Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


1.4 De onderzoeksopzet en het verloop van het onderzoek

Het onderzoeksdoel was zeer ruim geformuleerd en zou, zo luidde ook de afspraak met de opdrachtgever, tijdens het onderzoek verder ingevuld worden. Dat betekende dat het onderzoek in eerste instantie een inventariserend en exploratief karakter zou hebben; dat reeds bestaande inzichten bijeengebracht zouden worden en nader geanalyseerd. Een belangrijk element in de gekozen onderzoeksopzet was het in ruimere kring toetsen en verdiepen van verworven inzichten al tijdens het onderzoek. Gedurende de periode van het onderzoek (van 1-12-1993 tot 1-7-1995) zijn op twee momenten de verworven inzichten getoetst aan die van de diverse doelgroepen. De vakgroep Publiekrecht van de Rijksuniversiteit Limburg (RUL) hield in september 1994 in Maastricht een bijeenkomst van deskundigen onder auspiciën van het Centrum Mensenrechten, ter voorbereiding van een Aanvullend Protocol bij het Vrouwenverdrag inzake het individueel klachtrecht. In november 1995 werd, eveneens in Maastricht, een symposium gehouden over de betekenis van het Vrouwenverdrag. Aan dit symposium was de presentatie van een bundel met artikelgewijze commentaren over het Vrouwenverdrag voorafgegaan. [7]

Tijdens het onderzoek bleek wel dat het onderzoek een sterk multidisciplinair karakter zou moeten hebben om recht te doen aan de "alomvattendheid" van het Vrouwenverdrag. Kennis van het VN-milieu en van buitenlandse betrekkingen zou gecombineerd moeten worden met de kennis van relevante verdragsrechtelijke en internationaalrechtelijke ontwikkelingen. Deze moesten op hun beurt weer in verband gebracht worden met de theoretische ontwikkelingen binnen juridische vrouwenstudies. Kennis van politieke en beleidsvormingsprocessen was noodzakelijk om de doorwerking van de verplichtingen uit het verdrag te kunnen beoordelen, en bovendien was bekendheid met de praktijk van het recht nodig, om iets over de afdwingbaarheid van rechten en verplichtingen uit het Verdrag te kunnen zeggen.

Het zal duidelijk zijn dat van een dergelijk breed opgezet onderzoek niet in één ronde een integrerende visie verwacht mag worden. Binnen het beschikbare kader aan tijd en middelen is allereerst gestreefd naar een goed overzicht van het binnen de betrokken disciplines beschikbare materiaal. Het onderzoek biedt daarnaast ook een verdergaande analyse, de eerste stappen op de weg naar een integratie van de disciplines, beleidsgebieden en rechtssferen, die bij het Vrouwenverdrag aan de orde zijn. Dit proces van uitwisseling en samenwerking tussen disciplines, noodzakelijk om de meerwaarde van het Vrouwenverdrag aan te geven, is afgerond in juli 1995. Daarna heeft nog een verdere bewerking en eindredactie plaatsgevonden om het materiaal toegankelijk te maken voor de verschillende doelgroepen: politici, beleidsmakers, en rechtshulpverleners. De materiaalverzameling is formeel afgesloten per 1 juli 1995; waar mogelijk is ter wille van de bruikbaarheid het materiaal up to date gemaakt tot 15 mei 1996.