Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


3.2 Het discriminatiebegrip van het Vrouwenverdrag

3.2.1 Inhoud en reikwijdte

Het Vrouwenverdrag opent in artikel 1 met de definitie van vrouwendiscriminatie:

"Elke vorm van onderscheid, uitsluiting of beperking op grond van geslacht, die tot gevolg of tot doel heeft de erkenning, het genot of de uitoefening door vrouwen van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel gebied, op het terrein van de burgerrechten of welk ander gebied dan ook, ongeacht hun huwelijkse staat, op grondslag van gelijkheid van mannen en vrouwen aan te tasten of te niet te doen".

De definitie van vrouwendiscriminatie is geďnspireerd op artikel 1 van het Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Rassendiscriminatie [48], dat luidt:

"In dit Verdrag wordt onder "rassendiscriminatie" verstaan elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur op grond van ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming, die ten doel heeft de erkenning, het genot of de uitoefening, op voet van gelijkheid, van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel gebied, of op andere terreinen van het openbare leven, teniet te doen of aan te tasten dan wel de tenietdoening of aantasting daarvan ten gevolge heeft."

Ook deze omschrijving is niet nieuw: het discriminatiebegrip in het Rassenverdrag was weer ontleend aan nog oudere verdragen. Als beide definities naast elkaar gelegd worden, dan valt op dat het Rassendiscriminatieverdrag ook "voorkeur" tot discriminatie bestempelt waar dit in het Vrouwenverdrag ontbreekt. Dit wordt in het Vrouwenverdrag gecompenseerd door de formulering "tot gevolg of tot doel heeft". Een ander verschil tussen de verdragen is de beperking die schuilt in "andere terreinen van het openbare leven" in het Rassenverdrag, terwijl het Vrouwenverdrag op dat punt een bredere werkingssfeer poneert in de zinsnede "welk ander gebied dan ook". [49] Uit deze formulering volgt dat het Verdrag niet slechts geldt voor de publieke sfeer, doch dat de werkingssfeer zich eveneens uitstrekt tot de privé-verhoudingen.

Een discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 1 jo. artikel 2 van het Vrouwenverdrag is voorts te vinden in de artikelen 2, 3 en 26 Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPR). Art. 26 IVBPR luidt:

"Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard dan ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status."

In de artikelen 2 en 3 IVBPR is de reikwijdte van de plicht tot het verzekeren en eerbiedigen van rechten zonder onderscheid naar geslacht beperkt tot de in het Verdrag erkende rechten, terwijl de definitie van vrouwendiscriminatie in artikel 1 Vrouwenverdrag een onbeperkt bereik heeft. Artikel 26 IVBPR verbiedt echter discriminatie op grond van geslacht in zijn algemeenheid, terwijl het Vrouwenverdrag het discriminatieverbod beperkt tot vrouwen. Concreet betekent het, dat de aanspraakgerechtigden van artikel 1 Vrouwenverdrag en artikel 26 IVBPR niet dezelfden zijn. Artikel 1 van het Vrouwenverdrag is uitgebreider in het definiëren van discriminatie, terwijl artikel 26 IVBPR stelt dat "discriminatie van welke aard ook" verboden is. Artikel 26 IVBPR verbiedt niet alleen discriminatie, maar voegt daar aan toe dat "gelijke en doelmatige bescherming" gegarandeerd wordt. Die garantie is niet in artikel 1 Vrouwenverdrag opgenomen, maar is wčl terug te vinden in artikel 2c van het Vrouwenverdrag.

Het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM geldt, net als het discriminatieverbod van de desbetreffende artikelen 2 en 3 IVBPR, voor de rechten erkend in het Verdrag. Het IVBPR kent, zoals gezegd, echter ook een algemeen discriminatiebeginsel, dat is neergelegd in artikel 26. In het EVRM ontbreekt een dergelijk artikel, zodat er op Europees niveau een algemeen discriminatiebeginsel ontbreekt. In verband met artikel 1 dient de later tot stand gekomen Aanbeveling 19 van het CEDAW te worden genoemd. [50] In deze aanbeveling stelt het CEDAW dat de definitie van artikel 1 ook "gender-based violence" omvat. Geweld tegen vrouwen kan dus een inbreuk opleveren van specifieke bepalingen die in het Vrouwenverdrag zijn genoemd, ongeacht of in deze bepalingen expliciet het woord "geweld" genoemd wordt. [51]