| 3.6 Vrouwenhandel en
exploitatie van prostitutie Artikel 6 verplicht tot het nemen van maatregelen, waaronder wetgevende, ter uitbanning van de handel in vrouwen en de exploitatie van prostitutie van vrouwen.[77] De Nederlandse wetgever vat blijkens de parlementaire behandeling "exploitatie" op als uitbuiting en niet elke uitbating.[78] Voor wat betreft de vrouwenhandel is het de vraag in hoeverre het Vrouwenverdrag meer eist dan de oude, niet-adequate verdragen tegen vrouwenhandel.[79] Het Vrouwenverdrag en verdragen tegen de vrouwenhandel komen overeen in die zin dat er een verbod wordt gegeven. De onvolkomenheid van het verbod op vrouwenhandel is dat er geen regeling ten aanzien van de uitvoeringsmodaliteiten bestaat, waardoor de verschillen van inzicht ten aanzien van prostitutie en het omgaan met prostitutie als maatschappelijk fenomeen een rol spelen. Er zijn naast het Vrouwenverdrag specifieke verdragen die zich richten op de afschaffing van de handel in vrouwen, zoals bijvoorbeeld het Internationaal Verdrag ter Bestrijding van de Handel in Vrouwen en Kinderen uit 1921 en het Internationaal Verdrag nopens de Bestrijding van de Handel in Meerderjarige Vrouwen uit 1933. In de andere mensenrechtenverdragen staan bepalingen die meer indirect met de onderwerpen van artikel 6 te maken hebben, zoals bijvoorbeeld artikel 8 IVBPR en artikel 4 EVRM inzake slavernij en gedwongen arbeid. Artikel 8 IVBPR verbiedt slavernij en slavenhandel, horigheid en dwangarbeid. Ook artikel 4 EVRM verbiedt dwangarbeid en slavernij. Deze bepalingen zijn beide ruimer en duidelijker dan artikel 6 Vrouwenverdrag, dat slechts "...passende maatregelen ter bestrijding van..." voorschrijft. Hoewel de bepalingen van het IVBPR en het EVRM zich in principe goed zouden lenen voor toepassing ten aanzien van onvrijwillige prostitutie en vrouwenhandel, zijn ze tot nu toe niet in deze zin gebruikt. Daarbij is van belang dat de artikelen 8 IVBPR en 4 EVRM alleen een verbod opleggen, terwijl het Vrouwenverdrag de verplichting oplegt aan de lidstaten om passende maatregelen te nemen. In Aanbeveling 19 van het CEDAW wordt uitgebreid aandacht besteed aan artikel 6. Aangetekend wordt dat staten onvoldoende rapporteren over de stand van zaken met betrekking tot seksueel geweld en onvoldoende aangeven welke maatregelen zijn getroffen om daar verandering in te brengen. In de Aanbeveling wordt met name een verband gelegd tussen armoede en werkloosheid als situaties die vrouwenhandel bevorderen en tot prostitutie leiden. Ook gewapend conflict leidt regelmatig tot seksueel geweld en beschermende maatregelen zijn derhalve noodzakelijk. |