| 3.7 Politieke en
maatschappelijke participatie Artikel 7 handelt over de participatie in het politieke en openbare leven, daaronder begrepen het actief en passief kiesrecht, de benoembaarheid in overheidsfuncties en openbare ambten, en de toegang tot organisaties en verenigingen die zich met politiek bezighouden. Het artikel vertoont grote overeenkomst met eerder door Nederland aangegane verplichtingen, zoals onder andere neergelegd in de artikelen 21, 22 en 25 IVBPR, artikel 11 EVRM en het Verdrag over de Politieke Rechten van de Vrouw (1952).[80] In tegenstelling tot het Vrouwenverdrag kent het EVRM geen bepaling over algemeen kiesrecht. De staten zijn evenwel verplicht tot het houden van vrije, geheime verkiezingen met redelijke tussenpozen (artikel 3 Eerste Protocol EVRM). In aanvulling op het Verdrag inzake de Politieke Rechten van de Vrouw uit 1952 schrijft het Vrouwenverdrag voor dat vrouwen betrokken moeten zijn bij de vaststelling en uitvoering van het overheidsbeleid; het Vrouwenverdrag kent ook een aparte bepaling over deelname aan (private) politieke organisaties, een voorbeeld van de horizontale aspiraties van het Vrouwenverdrag. Het CEDAW controleert regelmatig de mate van deelname van vrouwen aan het openbare en politieke leven. Onder openbaar leven worden volgens het CEDAW niet alleen typische overheidsfuncties verstaan, maar ook functies bij bijvoorbeeld werkgevers- en werknemersorganisaties. De overheid moet niet alleen de absolute, maar ook de relatieve aantallen van actieve vrouwen vergroten. Relatief dus in vergelijking met het aandeel van mannen.[81] |