| 3.9 Nationaliteit Artikel 9 regelt de gelijke behandeling van man en vrouw in het nationaliteitsrecht. In lid 1 wordt uitdrukkelijk gesteld dat het huwelijk of de nationaliteitswijziging van de echtgenoot geen nationaliteitsrechtelijke gevolgen voor de vrouw zullen hebben. Daarnaast verplicht het tweede lid tot gelijke behandeling ten aanzien van de nationaliteit van kinderen. Dit vloeit logisch voort uit het algemene discriminatieverbod en het voorafgaande lid, maar de bepaling is een noviteit in het nationaliteitsrecht. In de praktijk zal dit aanleiding geven tot problemen, in verband met de schijnbare vanzelfsprekendheid van het doorgeven van de nationaliteit van de vader aan de kinderen. Een groot aantal staten heeft ten aanzien van artikel 9 lid 2 een voorbehoud gemaakt. Het is een wijdverbreid idee dat het de familierechtelijke betrekkingen ten goede komt als echtgenoten dezelfde nationaliteit bezitten.[84] Dit betekende traditioneel dat de nationaliteit van de gehuwde vrouw die van haar echtgenoot behoorde te zijn, en veelal leidde dit tot eenvoudiger naturalisatieprocedures voor gehuwde buitenlandse vrouwen in Nederland. Ook ten aanzien van statenlozen en bipatriden wordt vaak aan de nationaliteit van de man doorslaggevend belang toegekend.[85] Ratificatie van het Vrouwenverdrag laat zich echter slecht combineren met het partij zijn bij een verdrag dat de gehuwde vrouw de nationaliteit van haar echtgenoot toekent. De verdragspartijen zullen zich moeten bezinnen op opzegging van dergelijke verdragen.[86] Deze redenering is slechts door Nederland gebruikt, en toen Nederland deze zienswijze aan het CEDAW ontvouwde, was dit een geheel nieuw inzicht voor het toezichthoudend orgaan. Opmerkelijk is de stelligheid waarmee de bepaling ten aanzien van nationaliteit geformuleerd is. Terwijl andere bepalingen van het Vrouwenverdrag spreken over "[D]e Staten die partij zijn bij dit Verdrag, nemen alle passende maatregelen om ....", spreekt artikel 9 van "[D]e Staten die partij zijn bij dit Verdrag, verlenen vrouwen ...". Terwijl er in de eerdere formulering ruimte wordt geboden om naar eigen inzicht en op termijn het gestelde doel te bereiken, ontbreekt in artikel 9 die discretionaire ruimte en rest de staten weinig vrijheid.[87] Ten aanzien van de nationaliteit zijn geen met artikel 9 Vrouwenverdrag vergelijkbare bepalingen terug te vinden in het IVBPR. Dit laatste verdrag erkent het recht van het kind op een nationaliteit (artikel 24 lid 3 IVBPR), zonder daar aspecten van gelijke behandeling aan te verbinden. Ook de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens kent een bepaling over nationaliteit, die niet meer inhoudt dan het recht op een nationaliteit voor een ieder. Overigens is het de vraag of er ten aanzien van het recht op een nationaliteit sprake is van een mensenrecht; er is geen sprake van eenstemmigheid in de literatuur. Sommigen menen dat het nationaliteitsrecht niet meer is dan een schakelmechanisme dat toegang biedt tot bescherming die het hebben van een bepaalde nationaliteit biedt. In die zin biedt het recht op nationaliteit zelf geen bescherming. Maar ook dan dient dat schakelmechanisme op een non-discriminatoire wijze tot stand te komen. |