijne vrouw verscheidene kinderen, doch toen hij ouder werd, werd hem de zaak te druk. Zij deden de zaak over aan De Graaf, ook een familielid, hij was een neef van de familie zoodat de zaak in zijn wezen geen verandering onderging en alles op de oude voet doorging. Mijn zwager kocht een boerderij aan de Nieuwe Wetering, hij had het toen rustiger, hij behartigde zijne zaken, en was ook in den gemeenschappelijken handel werkzaam.

Ik wil hier nog tusschen voegen dat ook mijn schoonvader eene boerderij aan de Nieuwe Wetering had gekocht, deels bouwland, deels vetweiderij en deels melkerij. De tweede zoon van mijn schoonvader heette Arie, deze was op en top handelsman, zeer plooibaar in zaken, ongemeen schrander in den handel in vee en vette schapen, lammeren en alle vee. Hij was een groote aanwinst voor de zaak, ging ook zelf naar Groningen kocht daar voor de gemeenschappelijke zaak het vee op hij had een echte kennersblik en was zeer gelukkig in alle zaken, hij is gehuwd geweest met mijn oudste zuster Adriana bij wie hij twee kinderen had n.l. Neeltje en Mattheus, hij kocht bij zijn huwelijk ook eene boerderij van gemengd bedrijf, en was tevens een uitstekend landbouwer. De derde zoon van mijn schoonvader heette Johannes, deze had geen lust in den handel, deze had het meer stille landbouwvak lief. Ook hij kocht aan de Nieuwe Wetering een boerderij, en was een volmaakte landbouwer, tevens zeer gelukkig. Hij is gehuwd geweest met Emma Wetstein, dochter van Jan Wetstein bovengenoemd. Antje Los is gehuwd geweest met Willem Frederik Visser, zijn Vader heette naar ik meen Johan Visser, de naam zijner Moeder was Frank (voornaam onbekend) deze woonden te Langeraar, zij hadden een groote boerderij van gemengd bedrijf. Deze Willem Frederik kreeg van zijn oom, een broeder van Moeder, bij testament 15 bunder land, wijl deze oom ongehuwd overleed. Dat land lag bij Ter Aar, nabij Langeraar, aldaar liet genoemde Visser een boerderij zetten, huurde of kocht er wat land bij en heeft met zijne vrouw tot zijn overlijden in 1924 gewoond.

Verder nog van mij een enkel woord, ik woonde te Zoeterwoude, maar helaas mijne vrouw overleed in het jaar 1880, ik ben tien jaar gehuwd geweest, bitter en hard trof mij deze slag en verder kan ik hierover niet schrijven omdat ik nog leef, dit moeten mijne kinderen doen.

Inmiddels werd mijne schoonouders ook ouder, mijne schoonmoeder overleed naar ik meen op 62 jarige leeftijd, zij was een vrome Godvrezende vrouw en is in dit geloof ontslapen. Na dit overlijden heeft mijn schoonvader met zijne kinderen den handel voortgezet, is toen stil gaan leven, want ook hij verlande naar rust, en is later op 74 jarige leeftijd overleden. Verder overleed Oom Teun en zijn vrouw, toen later overleed de vrouw van mijn zwager en mijne zuster Adriana, oud naar ik meen 76 jaar. Mijn zwager leefde na dien tijd ook stil, is op ongeveer 75 jarige leeftijd overleden, en wijl er verder niet één van de kinderen, noch van oom Teunis, noch van mijn schoonvader lust voor den handel voelde is deze handelszaak verdwenen, gelijk alles verdwijnt. Zeer snel is er in deze handelszaak verdiend, maar alles behoort ook alweer tot de geschiedenis.

Nu wil ik nog wat schrijven over Vader en Moeder, veel kinderen hebben zij overleefd. Eerste dochter Clazina, vrouw van D.J. Ciggaar was de eerste, zij overleed op ongeveer 40 jarige leeftijd. Toen volgde mijn oudste broer Cornelis, 50 jaar oud. Toen volgde mijn broeder Wouter, ongeveer 40 jaren. Toen volgde mijn zuster Jannetje, ook op ruim 40 jarigen leeftijd. Verder verlangden mijn Vader en Moeder naar rust, Zij gingen stil leven in een huis nabij hunne kinderen te Zoeterwoude. Helaas onze beste Moeder overleed op ongeveer 78 jarigen leeftijd in de vreeze des Heeren, mijn Vader bleef eenzaam en alleen achter, dit was ook voor mijn Vader het ergste wat hem op die leeftijd kon treffen, 60 jaren had hij met Moeder steeds in een beste verstandhouding geleefd, en nu ook zij weg. Door dat verlies raakte hij aan het sukkelen, hij was anders een zeer sterke man, maar kon dat verlies op die jaren niet meer dragen en stierf ruim 2 jaar later op 81 jarige leeftijd. Altijd hebben zij naar hun beste weten voor hun talrijke kinderen gezorgd, in lief en leed, waarvan het laatste ver de overhand had met hunne kinderen meegeleefd. Kort voor zijn overlijden liet hij mij roepen, toen zeide hij nog tegen mij, het leven had hem steeds teleurgesteld en alles was moeite en verdriet maar nu liep het dan toch ten einde en zou hij bij zijn Heiland en bij Moeder, zoo als hij Moeder altijd noemde, de eeuwige rust ingaan, hoe verstond ik hem, ik weet door diepe zielservaring dat al wat hij sprak waar was, en nu is ook dat weer geschiedenis geworden. Zoo heb ik al mijn broeders en zusters zien heengaan en Vader weg, Moeder weg, schoonvader en schoonmoeder weg, mijne vrouw weg, mijn zwagers weg en wij kunnen met de geweizangers zeggen: Ik ben een vreemdeling hier beneen.

Nu willen wij nog wat schrijven over de famielje Amoureux, deze heeren waren zeer goed bekend met het strijken, of om met de hand of vingers het pijnlijke of zieke lid of de zieke plaats te strijken waardoor dan gewoonlijk beterschap volgde, verder waren zij zeer goed op de hoogte met de kennis van geneeskrachtige kruiden, zeer veel dranken tegen hondsdolheid werden door hem bereid en met succes door de lijders gebruikt. Verder bereidden zij balsem tegen kanker, zat de kanker uitwendig dan werd er balsem gebruikt, bleek het inwendig te zitten dan werden dranken ingenomen. Terwijl dan zoowel voor hondsdolheid als kanker veel zweet werd afgescheiden, het kwaad werd volgens Vader naar buiten gedreven waarna gewoonlijk genezing volgde, en zoo hadden zij meerdere andere zaken die tot genezing werden gebracht. Later toen zij wegens andere bezigheden er geen tijd meer voor beschikbaar hadden, was eene Mevrouw Bisdom welke deze dranken uitgaf en na haar overlijden, en het heengaan der Heeren van Amoureux, is het geheim van bereiden met hen in het graf gegaan. De laatste bijzonderheden dezer eens zoo bekende famielje zijn; eenige hunner waren op de jacht en hadden buiten hun weten gejaagd op verboden terrein, hierdoor de jachtopziener daarvoor onderhouden, had een hunner het ongeluk dat zijn geweer afging en het schot trof de jachtopziener juist in het gezicht waardoor deze één oog verloor. De eene partij beweerde hij had het opzettelijk gedaan, terwijl de andere partij beweerde dat het een ongeluk was. Evenwel Amoureux zou worden gevangen genomen, zijn vrienden waarschuwden hem dat hij moest vluchten daar het zaakje wel eens slecht zou kunnen afloopen, want er was toen kort recht. Door geld en vrienden geholpen vluchtte hij dien nacht daarna over de grens tusschen Utrecht en Gelderland, en daar iedere provincie toen haar eigen rechten had, was hij een goede week vooruit, doch zijne vrienden zeiden hem dat hij niet veilig was. Eene weg bleef hem nog over namelijk als hij teekende voor koloniaal naar O. Indië zouden ze hem er door halen, dit deed hij, daardoor kwam hij vrij maar moest toen naar Oost-Indië. Nog een ander famieljelid maakte de reis mee en een van hen is later in Holland teruggekeert en is gaan wonen te Benschop, hij was toen ziekelijk en afgeleefd, heeft nog een paar jaar geleeft en is toen aldaar begraven. De andere is in Indië gestorven, nog eenige kinderen nalatende. Dit spoor is ook weggeraakt, hetzij door naamsverandering (zie boven) of een ander geval, en even duister als verschijnen in Holland was, even duister was hun verdwijnen, en nu is zelfs hun naam vergeten. En zooals ik boven aanmerkte, er is geen enkel bewijsstuk achter gebleven, en toch zij moeten volgens Vader er geweest zijn. Ik vind, dit maakt de heele geschiedenis zoo onzeker, vandaar mijn aarzeling om te schrijven.

En zoo ben ik nu aan het einde van mijn aanteekeningen gekomen, en heb naar mijn beste weten geschreven, er zullen wel historische fouten in zijn, toch wat ik gehoord heb, heb ik weergegeven, en als ik het tijdperk overzie, ja dan had ik er zeker nog veel meer over en van kunnen schrijven, dat doe ik liever niet, ik moet zooveel mogelijk waar blijven, en nu ik zelf tachtig jaren gepasseerd ben kan ik niet nalaten er nog een slotwoord bij te voegen.

Als ik die reeks van voorgeslachten mij voor den geest haal, en ik denk dat zij allen geleefd hebben, en naar wij hopen gebeden hebben, dat zij allen hun smart en bittere teleurstellingen en diepen wee­moed gevoeld hebben, ja dan denk ik menigmaal als nu al dat lijden maar aan het hart moge geheiligd zijn, dan hebben zij nu toch rust, en kunnen nu met de vromen Idumeschen lijder zeggen in gewijzigden vorm:" Hier rusten de vermoeiden van kracht, hier is de knecht vrij van zijn heer, hier houden de bonzen op van beroering " enz. (Job 3de hoofdstuk). Ja dan is het toch, ik heb niet tevergeefs geleefd, nu heb ik rust, en ook ik verwacht de opstanding der dooden, een ieder in zijn orde en lot, dan zijn ook voor ons deze gedachten zoo overweldigend groot en heerlijk dat wij in aanbidding neerknielen voor den troon van het Lam Gods, en ook kunnen uitroepen, Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, de Heere moge het hun geschonken hebben. De Heere schenke het ons allen in Zijne groote barmhartigheid met een zalig wederzien in een nieuwen hemel en een vernieuwde aarde, Deze aarde toch is doorweekt van bloed en tranen, maar nieuwe hemelen, en eene nieuwe aarde waarin gerechtigheid woont, omringt van allen die in Jezus Christus ontslapen en opgestaan zijn uit de dooden. De Heere onze God schenke het al zijn kinderen en kleinkinderen, verwanten en betrekkingen, vrienden en bekenden, dit is de biddende wensch van den schrijver dezer regelen.

Geschreven in mijn tachtigste levensjaar 1924,

Teunis Lekkerkerker Sr.