Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


3.18 Internationale en nationale rechtsorde, slotbepalingen

De artikelen 17-22 regelen de specifieke bevoegdheden en samenstelling van het CEDAW. Zij werden reeds besproken in het vorige hoofdstuk, bij de supervisiebevoegdheden van het CEDAW.

De slotartikelen regelen de plaats van het Vrouwenverdrag temidden van de andere verdragen. Art. 23 stelt dat in geval van conflict tussen andere verdragsbepalingen en het Vrouwenverdrag, de beste regeling voorgaat. Het Vrouwenverdrag doet geen afbreuk aan andere regelgeving die in sterkere mate bijdraagt aan de verwezenlijking van gelijkheid. Het belang van deze bepaling is dat het Verdrag hiermee aanhaakt bij het bestaande mensenrechtensysteem en het Vrouwenverdrag positioneert als onderdeel daarvan. Bovendien is deze regel een aanwijzing om vooral ook acht te slaan op andere normen die bijdragen aan het bereiken van het doel van het Vrouwenverdrag, die directer tot verbeteringen leiden. Concreet betekent het een verwijzing naar IVBPR en IVESCR, EVRM, ESH, ILO en de gelijke-behandelingsregelgeving in EG-verband, en de daarbij behorende jurisprudentie.

Art. 24 legt de verplichtingen van de staten tegenover elkaar vast om te komen tot verwezenlijking van het Verdrag en is daardoor een versterking van de artikelen 2 en 3 die verplichten tot passende maatregelen en een actief beleid voorschrijven. Art. 25, 26 en 27 regelen de bekrachtiging, herziening en inwerkingtreding van het Verdrag. Artikel 28 bevat de regeling van de voorbehouden, die zowel bij de totstandkoming en ondertekening van het Verdrag een grote rol hebben gespeeld. Het Vrouwenverdrag is ondergeschikt aan regels van verdragsrecht die traditioneel de verdragsluitende partijen veel vrijheid laten. Dit tekent zich het duidelijkst af bij de regeling omtrent voorbehouden in artikel 28 lid 2.[113] Hoewel het Verdrag zich mag verheugen in een opmerkelijk groot aantal ratificaties, is daarmee niet gezegd dat de verdragspartijen de intentie hebben het Verdrag naar letter en geest uit te voeren.[114]

De voorbehouden zijn de prijs geweest die voor de vele ratificaties betaald moest worden. Negenentwintig staten hebben laten weten dat zij zich, met uitzondering van een aantal uitdrukkelijk vermelde materiële bepalingen, aan het Verdrag gebonden zullen achten. Dit is op grond van artikel 28 lid 2 toegestaan, zolang de voorbehouden zich niet keren tegen doel en strekking van het Verdrag. Deze regel moet zo uitgelegd worden dat het verboden is voorbehouden te maken bij essentiële bepalingen, terwijl voorbehouden op ondergeschikte punten wel toegelaten zijn. Artikel 28 lid 2 is een niet-gesanctioneerd verbod, anders dan de overige verdragspartijen is er geen instantie die zich een oordeel over de toelaatbaarheid van een voorbehoud mag aanmeten.[115] Dat heeft ertoe geleid dat er een aantal hoogst dubieuze voorbehouden is gemaakt en aanvaard, waartegen slechts weinig andere staten bezwaar hebben gemaakt. In Aanbeveling 4 heeft het CEDAW zijn verontrusting uitgesproken over het veelvuldig gebruik van voorbehouden en verwelkomt zij de beslissing van verdragspartijen dit ter sprake te brengen.[116] Het gesprek waar in Aanbeveling 4 naar verwezen werd, heeft plaatsgevonden, doch heeft weinig effect gehad. Slechts zeer weinig staten bleken bereid hun voorbehouden in te trekken. Bij de parlementaire behandeling in Nederland hebben voorbehouden aanvankelijk een grote rol gespeeld, maar uiteindelijk heeft Nederland het Verdrag toch zonder voorbehouden ondertekend. Wij komen daarop terug bij de parlementaire geschiedenis in hoofdstuk 4.