Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


3.2.5 Rechtvaardigingsgronden

Betekent de consensus over de ruime strekking van het discriminatiebegrip nu ook dat het Verdrag in het geheel geen uitzonderingen of rechtvaardigingen voor discriminatie toelaat? Dat lijkt een vergaande conclusie die niet strookt met de uitleg van discriminatieverboden uit andere internationale verdragen. Zowel onder artikel 26 IVBPR als artikel 14 EVRM wordt beoordeeld of een gemaakt onderscheid berust op "objectieve en redelijke gronden". Het EHRM vult dit iets verder in door te eisen dat het onderscheid een "legitimate aim" moet nastreven en dat er een "reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised" moet bestaan. Het is aannemelijk dat dat ook voor het discriminatieverbod uit artikel 1 van het Vrouwenverdrag van toepassing is.

In de Nederlandse gelijkheidsdoctrine, zoals deze is ontwikkeld op basis van het EG-recht, is de mogelijkheid tot het maken van uitzonderingen of rechtvaardigingen voor discriminatie (of onderscheid) gerelateerd aan de vraag of er sprake is van directe of indirecte discriminatie. Onder directe discriminatie verstaat het EG-recht discriminatie op grond van een kenmerk dat onverbrekelijk met de sekse is verbonden. Directe discriminatie kent slechts enkele met name genoemde, en bij de wet vastgelegde uitzonderingen (moederschap, voorkeursbeleid en geslachtsbepaaldheid). Onder indirecte discriminatie wordt in het EG-recht verstaan discriminatie op grond van een neutraal kenmerk dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft. Deze vorm van discriminatie kan ingevolge de EG-doctrine objectief gerechtvaardigd worden. Aangevoerde objectieve rechtvaardigingsgronden zijn echter aan criteria gebonden: de ter bereiking van het doel gekozen middelen dienen te beantwoorden aan een werkelijke behoefte en dienen geschikt en noodzakelijk te zijn om dat doel te bereiken. [58] Dit discriminatieconcept is in Nederland gepositiveerd in gelijke-behandelingswetten als de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid (WGB) [59] en de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). [60]

Het Vrouwenverdrag kent geen vergelijkbare systematiek van uitzonderingen of rechtvaardigingsgronden. Evenmin is in de Travaux Préparatoires van het Vrouwenverdrag terug te vinden of de opstellers van het Vrouwenverdrag voor ogen heeft gestaan niet alleen directe, maar ook indirecte discriminatie te verbieden. Gelet echter op de inspiratie die is geput uit het Rassenverdrag ligt het voor de hand om, net als in dat verdrag, indirecte discriminatie begrepen te achten in het discriminatieconcept. Dit spoort ook met de opvattingen in de internationale literatuur. [61] Voorts kan, gezien de reikwijdte en strekking van het Vrouwenverdrag (verbetering van de positie van vrouwen), verdedigd worden dat ieder onderscheid, en iedere uitsluiting of beperking van rechten van vrouwen als "verdacht" beschouwd moet worden en dus strikt dient te worden getoetst. [62]

De visie van de Nederlandse regering op het discriminatieconcept uit het Vrouwenverdrag komt in hoofdstuk 4 aan de orde.