Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


3 SCHETS VAN HET VROUWENVERDRAG

3.1 Algemene kenschets

Het Vrouwenverdrag (1979) hanteert een ruim discriminatiebegrip en heeft een brede programmatische opzet. Het verdrag houdt zich specifiek bezig met de discriminatie van vrouwen. Het beperkt zich niet tot de publieke sfeer, maar strekt zich ook uit tot de privé-verhoudingen. Het Vrouwenverdrag bevat een groot aantal materiële bepalingen die, thematisch geordend, een breed scala van maatschappelijke terreinen en verhoudingen in de privé-sfeer bestrijken. Het Verdrag richt zich in de eerste plaats tot de wetgever en de overheid, van wie een actief beleid ter verbetering van de positie van vrouwen verwacht wordt. Het verdrag bevat abstract aandoende bepalingen, maar is soms ook zo concreet dat het een directe invloed heeft op het rechtsstelsel van de lidstaten en het de rechtsaanspraken beïnvloedt van individuele burgers. Het Verdrag is niet op alle plaatsen een toonbeeld van juridische systematiek. De oorzaak daarvan ligt in de ontstaanswijze, die met zich meebrengt dat het Vrouwenverdrag, zoals vele VN-verdragen, in verschillende organen van de Verenigde Naties aan de orde is geweest.

In de preambule worden de uitgangspunten van het Verdrag geformuleerd. Onder erkenning van het feit dat in tal van internationale regelingen algemene discriminatieverboden zijn opgenomen, wordt vastgesteld dat dit niet heeft afgedaan aan de nog immer wijdverbreide vrouwendiscriminatie. Van belang in de preambule is de verwijzing naar de noodzaak de traditionele rollen van mannen en vrouwen te veranderen, en de daarmee samenhangende erkenning van het maatschappelijk belang van het moederschap en van de rol van ouders bij de opvoeding. Het streven naar de uitbanning van vrouwendiscriminatie wordt in de preambule gekoppeld aan de Nieuwe Internationale Economische Orde, de uitbanning van apartheid en de internationale vrede en veiligheid. Dit was indertijd tegen de wens van de meeste westerse landen, die van mening waren dat deze politiek getinte paragrafen niet thuishoren in een verdrag dat tot doel heeft de discriminatie van de vrouw uit te bannen. De preambule is op zichzelf overigens niet verbindend, en ze moet, zoals die van elk verdrag, gelezen worden in het licht van de tijdgeest. De strekking van de preambule is regelmatig ter sprake geweest tijdens de parlementaire behandeling. [47]

Het Vrouwenverdrag zelf bestaat uit zes delen, waarvan de eerste vier de materiële bepalingen bevatten: de algemene bepalingen (discriminatiebegrip, de verplichtingen van de staten), de politieke en burgerrechten (participatie), de sociale en economische rechten (onderwijs en vorming, arbeid, gezondheid, sociale, culturele en economische rechten, positie plattelandsvrouwen) en de overige rechten. Het vijfde deel handelt over het supervisiemechanisme en het toezichthoudend Comité (CEDAW), terwijl in het laatste deel de slotbepalingen aan de orde komen, die de formele status van het Verdrag regelen te midden van de andere mensenrechtenverdragen.