| 4.2 De parlementaire
behandeling 4.2.1 Tussen ondertekening en start goedkeuringsprocedure Met de aanvaarding van de resolutie door de Algemene Vergadering was de tekst van het Verdrag vastgelegd. De Nederlandse regeringsvertegenwoordiger ondertekende het Verdrag tijdens de Wereldvrouwenconferentie in Kopenhagen, op 17 juli 1980. Deze gemachtigde van het Koninkrijk der Nederlanden kon op grond van artikel 91 Grondwet een verdrag alleen ondertekenen onder voorbehoud van bekrachtiging of ratificatie. De regering kon pas tot bekrachtiging of ratificatie overgaan als door de volksvertegenwoordiging goedkeuring was verleend.[117] De voorbereidingen van de parlementaire goedkeuring waren vroeg gestart, feitelijk al voordat het Koninkrijk het document ondertekende. Het is aannemelijk dat in deze periode het ministerie van Buitenlandse Zaken en de directie Coördinatie Emancipatiebeleid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gezamenlijk van mening waren dat het Verdrag snel getekend kon worden. Nederland had immers een niet-onaanzienlijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van het Verdrag, het was wenselijk het Verdrag te ondertekenen tijdens de Wereldvrouwenconferentie en de ratificatie zou toch nog degelijk voorbereid worden. In het najaar van 1980 werd een werkgroep ingesteld als subgroep van de Interdepartementale Coördinatiecommissie Emancipatiebeleid. Deze werkgroep hield zich bezig met deze voorbereidingen van de Goedkeuringswet van het Verdrag en met name met de Memorie van Toelichting. In deze Memorie werd onder meer gesteld dat aan de verschillende verdragsbepalingen zou kunnen worden voldaan door het tot stand brengen van een algemene wet gelijke behandeling.[118] Verder werd voorgesteld voorbehouden te maken ten aanzien van de militaire dienstplicht, de noodwachtplicht en de nabestaan-denpensioenen. In mei 1981 was de zittingstermijn van het eerste kabinet-Van Agt, bestaande uit CDA en VVD, verstreken. Na de verkiezingen en de formatie trad in september 1981 het tweede kabinet-Van Agt aan, samengesteld uit CDA, PvdA en D66. Het voorstel voor de Goedkeuringswet was inmiddels op 12 juni 1981 voorgelegd aan de net opgerichte Emancipatieraad, met het verzoek om voor 5 juli 1981 te reageren. Om aan dit verzoek te kunnen voldoen, beperkte de Raad zich in zijn op 2 juli uitgebrachte advies tot "een commentaar op enkele hoofdpunten".[119] De Raad wilde zich niet definitief uitspreken voor of tegen het voorbehoud met betrekking tot de militaire dienstplicht en de noodwachtplicht, maar vond de argumentatie van de regering op dit punt "nogal pover" en vroeg om verdere uitwerking en bredere motivering.[120] Met betrekking tot het door de regering voorgestelde voorbehoud ten aanzien van nabestaandenpensioenen verzocht de Raad om herziening.[121] Vooral op grond van het ER-advies werd besloten tot een uitvoerige ambtelijke revisie van het wetsvoorstel en van de Memorie van Toelichting. Deze resulteerde in enkele veranderingen van principiële aard, namelijk het niet langer handhaven van de voorbehouden met betrekking tot de nabestaandenpensioenen en de noodwachtplicht voor vrouwen.[122] Het voorbehoud met betrekking tot de militaire dienstplicht werd gehandhaafd. Staatssecretaris d'Ancona besloot dat het advies van de ER geen aanleiding gaf het wetsvoorstel in dit opzicht te wijzigen en wilde het wetsvoorstel inclusief het voorbehoud voorleggen aan de Raad van State. In mei 1982 viel het tweede kabinet-Van Agt. Een interimkabinet-Van Agt- Terlouw bleef aan tot de verkiezingen in september van hetzelfde jaar, waarna in november het eerste kabinet-Lubbers aantrad.[123] Tijdens de zittingsperiode van het "rompkabinetje" werd besloten dat het voorbehoud met betrekking tot de dienstplicht kon vervallen. Minister De Graaf van Sociale Zaken en minister Rood van Binnenlandse Zaken kregen het interimkabinet zover dat ingestemd werd met toezending van het wetsvoorstel aan de Raad van State. Hier zou uit kunnen blijken dat dit voorstel kennelijk niet als een zwaar probleem gezien werd. Van de politieke implicaties werd aangenomen dat zij niet zo zwaarwegend zouden zijn dat zij niet door een interimkabinet gedragen konden worden. Op 15 oktober werd het wetsvoorstel dan ook aan de Koningin aangeboden, die het ter advisering doorzond aan de Raad van State. Op 26 januari 1983 verscheen het advies van de Raad. "Hierna volgde een impasse, veroorzaakt door de in de oorspronkelijke toelichting aangebrachte samenhang met het voorontwerp van een wet gelijke behandeling en door de onzekerheden over aard en vormgeving van het in het regeerakkoord beoogde voorstel voor een algemene wet gelijke behandeling."[124] Tijdens de laatste ministerraad van het eerste kabinet-Van Agt, begin september 1981, hadden minister De Ruiter van Justitie en staatssecretaris Kraaijeveld- Wouters van CRM een voorontwerp van een wet gelijke behandeling op tafel gelegd. Het voorontwerp werd breed verspreid in de samenleving en aanvankelijk goed ontvangen. Tegen het einde van 1981, onder het tweede kabinet-Van Agt, begonnen de protesten van de kleine confessionele partijen, die in het voorontwerp een mogelijke aantasting zagen van de vrijheid van religie, van onderwijs en van meningsuiting. Begin 1982 beheersten deze opvattingen de publieke discussie. Aannemelijk is dat dit de gang van zaken rond het Vrouwenverdrag ophield: in de discussie verwezen het voorontwerp van een wet gelijke behandeling en het voorstel tot goedkeuring van het Vrouwenverdrag immers voortdurend naar elkaar. De bewindslieden d'Ancona van Sociale Zaken en De Ruiter van Justitie hielden vast aan het voorgestelde voorontwerp van een wet gelijke behandeling. Zij bleven van plan hun voornemen uit te voeren, met inachtneming van de kritiek. Zoals gezegd viel in mei 1982 het tweede kabinet-Van Agt. De PvdA-bewinds-lieden ontbraken in het interimkabinet dat de zaken waarnam tot de verkiezingen van september 1982. In oktober 1982 ging het goedkeuringsvoorstel van het Verdrag naar de Raad van State. De bovenvermelde verwachtingen over de reactie van het nieuwe kabinet op de adviesaanvrage bij de Raad van State bleken te kloppen; de bewindslieden van het eerste kabinet-Lubbers hebben het niet nodig geacht deze beslissing van het rompkabinet-Van Agt III terug te draaien, of anderszins in te grijpen. In januari 1983 verscheen het advies van de Raad van State. Dit advies leverde kritiek op het voorbehoud met betrekking tot dienstplicht. Op basis van het advies van de Raad van State werd het voorbehoud ten aanzien van de dienstplicht ingetrokken. Vervolgens liep de behandeling van het goedkeuringsvoorstel van het Verdrag ten tweede male vast in de discussies rond de Wet gelijke behandeling. Er zou voorlopig geen einde komen aan de verwarring rond de samenhang tussen beide voorstellen en de gevolgen die deze zou moeten hebben voor de behandeling van het goedkeuringsvoorstel van het Verdrag. In november 1984 vond een uitgebreide commissievergadering (UCV) over het emancipatiebeleid plaats, waarin staatssecretaris Kappeyne van de Coppello verschillende overwegingen noemde, die zouden pleiten voor een gelijktijdige behandeling van beide voorstellen. De Kamer bleek bij die gelegenheid niet te overtuigen van de wenselijkheid om het voorstel tot goedkeuring van het Verdrag pas af te ronden nadat er principebesluiten genomen zouden zijn over een aantal vragen rondom de beoogde Algemene wet gelijke behandeling. Sterker nog, de Kamer nam een CDA-motie aan die stelde dat het voorstel tot goedkeuring van het Verdrag "zo tijdig zou moeten worden ingediend, dat de Goedkeuringswet nog voor de VN-Wereldvrouwenconferentie in Nairobi (juli 1985) in het Staatsblad zou kunnen staan".[125] Ter adstructie van die motie werd gezegd: "Er is geen enkele narigheid; er behoeft nauwelijks iets veranderd te worden in de Nederlandse wetgeving. Wij passen praktisch al helemaal in het Verdrag". |