| 2.2.1 Het toezichthoudende
Comité (CEDAW) In het oorspronkelijke ontwerpverdrag was voorzien dat de CSW met de supervisie belast zou worden. Voor een deel werd dit ingegeven door de op dat moment gevoerde discussie met betrekking tot de eventuele opheffing van CSW. Een concrete taak in het kader van het nieuwe verdrag zou die opheffing onwenselijk maken. De Oost-Europese landen waren voorstander van de CSW in de rol die zij op dat moment had, terwijl de Westerse landen huiverig waren voor de kwaliteit van de supervisie als die in handen zou komen van een politiek orgaan, zoals de CSW dat is. Andere vragen die in dat stadium van de discussie een rol speelden, waren of er een mogelijkheid voor individuele klachten zou moeten zijn, en of informatie van NGO's ontvangen zou kunnen worden. De CSW stelde voor om het supervisiemechanisme op te zetten onder de eigen paraplu, maar dit plan werd niet aanvaard in de Algemene Vergadering, die koos voor een model gelijkend op dat van andere VN-verdragen op het gebied van de rechten van de mens. Een commissie van onafhankelijke deskundigen zou toezicht houden, het Committee on the Elimination of Discrimination, in de wandeling CEDAW genaamd. Formeel heeft de CSW geen bemoeienis met de uitvoering van het Verdrag, maar in de praktijk is er wel sprake van informatie-uitwisseling tussen de CSW en het CEDAW. De voorstellen met betrekking tot een individueel klachtrecht en de rol van NGO's haalden het niet vanwege de oppositie van de Oost-Europese landen en de ontwikkelingslanden. Deze discussie over het individueel klachtrecht zou pas midden jaren negentig weer opgepakt worden; in de praktijk neemt het CEDAW thans kennis van de NGO-rapporten (schaduwrapporten). De artt. 17-22 Vrouwenverdrag handelen over de positie van het toezichthoudende Comité CEDAW. Het CEDAW is samengesteld uit 23 "deskundigen van hoog zedelijk aanzien en uitzonderlijke bekwaamheid op het terrein dat door het Verdrag wordt bestreken". [32] De leden zijn onafhankelijke deskundigen, en hebben een zittingstermijn van vier jaar. Tweejaarlijks kiest de vergadering van verdragspartijen de helft van de leden van het CEDAW op basis van een door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties samengestelde lijst met kandidaten. Bij de samenstelling van het CEDAW wordt rekening gehouden met de regionale representatie, zoals dat binnen de Verenigde Naties gebruikelijk is. Tot op heden heeft slechts één man zitting gehad in het CEDAW, hoewel er vaker mannen kandidaat gesteld zijn. De achtergrond van de CEDAW-leden is divers; op dit moment hebben journalistes, artsen, sociaal werksters en diplomaten zitting en zijn de juristen in de minderheid. Op zich lijkt dit recht te doen aan het brede bereik van het Vrouwenverdrag, aan de andere kant ontbeert het CEDAW daardoor expertise op het terrein van de mensenrechten en de juridische aspecten van de naleving van het Verdrag. In geval van tussentijds aftreden van een lid van het CEDAW wordt de nationale staat van dat lid geacht een nieuw lid te leveren. Op basis van artikel 20 lid 1 Vrouwenverdrag komt het CEDAW ten hoogste twee weken per jaar bijeen, aanvankelijk afwisselend in Wenen en New York, en sinds 1993 alleen in New York. Vergeleken met de toezichthoudende organen bij andere mensenrechtenverdragen heeft het CEDAW zeer weinig tijd ter beschikking voor haar werkzaamheden. Bij een reguliere zitting van twee weken heeft het Comité gemiddeld de tijd om acht tot tien rapporten onder handen te nemen. Niet alleen doet dit twijfel rijzen over de grondigheid waarmee het CEDAW te werk kan gaan, de korte sessie betekent ook een achterstand in de behandeling van rapporten. Om tegemoet te komen aan het probleem van de korte tijd die het CEDAW heeft voor de behandeling van de rapporten is er inmiddels een voorbereidende werkgroep geformeerd. Haar werk berust echter op een jaarlijks te aanvaarden resolutie van de Algemene Vergadering, welke aanvaarding zeker niet vanzelfsprekend is voor alle leden van de Verenigde Naties. Midden jaren tachtig is door Australië in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de wenselijkheid van het amenderen van artikel 20 lid 1 van het Vrouwenverdrag aan de orde gesteld om de duur van de zitting te verlengen, maar over dit onderwerp zijn tot op heden geen beslissingen genomen. Een ander probleem is dat verdragspartijen niet altijd op tijd rapporteren. In Aanbeveling 7 worden zij erop geattendeerd dat de rapporten geruime tijd voor aanvang van de sessie bij het Secretariaat binnen moeten zijn, opdat deze vertaald kunnen worden in de officiële talen van de Verenigde Naties en gedistribueerd kunnen worden aan de leden van het CEDAW. Als reactie op de eigen moeilijke positie stelde het CEDAW bovendien [33] dat de staten de nodige en mogelijke stappen dienen te nemen om te verzekeren dat adequate middelen en diensten ter beschikking van het CEDAW staan, zodat dit haar functies onder het Verdrag kan uitoefenen. Het CEDAW stelt haar eigen procedureregels vast. De ambtelijke ondersteuning van het CEDAW berust bij de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en namens deze bij de Division for the Advancement of Women, onderdeel van het Centre for Social Development and Humanitarian Affairs, dat in 1993 van Wenen naar New York is verhuisd. Een veelgehoord bezwaar tegen het onderbrengen van het secretariaat bij deze Division is, dat het CEDAW hierdoor nauwelijks toegang heeft tot de juridische expertise van het Centre for Human Rights in Genève, dat het secretariaat voert voor andere mensenrechtenverdragen. Inmiddels worden pogingen ondernomen om door middel van samenwerking met het Centre for Human Rights deze lacune op te vangen. Via de Economische en Sociale Raad (ECOSOC) stuurt het CEDAW een verslag van haar werkzaamheden aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waar het in de Derde Commissie (Social and Humanitarian Affairs) wordt besproken. Dit verslag bevat eveneens een overzicht van de nog niet ontvangen, achterstallige rapporten. Dit aantal neemt toe, en deze achterstand is een probleem waar het CEDAW, net als de andere supervisie-organen, weinig meer aan kan doen dan het publiceren van de namen van de nalatige staten. Het verslag wordt in de Algemene Vergadering aanvaard door middel van een resolutie. In deze resolutie spreekt de Algemene Vergadering zich soms ook in inhoudelijke zin uit over het door het CEDAW gevoerde beleid. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties is verantwoordelijk voor de doorgeleiding van het rapport van het CEDAW aan de CSW. |