| 2.1.4 De totstandkoming van
het Vrouwenverdrag In 1972 verzocht de CSW de secretaris-generaal van de Verenigde Naties om de lidstaten naar hun mening te vragen over aard en inhoud van een nieuw, alomvattend instrument, gericht op de verbetering van de positie van de vrouw. [23] Ontevredenheid over de lauwe ontvangst van de DEDAW, alsmede het feit dat de implementatie van de Verklaring en de rapportage daarover aan de CSW op basis van vrijwilligheid (en dus slechts mondjesmaat) gebeurde, liggen aan de basis van de ontwikkeling van het Vrouwenverdrag. Het voorbereidende werk in het proces van internationaalrechtelijke vastlegging van de rechten van de vrouw gebeurde in de CSW. [24] Tussen de aanvaarding van de Verklaring (1967) en de aanvaarding van het Vrouwenverdrag (1980) ligt uiteindelijk een periode van 13 jaar , waarin een aantal obstakels met betrekking tot het Verdrag moest worden overwonnen. De groep Oost-Europese landen nam het initiatief voor de formulering van een verbindend document waarin de implementatie van rechten gekoppeld zou moeten worden aan supervisie door de CSW. Westerse landen waren bang dat een verdrag de aandacht van de andere mensenrechtenverdragen af zou leiden, terwijl andere juist meenden dat de traditionele CSW-aanpak van verdragen op deelterreinen voldeed. Ook was er bezorgdheid over een eventuele overlap tussen een dergelijk alomvattend verdrag en de activiteiten van bijvoorbeeld de Internationale Arbeidsorganisatie op deelterreinen. In 1974 kon de CSW beginnen aan een ontwerpverdrag op basis van de reacties die ze van regeringen had gekregen, om in 1976 een afgerond ontwerp te presenteren. Via de CSW en de ECOSOC kwam dit ontwerp in het najaar van 1977 op de 32e zitting van de Algemene Vergadering aan de orde. [25] De Algemene Vergadering droeg het ontwerpverdrag ter behandeling over aan de Derde Commissie. Tijdens de 32e, 33e en 34e zitting van de Algemene Vergadering (1977-1979), stelde de Derde Commissie een aparte werkgroep in om het ontwerp te bespreken. In 1977 en 1978 werd het inhoudelijke gedeelte besproken, in 1979 kwamen vooral de artikelen aan de orde, die betrekking hadden op het implementatiesysteem van het Verdrag. [26] Gekozen werd voor een systeem dat grotendeels is gebaseerd op dat van het Verdrag tegen Rassendiscriminatie.[27] Voor het opnemen van een statenklachtrecht en een individueel klachtrecht, zoals het Rassenverdrag die kent, kon op dat moment echter niet voldoende steun worden gevonden. De behandeling van het rapport van de werkgroep in de Derde Commissie in 1979 werd door velen met bezorgdheid tegemoet gezien. Enkele delegaties hadden al aangekondigd dat zij het hele ontwerp opnieuw aan de lidstaten wilden voorleggen voor commentaar; enkele andere, met name uit Islamitische landen, wilden een groot aantal amendementen indienen. In beide gevallen zou het moeizaam tot stand gekomen ontwerp opengebroken worden, wat het uiteindelijke resultaat zeker niet gunstig zou beïnvloeden. De Marokkaanse gedelegeerde diende een vijftal amendementen in die beoogden het Verdrag op enkele punten fundamenteel te wijzigen. Tot verrassing van velen werden de meest vergaande Marokkaanse voorstellen met overgrote meerderheid van stemmen verworpen. Ook een voorstel van Mexico om de hele verdragstekst nogmaals aan de lidstaten voor te leggen met het verzoek commentaar te leveren, dat vervolgens tijdens de 35e Algemene Vergadering besproken zou worden, haalde geen meerderheid. Vervolgens kon het hele Verdrag door de Derde Commissie worden aanvaard. De Algemene Vergadering aanvaardde het Verdrag daarna op 18 december 1979 met 130 stemmen vóór, geen tegen en 10 onthoudingen. Tot de onthouders behoorden een aantal Latijns-Amerikaanse en Arabische landen. [28] De resolutie waarbij het Vrouwenverdrag werd aanvaard, was opgesteld door de Nederlandse delegatie. Ook in andere stadia van de voorbereiding van het Verdrag heeft Nederland een rol gespeeld in de formulering van de inhoud. Dit gebeurde vooral in de vorm van regeringscommentaren, door middel van voorstellen tot aanvulling of wijziging van teksten en door verklaringen van regeringsvertegenwoordigers in vergaderingen van de Verenigde Naties, met name in de Derde Commissie van de Algemene Vergadering. [29] Op 17 juli 1980 ondertekende het Koninkrijk dit Verdrag, maar de Rijkswet tot Goedkeuring van het Verdrag bereikte het Staatsblad pas op 3 juli 1991, om redenen die in hoofdstuk 4 nader aan de orde komen. [30] De ratificatie vond plaats in New York op 23 juli 1991, waarna het Verdrag zonder enig voorbehoud op 22 augustus 1991 voor het Koninkrijk in werking trad. [31] |