Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


1.5 Opbouw van het rapport

In het voorliggende rapport is een onderscheid gemaakt tussen het Verdrag "op het Eerste Gezicht" en het Verdrag "op het Tweede Gezicht". Het eerste deel ("het Eerste Gezicht") is voornamelijk beschrijvend van aard. Het schetst het gevestigde beeld van het Verdrag, zoals dat naar voren is gekomen bij de behandeling van de Goedkeuringswet en het geeft een beschrijving van de invloed van het Verdrag op beleid, wetgeving en rechtspraak tot nu toe.

Tussen deel I en deel II, in hoofdstuk 6, wordt een tussenbalans opgemaakt. Op het eerste gezicht blijkt er namelijk een discrepantie te zijn tussen de verwachtingen die aanvankelijk ten aanzien van het Vrouwenverdrag gekoesterd werden en de marginale positie die het Verdrag inmiddels lijkt in te nemen binnen de Nederlandse rechtsorde. Ook bestaat er een discrepantie tussen de opvattingen over het Vrouwenverdrag tijdens de parlementaire behandeling van de Goedkeuringswet, en de opvattingen op internationaal niveau, die een veel positievere toonzetting hebben.

Dit alles gaf aanleiding om in deel II de betekenis van het Vrouwenverdrag opnieuw aan de orde te stellen, ditmaal tegen de achtergrond van de inter-nationaalrechtelijke ontwikkelingen. "Op het Tweede Gezicht" blijkt de betekenis van het Vrouwenverdrag veel groter te zijn dan zich aanvankelijk liet aanzien. Dat is met name een gevolg van de internationale rechtsontwikkelingen die zich ongeveer gelijktijdig met de goedkeuringsprocedure hebben afgespeeld. Deze ontwikkelingen worden besproken in deel II, de hoofdstukken 7 en 8. Daarin wordt aandacht besteed aan de dynamische interpretatie van verdragsregels, zoals die ook ten grondslag heeft gelegen aan het amendement-Kalsbeek.

De opzet van het rapport is als volgt.

Het onderzoek begint met een inventariserend gedeelte waarin de totstandkoming van het Vrouwenverdrag wordt behandeld tot en met de goedkeuring ervan op internationaal niveau, en het bevat een beschrijving van het bij het Vrouwenverdrag ingestelde internationale supervisiesysteem (hoofdstuk 2). Dan volgt een schets van het Vrouwenverdrag en een artikelsgewijze bespreking van de bepalingen van het Verdrag (hoofdstuk 3). Hoofdstuk 4 behandelt de discussie die op nationaal niveau is gevoerd over de betekenis van het Vrouwenverdrag, vooral in verband met en voor een groot deel parallel aan de totstandkoming van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). Hoofdstuk 5 gaat in op de opvattingen van diverse juridische auteurs over het Vrouwenverdrag, en geeft vervolgens een overzicht van de invloed die het Vrouwenverdrag tot nu toe heeft gehad op het Nederlandse overheidsbeleid, de wetgeving en op de rechtspraktijk. Hoofdstuk 6 bevat een tussenbalans, en dient als overgang tussen deel I en deel II. Dit korte hoofdstuk biedt een terugblik op het belang dat op het eerste gezicht aan het Vrouwenverdrag gehecht werd, en geeft vervolgens aan wat op het tweede gezicht, gezien de internationale ontwikkelingen, de betekenis van het Vrouwenverdrag kan zijn. In hoofdstuk 7 worden deze internationale ontwikkelingen verder uitgediept en het belang daarvan voor de nationale rechtsorde nader uiteengezet. Hoofdstuk 8, ten slotte, geeft de huidige betekenis van het Vrouwenverdrag weer, zowel wat betreft de inhoudelijke implicaties van het Verdrag, als ook de verschillende verplichtingen die voor de overheid uit het Verdrag voortvloeien, en bespreekt de controle en toetsingsmogelijkheden. Het rapport wordt in hoofdstuk 9 afgesloten met enige algemene conclusies.