| 3.2.2 Materiële
rechtsgelijkheid Het discriminatieconcept is de kern van het Vrouwenverdrag. In zowel de internationale als de nationale literatuur wordt gesteld dat het discriminatiebegrip van het Verdrag een ruime strekking heeft. De eerste vraag die rijst is, of artikel 1 een formele dan wel een materiële gelijkheid beoogt te realiseren. Een formele gelijkheidsbenadering houdt in dat gelijke gevallen (mannen en vrouwen) gelijk behandeld moeten worden. Een materiële gelijkheidsbenadering wil dat daarnaast ook ongelijke gevallen ongelijk behandeld worden naar de mate van hun ongelijkheid. Met andere woorden: het materiële gelijkheidsbeginsel vraagt dat op een positieve wijze recht wordt gedaan aan verschillen tussen (groepen) mensen, dat deze verschillen worden onderkend en niet genegeerd. Het belang van een materiële benadering is gelegen in het feit dat de norm waarnaar de behandeling plaatsvindt niet zonder meer "de man" is, maar dat deze norm ter discussie wordt gesteld. Als voorbeeld kan dienen het recht op arbeid, dat pas in materiële zin gelijk is voor vrouwen en mannen als daarin wordt verdisconteerd dat werknemers ook zorgtaken hebben. Een gelijke verwerkelijking van het recht op arbeid betekent dan ook dat niet langer de mannelijke standaard van de voltijdwerker tot uitgangspunt wordt genomen, maar dat de mogelijkheid van het combineren van betaaalde arbeid en zorg centraal staat. Het is aan de hand van de Travaux Préparatoires niet met zekerheid vast te stellen of de opstellers nu een formele of materiële gelijkheidsbenadering voor ogen heeft gestaan. Er is niet expliciet over gesproken. In de literatuur wordt het antwoord onder meer gevonden door de definitiebepaling te lezen in samenhang met de overige bepalingen van het verdrag. Het grootste deel daarvan lijkt zich te beperken tot formele gelijkheid door de keus voor formuleringen als "op gelijke voet met mannen" en "dezelfde rechten", maar de verdragstekst beweegt zich ook op een belangrijk aantal punten in de richting van een materiële gelijkheidsbenadering. Het duidelijkste voorbeeld daarvan zijn de bepalingen die eisen dat rekening wordt gehouden met het biologisch moederschap, zoals artikel 11, tweede lid, sub b. In artikel 4, tweede lid, wordt uitdrukkelijk bepaald dat moederschaps-regelingen als niet-discriminerend moeten worden beschouwd. Wat de niet-bio-logische aspecten van het moederschap betreft kan worden gewezen op de artikelen 5 en 10 sub c, die gericht zijn op de verandering van sociale en culturele gedragspatronen en op het uitbannen van stereotiepe opvattingen en rolpatronen. Voorts wordt in artikel 14 de staten opgedragen rekening te houden met de bijzondere problemen waarvoor vrouwen op het platteland worden gesteld en in artikel 10 sub f wordt bepaald dat gestreefd moet worden naar specifieke programma's voor meisjes en vrouwen die voortijdig de school hebben verlaten. Tot slot kan het toestaan van positieve actie, dan wel voorkeursbehandeling in artikel 4, eerste lid, worden gezien als een uitvloeisel van een streven naar materiële gelijkheid. [52] Al deze artikelen wijzen op een materiële gelijkheidsbenadering. Los van deze concrete bepalingen is ook meer algemeen de opvatting in de literatuur dat, gezien de discussies die zich in het kader van het Vrouwenverdrag hebben afgespeeld omtrent het begrip "gelijkheid", aangenomen moet worden dat materiële gelijke behandeling wordt beoogd. [53] De consensus ten aanzien van het feit dat het verdrag uitgaat van een materiële gelijkheidsbenadering is van grote betekenis. Het Vrouwenverdrag behelst daarom niet alleen de minimumverplichting mannen en vrouwen formeel gelijk te behandelen, maar tevens de maximumverplichting materiële gelijkheid te bereiken. |