| 3.14 Plattelandsvrouwen Artikel 14 handelt over de rechten van vrouwen in plattelandsgebieden. Het artikel onderstreept allereerst dat verdragspartijen de speciale taak hebben om te verzekeren dat vrouwen op het platteland van de hen in het Vrouwenverdrag toegekende rechten gebruik kunnen maken. In het tweede lid wordt een aantal rechten genoemd, die erop gericht zijn vrouwen op basis van gelijkheid deel te laten nemen aan de ontwikkeling van het platteland. Derhalve hebben ze recht op deelname aan ontwikkelingsplannen, op gezondheidszorg en informatie over geboorteregeling, op sociale zekerheid, op onderwijs en opleiding, en in het bijzonder op alfabetiseringsonderwijs. Bovendien hebben vrouwen recht op het oprichten van zelfhulpgroepen en samenwerkingsverbanden om in gelijkwaardigheid met mannen economische activiteiten te ontwikkelen en arbeid in dienstverband dan wel voor eigen rekening te verrichten. Vrouwen moeten kunnen deelnemen aan gemeenschapsactiviteiten en dienen toegang te hebben tot landbouwkredieten, landbouwtechnologie, afzetfaciliteiten en moeten op basis van gelijkwaardigheid met mannen betrokken zijn bij landbouwhervormingen. Ten slotte hebben vrouwen recht op behoorlijke levensomstandigheden, ten aanzien waarvan het Verdrag met name ingaat op praktische voorzieningen als de beschikbaarheid van elektriciteit en water. Algemeen is men van oordeel dat dit artikel uitsluitend in het Vrouwenverdrag terecht is gekomen onder druk van de derdewereldlanden, een vergelijkbare bepaling stond namelijk niet in de DEDAW. Artikel 14 is in elk geval in een tweetal opzichten innovatief: er wordt uitdrukkelijk aandacht besteed aan het feit dat de rechten van vrouwen in ontwikkelingslanden specifieke bescherming behoeven. Opmerkelijker nog is de uitdrukkelijke verwijzing naar onbetaalde arbeid in de eerste volzin van het artikel.[107] Daarin wordt verwezen naar "de belangrijke rol die vrouwen spelen bij het economische voortbestaan van hun gezin, met inbegrip van de niet door geld beheerste sectoren van de economie...". Hoewel aan deze formulering weinig positiefrechtelijke consequenties te verbinden zijn, is het opnemen als zodanig een internationale erkenning van de relevantie van onbetaalde arbeid. Aangetekend moet worden dat dit overigens slechts de onbetaalde arbeid van vrouwen in plattelandsgebieden betreft. ILO-verdrag 140, dat handelt over scholings- en vormingsverlof, geeft in artikel 9 aan dat bijzondere regelingen kunnen worden getroffen ten aanzien van werknemers die op het platteland werkzaam zijn en die moeilijkheden ondervinden bij de gebruikmaking van de algemene regelingen. Dit is een verbijzondering van de regeling in artikel 14 lid 2d Vrouwenverdrag. Dit geeft plattelandsvrouwen het recht om zowel officiële als inofficiële opleidingen en vorming te ontvangen. Deze mogelijkheid dient door de staat gegarandeerd te worden. Algemene Aanbeveling 16 (1991) van het CEDAW gaat over vrouwen die op het platteland en in de stad onbetaald werk verrichten in familiebedrijven. Het CEDAW dringt er in deze Aanbeveling bij de verdragspartijen op aan om meer informatie te geven over de situatie van deze vrouwen en om statistische gegevens te verzamelen en deze gegevens op te nemen in hun rapportages aan het CEDAW. In de reeds genoemde Aanbeveling 17 (1991) wordt gesteld dat het onbetaald huishoudelijk werk van vrouwen bijdraagt aan de ontwikkeling van ieder land. Het CEDAW dringt er dan ook bij de verdragspartijen op aan om deze activiteiten te meten en te kwantificeren, teneinde de economische rol die vrouwen de facto spelen op te waarderen en zichtbaar te maken. |