Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


3.5 Rolpatronen en stereotypen

De verdragspartijen spreken in het eerste lid van artikel 5 af om alle passende maatregelen te nemen ter uitbanning van vooroordelen, gewoonten en stereotypen. Het tweede lid van artikel 5 houdt de verplichting in om in het onderwijs aandacht te geven aan moederschap als sociale functie en aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid van man en vrouw voor het opvoeden van hun kinderen. In de preambule van het Vrouwenverdrag en in artikel 3 DEDAW (de Declaratie die voorafging aan het Vrouwenverdrag, zie hoofdstuk 2) was al eerder aandacht besteed aan de noodzaak tot uitbanning van stereotypen. Artikel 5 is echter ruimer geformuleerd in die zin, dat het als doel heeft het veranderen van sociale en culturele gedragspatronen, terwijl artikel 3 DEDAW sprak over het opvoeden van de publieke opinie en het richten van de nationale aspiraties op de uitbanning van vooroordelen.[73]

Artikel 5 verwoordt het einddoel van het Vrouwenverdrag. Daarmee is het een "kapstokbepaling" die van groot belang is voor de interpretatie van het Vrouwenverdrag.[74] Een belangrijke vraag met grote praktische betekenis is uiteraard op welke wijze de overheid de uitbanning van stereotypen ter hand zal nemen, en ook of het resultaat van dergelijke initiatieven bepaalt of een staat voldaan heeft aan deze verplichting.

Het CEDAW heeft de verplichting van artikel 5 nader ingevuld in een Algemene Aanbeveling.[75] Uit de bestudering van een aantal landenrapporten was het CEDAW gebleken dat er in de rapporten veel stereotiepe denkbeelden over vrouwen naar voren komen. Deze denkbeelden, aldus het CEDAW, komen voort uit sociale en culturele factoren, die de instandhouding van discriminatie bewerkstelligen. Dit komt niet ten goede aan de implementatie van artikel 5. Het CEDAW beveelt de verdragspartijen daarom dringend aan om onderwijs- en publiekeinformatieprogramma's te ontwikkelen om de vooroordelen te bestrijden, die maatschappelijke gelijkheid van vrouwen in de weg staan.

In de reeds genoemde aanbevelingen 12 en 19 legt het CEDAW verband tussen geweld jegens vrouwen en de vooroordelen en stereotypen. Beide aanbevelingen geven aan hoe schendingen van rechten van vrouwen, zoals geweld, onder artikel 5 kunnen worden gebracht. Het zijn voorbeelden van de manier waarop het Vrouwenverdrag dynamisch geïnterpreteerd wordt.[76]