| 2 DE
TOTSTANDKOMING VAN HET VROUWENVERDRAG EN HET SUPERVISIESYSTEEM 2.1 De voorgeschiedenis 2.1.2 Het werk van de Commissie voor de Status van de Vrouw Het Vrouwenverdrag is tot stand gekomen door de inzet van een VN-commissie, de Commissie voor de Status van de Vrouw (hierna CSW). De CSW is een functionele commissie van de Economische en Sociale Raad (ECOSOC), een van de hoofdorganen van de Verenigde Naties, en van gelijk hiërarchisch niveau als de Commissie voor de Rechten van de Mens. De opdracht aan deze uit statenvertegenwoordigers bestaande Commissie is het bevorderen van de rechten van vrouwen op politiek, economisch, maatschappelijk, sociaal en opvoedkundig terrein, en het ontwikkelen van voorstellen op die terreinen. [8] Hiermee wordt de lijn van het VN-Handvest doorgetrokken: de preambule belijdt immers vertrouwen in de fundamentele rechten van de mens en de gelijke rechten van mannen en vrouwen. [9] Het Handvest wijst daarnaast in een aantal artikelen ieder onderscheid naar geslacht af. [10] Na enkele uitbreidingen zijn sinds 1990 45 staten lid van de Commissie, elk met een zittingsduur van drie jaar. In de periode 1990-1993 was Nederland lid van de CSW. Het werk van de CSW is in een aantal fasen te onderscheiden: allereerst begon de CSW met het ontwerpen van juridische instrumenten ter verbetering van de positie van vrouwen ("standard setting") en ontwikkelde zij de supervisietaken. Direct na de oprichting in 1946 is de Commissie met "standard setting" begonnen. Het eerste werk van de CSW lag op het terrein van de politieke participatie van de vrouw. In 1952 kwam het Verdrag inzake de Politieke Rechten van de Vrouw tot stand. Dit verdrag bepaalt dat vrouwen op voet van gelijkheid met mannen het recht hebben deel te nemen aan alle verkiezingen en het recht hebben om gekozen te worden en benoembaar te zijn in openbare functies. Vervolgens werd gewerkt aan de regeling van de nationaliteit van de gehuwde vrouw, waarover in 1957 een verdrag tot stand kwam.[11] Dit verdrag heeft tot doel vrouwen te beschermen tegen het verlies van hun nationaliteit als gevolg van het huwelijk met een man met een andere nationaliteit. In 1962 volgde een verdrag met betrekking tot de huwelijkstoestemming, de minimumleeftijd waarop een huwelijk kan worden aangegaan en de registratie van huwelijken.[12] Dit verdrag was een reactie van de CSW op de nadelige invloed die traditionele praktijken blijken te hebben op de positie van vrouwen. Op een parallel spoor kwam in 1951, mede op advies van de CSW, binnen de Internationale Arbeidsorganisatie een verdrag met betrekking tot gelijk loon voor mannen en vrouwen tot stand, later gevolgd door instrumenten met betrekking tot gelijk loon, pensioenen en sociale verzekeringen. [13] In de Unesco kwam in 1960 een verdrag met betrekking tot de bestrijding van discriminatie in het onderwijs tot stand.[14] In de periode 1965-1967 kwam, als reactie op de ontevredenheid over het geringe effect van de binnen de CSW tot stand gekomen verdragen, de Verklaring inzake de Uitbanning van Discriminatie jegens de Vrouw (DEDAW) tot stand. [15] Tijdens de onderhandelingen over de Verklaring waren er verschillen van mening ten aanzien van de vraag of de Verklaring een overzicht van fundamentele rechten zou moeten zijn, of de verplichtingen expliciet moesten verwijzen naar de rol van staten, alsmede ten aanzien van de reikwijdte van het document en van de rechten die daarin opgenomen zouden worden. Als bekroning op de wetgevende arbeid van de CSW kwam in 1979 het Vrouwenverdrag tot stand. [16] De Verklaring inzake de Uitbanning van Discriminatie jegens de Vrouw (DEDAW) is als de voorloper van het Vrouwenverdrag te beschouwen, maar er zijn op enkele punten ook interessante verschillen aan te wijzen. Zo geeft de DEDAW niet zo'n uitgebreide definitie van discriminatie als het Vrouwenverdrag, waardoor het Vrouwenverdrag een ruimere bescherming biedt. Ook zondert de DEDAW meer maatregelen uit, die als niet-discriminerend worden beschouwd. Deze zijn niet beperkt tot het moederschap maar omvatten ook de vrouw in haar fysieke hoedanigheid als vrouw. Op deze verschillen komen we bij de bespreking van de afzonderlijke verdragsartikelen van het Vrouwenverdrag (hoofdstuk 3) nader terug. Sinds de totstandkoming van het Vrouwenverdrag is door de CSW nog een aantal andere verklaringen tot stand gebracht: de Verklaring inzake de Bescherming van Vrouwen en Kinderen in Noodtoestand en Gewapend Conflict [17]; en, in samenwerking met de 3e Commissie van de Algemene Vergadering (Sociale en Humanitaire aangelegenheden), de Verklaring inzake de Participatie van Vrouwen in het Bevorderen van Internationale Vrede en Samenwerking. [18] In 1993 aanvaardde de Algemene Vergadering de Verklaring inzake de Uitbanning van Geweld tegen Vrouwen [19], waarbij de CSW met betrekking tot de formulering een hoofdrol speelde. De CSW heeft in het kader van een aantal verdragen en verklaringen een aantal supervisietaken gekregen. Het gaat dan met name om verdragen die tot stand zijn gekomen op initiatief van de CSW, en die zelf geen supervisiesysteem kennen, maar waarin in een rapportageprocedure aan de CSW is voorzien. De ervaringen met deze vorm van supervisie waren weinig hoopgevend, omdat aan de bijbehorende rapportageverplichtingen slechts ten dele, en zeer gebrekkig wordt voldaan door de verdragspartijen. Er is namelijk geen sprake van een formele supervisiebevoegdheid van de CSW, en de CSW lijkt zich weinig bewust van de potentiële mogelijkheden van dergelijke rapportageprocedures, die immers tot discussies van politiek belang uit kunnen groeien. Een supervisiebevoegdheid van de CSW is wel die van het kennis nemen van individuele klachten. [20] Lange tijd was dit onder invloed van de Koude Oorlog een bevoegdheid waarmee de CSW niet veel kon doen. In 1983 werd de procedure uitgebreid met de instelling van een werkgroep, bestaande uit vijf personen, die zich over de vertrouwelijke klachten kan buigen. Deze werkgroep van de CSW beoordeelt de klachten ("communications") aan de hand van de vraag of hieruit een "consistent pattern of reliably attested injustices and discriminatory practices against women" blijkt. Daarbij moet worden samengewerkt met de gespecialiseerde organisaties van de Verenigde Naties. De CSW kan naar aanleiding van het verslag van de werkgroep aanbevelingen doen aan de ECOSOC, die kan besluiten over stappen naar aanleiding van uit de klachten blijkende ontwikkelingen en trends. Tot aan de aanbevelingen die de CSW aan de ECOSOC kan doen is de procedure vertrouwelijk. Deze procedure vertoont veel gelijkenis met de Resolutie 1503-procedure van de Commissie voor de Rechten van de Mens, waarin grove en systematische schendingen van mensenrechten vertrouwelijk aan de orde kunnen worden gesteld. De CSW heeft aangegeven dat zij uitsluitend klachten met betrekking tot vrouwen behandelt, en dat gevallen van ongelijke behandeling in het algemeen (van mannen) niet ontvankelijk zijn, maar eventueel binnen de procedure van de Commissie voor de Rechten van de Mens zouden kunnen vallen. Het gaat, met andere woorden, in de ogen van de CSW niet om een algemene "gelijke-behandelingsprocedure", maar om discriminatie van vrouwen. |