| 4 DE DISCUSSIE OP
NATIONAAL NIVEAU 4.1
Inleiding
De actieve rol die de Nederlandse
delegatie had gespeeld bij de totstandkoming van het
Vrouwenverdrag deed vermoeden dat de parlementaire
goedkeuring ervan in Nederland snel haar beslag zou
krijgen. Dat leek aanvankelijk ook te zullen gebeuren,
maar het lot van de Goedkeuringswet raakte al snel
verbonden met dat van de voorgenomen Algemene wet gelijke
behandeling. Was deze wet als uitvoering van het
Vrouwenverdrag te beschouwen, en waar verplichtte het
Verdrag dan precies toe? Kon men het Vrouwenverdrag
ratificeren zonder een Algemene wet gelijke behandeling
te hebben? Moesten beide wetten geheel los van elkaar
gezien worden, of was de één een gevolg van de ander en
kon de één dus pas na de ander aangenomen worden? Het
laatste gebeurde ten slotte. De Goedkeuringswet van het
Vrouwenverdrag werd in 1991 aangenomen en de AWGB in
1994.
Tijdens de parlementaire
behandeling van de Goedkeuringswet komen voor een deel de
thema's terug, die ook de discussie over de Algemene wet
gelijke behandeling beheerst hebben. De relatie tussen
het Vrouwenverdrag en de AWGB kwam aan de orde en daarmee
ook de botsing van grondrechten en horizontale werking,
waarover vooral de kleine confessionele partijen zich
bezorgd toonden. In hun bezorgdheid leken de kleine
confessionele partijen het Vrouwenverdrag eigenlijk
serieuzer te nemen dan de regering zelf, die zich ten
aanzien van de invloed van het Verdrag op de Nederlandse
rechtsorde terughoudend opstelde.
Ter linkerzijde had men daarover
weer zorgen. Was er echt al zoveel bereikt dat de
Nederlandse situatie voldeed aan het Verdrag, en hoe
"geleidelijk" zou de geleidelijke
verwezenlijking van de passende maatregelen wel niet
worden? Wat dacht de regering van de directe werking van
(onderdelen van) het Verdrag? De regering beperkte zich
tot de stelling dat verwezenlijking niet van de ene op de
andere dag kan worden gerealiseerd en liet het oordeel
over directe werking over aan de rechter. Was er
aanvankelijk aan regeringszijde nog sprake geweest van
voorbehouden ten aanzien van enkele onderwerpen, deze
voorbehouden werden al voor de parlementaire behandeling
ingetrokken. De kleine confessionele partijen hadden wel
algemene voorbehouden gewild: de bestrijding van
discriminatie en de ontwikkeling van het
emancipatiebeleid gingen hen te hard, en het
Vrouwenverdrag kon wel eens van belang worden. De Tweede
Kamer besloot ten slotte de vinger aan de pols te houden
door de toevoeging in de Goedkeuringswet van een
vierjaarlijkse rapportageverplichting aan het parlement,
een jaar vóór de vierjaarlijkse rapportage aan het
CEDAW.
In dit hoofdstuk wordt eerst de
lange duur van de parlementaire behandeling van het
Vrouwenverdrag geanalyseerd en worden de belangrijkste
themas die speelden besproken.
|