| 3.3 Verplichtingen van de
overheid: passend, actief en dynamisch Het Vrouwenverdrag eist van de statenleden dat zij passende maatregelen nemen ter verwezenlijking van het Vrouwenverdrag. Passend in de zin van toegesneden op de positie van de vrouwen in het betrokken land. Voorts vraagt het Verdrag dat de staten een actief beleid voeren om te voldoen aan de vereisten van het Verdrag en dat dit beleid in overeenstemming is met de omstandigheden zoals die zich ontwikkelen. 3.3.1 Passende maatregelen In artikel 2 veroordelen staten vrouwendiscriminatie en komen ze overeen onverwijld en met alle passende middelen een beleid te ontwikkelen ter uitbanning daarvan. Deze bepaling houdt de verplichting tot wetgevende arbeid en aanpassing van beleid in: het gelijkheidsbeginsel dient in de Grondwet of in andere geëigende wetgeving te worden opgenomen, er dient anti-discriminatiewetgeving te komen, gelijke wettelijke bescherming van man en vrouw moet worden geregeld, bestaande discriminatoire wetgeving en beleid moeten worden gewijzigd en ook moet onderscheid in de strafwetgeving worden afgeschaft. Daarnaast is er een verplichting beleid te voeren: de staat moet zich onthouden van discriminatie en dient maatregelen te nemen, opdat ook discriminatie door personen, organisaties en ondernemingen uitgebannen wordt.[63] Artikel 2 bevat tezamen met art. 3 de kern van de verplichtingen uit het Vrouwenverdrag: een scala aan maatregelen, noodzakelijk voor het bestrijden van de in artikel 1 gedefinieerde vrouwendiscriminatie. De in artikel 2 lid e opgenomen verplichting discriminatie door privé-personen te bestrijden, raakt direct aan de horizontale aspiraties van het Vrouwenverdrag. [64] Ook artikel 2 lid 2 IVBPR gebiedt de staat om alle passende (wettelijke) maatregelen te nemen om de in het Verdrag erkende rechten tot gelding te brengen. Daarnaast zijn staten verplicht om de bescherming van rechten te verzekeren door een effectief nationaal rechtsmiddel in te stellen, volgens artikel 2 lid 3 IVBPR. Het EVRM dwingt niet expliciet tot een anti-discriminatiebeleid of tot aanpassing van de wetgeving. De verplichting daartoe blijkt echter impliciet uit de afdwingbaarheid van de rechten bij de nationale rechter, en bij de Straatsburgse instanties.[65] In Algemene Aanbeveling 12 [66] geeft het CEDAW aan dat de artikelen 2, 5, 11 en 12 Vrouwenverdrag de vrouw ook beschermen tegen geweld, en beveelt het CEDAW de staten aan om in hun rapportage informatie te geven over de wetgeving en andere maatregelen die de vrouw tegen geweld in het alledaagse leven beschermen, en over het bestaan van opvangmogelijkheden voor vrouwen die slachtoffer van geweld of misbruik zijn geworden. Ook verwacht het CEDAW statistische gegevens van de lidstaten over het voorkomen van geweld. Voor de beleidsvoorbereiding en -uitvoering is van belang de Algemene Aanbeveling 6, waarin het CEDAW nadere adviezen geeft aan de verdragspartijen hoe de gestelde doelen te bereiken. Er dienen publieke instellingen ("a national machinery") in het leven te worden geroepen, die onder meer tot taak hebben:
|