Met het oog op 1995

Beleidsprogramma Emancipatie



10. ECONOMISCHE ZAKEN

10.1. DOELSTELLINGEN/KERNTAKEN DEPARTEMENT

De centrale doelstelling van Economische Zaken is het bevorderen van een gezond ondernemingsklimaat en van de concurrentiekracht van het Nederlandse bedrijfsleven en daarmee van economische groei, werkgelegenheid en participatie. Het nastreven van die doelstelling vergt in de eerste plaats een evenwichtige algemene economische politiek. EZ vervult een coŲrdinerende rol bij de formulering van dit beleid.

Op tal van beleidsterreinen moet rekening worden gehouden met de belangen van een gezond ondernemingsklimaat en een goed functionerende markteconomie. EZ rekent het tot zijn taak zo nodig bij andere departementen te interveniŽren ten gunste van een goed functionerend bedrijfsleven: het zogenoemde interventiebeleid. Naast interventietaken heeft EZ ook meer specifieke taken op terreinen als marktwerking, technologie, ondernemerschap, en dergelijke.

Voortvloeiend uit de centrale doelstelling zijn naast een evenwichtige algemene economische politiek de volgende nader geconcretiseerde beleidsdoelstellingen en kernthema's geformuleerd:

  • versterking van de internationale oriŽntatie;
  • EZ als aanspreekpunt voor het bedrijfsleven;
  • bevordering van de marktwerking en mededinging;
  • technologische vernieuwing;
  • vernieuwend ondernemerschap;
  • versterking van de infrastructuur;
  • milieu en energie.

10.2. VERTALING NAAR EMANCIPATIEDOELSTELLINGEN

Het nastreven van emancipatiedoelstellingen is zeer gediend met voldoende economische groei en toename van werkgelegenheid. De beleidsdoelstellingen van EZ en de emancipatie-doelstellingen gaan derhalve hand in hand. Dit is het algemene uitgangspunt.

De emancipatiedoelstellingen komen tot uitdrukking bij de onderstaande kerntaken/beleidsterreinen:

Als onderdeel van de algemene economische politiek:

-de bevordering van een gezonde economische en werkgelegen-heidsontwikkeling en daarmede tevens de bevordering van de participatie van vrouwen.

In het kader van het arbeidsmarktbeleid:

-het bevorderen van scholing en instroom van meisjes en vrouwen in sectoren van het bedrijfsleven waar tekorten aan arbeidskrachten zijn of dreigen.

In het kader van het technologiebeleid:

-het verspreiden en toepassen van technische kennis en integratie van nieuwe technologie in de samenleving. Verkleining van het verschil in kennis- en attitude-niveau tussen mannen en vrouwen met name door vergroting van deelname van vrouwen aan technische studies en beroepen.

Op het gebied van vernieuwend ondernemerschap:

-verhoging van de deelname van vrouwen aan het zelfstandig ondernemerschap en verhoging van de kwaliteit van het ondernemerschap van vrouwen. Versterking van de positie van de meewerkende vrouw in het eigen bedrijf.

De Emancipatieraad pleit er in zijn advies over het concept-Beleidsprogramma voor om "emancipatie" te beschouwen als doelstelling van hogere orde bij de doelstellingen voor sociaal-economisch beleid. De SER heeft zich eerder in deze zin uitgesproken naar aanleiding van een adviesaanvraag over toevoeging van een zesde doelstelling "emancipatie" aan de vijf sociaal-economische doelstellingen. In zijn advies uit 1989 blijkt dat de SER "emancipatie" ten opzichte van de bestaande vijf SER-doelstellingen beschouwt als een doelstelling van hogere orde die onder meer doorwerkt in de vijf doelstellingen voor sociaal-economisch beleid [24]. In deze zin is de stelling van de Emancipatieraad door het kabinet onderschreven.

Het Breed Platform Vrouwen voor Economische Zelfstandigheid stelt in zijn advies dat er sprake is van een oneigenlijke koppeling van de voortgang van het emancipatieproces met de economische groei. Met de in dit hoofdstuk genoemde koppeling is niet bedoeld dat de voortgang van het emancipatieproces alleen mogelijk zou zijn onder voorwaarde van economische groei, maar dat de verwezenlijking van een deel van de emancipatiedoelen zeer gediend is bij economische groei en toename van de werkgelegenheid.

Voor de niet nader benoemde onderdelen van beleid van EZ geldt dat die voor het gehele bedrijfsleven van toepassing zijn zonder onderscheid naar geslacht.

De instrumenten van emancipatiebeleid zijn in beginsel dezelfde als voor ander beleid. Onderzoek, voorlichting en advies, opleiding, interventie en financiŽle ondersteuning zijn de belangrijkste instrumenten waarmee in de uitvoering van beleid al dan niet expliciet mede emancipatoire doelen worden verwezenlijkt.

De realisering van deze doelstellingen betreft niet een verantwoordelijkheid die bij uitsluiting bij de overheid, in casu EZ ligt. Ook de sociale partners en maatschappelijke organisaties delen deze verantwoordelijkheid. EZ richt zich in zijn beleid vooral op het scheppen van voorwaarden. En incidenteel stimuleert EZ het op gang brengen of versterken van gewenste ontwikkelingen door eenmalige of tijdelijke stimulansen via een veelal projectmatige aanpak.

10.3. FEITELIJKE ANALYSE EN KNELPUNTEN

De deelname van vrouwen aan het arbeidsproces is de laatste jaren flink gestegen. Een uitgebreidere analyse van de arbeidsparticipatie is te vinden in het SZW-hoofdstuk. Het blijkt dat vrouwen opmerkelijk sterk geprofiteerd hebben van de grote werkgelegenheidsgroei in de jaren tachtig. De participatiegraad van vrouwen (in personen uitgedrukt) is sterk toegenomen: van 33% in 1979 tot 56% in 1991. In arbeidsjaren uitgedrukt blijft de participatie van vrouwen nog achter; hierin weerspiegelt zich dat vrouwen in ons land verhoudingsgewijs veel in deeltijd werken.

De instroom van vrouwen en meisjes in bepaalde sectoren en branches van het bedrijfsleven verloopt trager dan wenselijk is, gelet op het niveau van moeilijk vervulbare vacatures. Enkele voorbeelden van branches waar programma's lopen en waar EZ steun aan geeft: bouwsector, metaalverwerkende industrieŽn en detailhandel.

Vrouwen zijn ondervertegenwoordigd in technische studies en beroepen. Vrouwen en meisjes waarderen techniek anders dan jongens en mannen. Het percentage vrouwen in het hoger technisch onderwijs is weliswaar gestegen van 3% begin jaren '80 naar ruim 7% in 1990, maar blijft laag. Twee keer zoveel jongens als meisjes met een B-pakket kiezen voor een technische studie.

Indien een vergelijking wordt gemaakt met landen als BelgiŽ, Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Zwede, dan blijkt het percentage vrouwelijke studenten in de natuur- en wiskunde in Nederland het laagst te zijn en het percentage vrouwelijke studenten in de technische studierichtingen een van de laagste te zijn [25].

In verhouding zijn er weinig vrouwelijke ondernemers in Nederland: 18% ŗ 19% van de ondernemers is vrouw. Hierbij moet worden opgemerkt dat dit percentage vertekend kan zijn doordat sommige bedrijven alleen in naam door vrouwen geleid worden. In andere landen schommelt dit percentage rond 25%. Onder starters is het aandeel vrouwen stijgend: in 1987 22% en in 1991 33%.

10.4. SPEERPUNTEN

10.4.1. Keuze voor een viertal speerpunten

Ter realisering van de departementale emancipatiedoelstellingen zal Economische Zaken in de jaren tot 1995 een bijzondere inspanning leveren voor de speerpunten:

  1. vergroting arbeidsparticipatie van vrouwen, als onderdeel van het algemeen economisch beleid;
  2. bevordering van scholing en instroom van vrouwen in sectoren waar tekorten dreigen;
  3. vrouwen en technologie;
  4. stimulering ondernemerschap vrouwen.

De VNG merkt in zijn advies op dat de vergroting van de arbeidsparticipatie van vrouwen ondermeer kan worden bereikt door het bevorderen van scholing en instroom in sectoren waar tekorten dreigen en tevens door het stimuleren van het ondernemerschap van vrouwen. Uit de nota, aldus de VNG, wordt niet duidelijk of door EZ op deze punten specifiek voor vrouwen een eigen beleid is c.q. wordt ontwikkeld. Die duidelijkheid is zeker te geven.

Waar het ondernemerschap van vrouwen betreft is eigen beleid ter stimulering van het ondernemerschap van vrouwen ontwikkeld. Dit als uitwerking van beleidsvoornemens die zijn opgenomen in het kabinetsstandpunt "Beleid inzake zelfstandig ondernemerschap van vrouwen", december 1988.

Waar het de bevordering betreft van scholing en instroom in sectoren waar tekorten dreigen, is sprake van gezamenlijk beleid zoals onder meer verwoord in het Landelijk Meerjaren Beleidskader 1993-1997 van het CBA. Incidenteel draagt EZ bij in de vorm van ondersteuning van activiteiten ten behoeve van de personeelsvoorziening in die sectoren. In het recente verleden in de detailhandel en horeca, thans in de bouw.