Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


4.2.2 De periode van de goedkeuringsprocedure

Voor de bewindslieden rees nu de vraag op welke manier het goedkeuringsvoorstel van het Verdrag aan de Kamer voorgelegd moest worden. De toezending was immers opgehouden in afwachting van de beoogde Algemene wet gelijke behandeling, terwijl het goedkeuringsvoorstel van het Verdrag nu toch zou worden voorgelegd, ook zonder dat de Algemene wet gelijke behandeling was afgehandeld. Men heeft gekozen voor een toezending zonder specifieke toelichting op het oponthoud. Op 23 april 1985 werd het goedkeuringsvoorstel aan de Kamer voorgelegd. Publicatie in het Staatsblad in juli van hetzelfde jaar was alleen mogelijk als de Tweede Kamer zou volstaan met een korte behandeling en het voorstel de Eerste Kamer zou passeren als hamerstuk.

Een snelle behandeling zou voor Nederland in Nairobi een publicitair succes opgeleverd hebben en het Verdrag zou hier al in 1985 in werking getreden zijn. Anderzijds leek een diepgaande behandeling de enige mogelijkheid om te verzekeren dat het Verdrag ook in de rechtspraktijk serieus genomen zou worden en het maatschappelijk en politiek de gewenste relevantie zou verwerven, mede omdat tot dusverre alleen in een kleine kring van deskundigen over het Verdrag gesproken was.

De Tweede Kamer besloot tot een procedure waardoor de uitvoering van de CDA-motie over de uiterste datum van juli 1985 niet meer mogelijk was: het Voorlopig Verslag werd vastgesteld op 29 augustus 1985. Toen uit dit Verslag bleek dat de leden het toch problematisch achtten dat er nog geen Wet gelijke behandeling voorhanden was, kon de staatssecretaris het niet laten, onder verwijzing naar dezelfde CDA-motie, vast te stellen dat de Kamer eerder toch van mening geweest was

"dat het ontbreken van concrete voorstellen tot verdere anti-discriminatiewet-geving niet in de weg hoeft te staan van een weloverwogen goedkeuring van het Verdrag."[126]

Deze goedkeuringsprocedure werd dan ook voortgezet, waarbij het overigens de vraag is of enkel de wens om dit op weloverwogen wijze te doen tot gevolg had dat dit proces niet sneller verliep. Kennelijk vroegen de leden van de PvdA-fractie zich iets dergelijks af: het Voorlopige Verslag opent met hun opmerking

"dat, hoe actief de rol van Nederland in de totstandkoming van verdragen en richtlijnen terzake van gelijke behandeling op internationaal niveau ook moge zijn, de regering op nationaal niveau blijk geeft van traagheid, zo niet onwilligheid in de tenuitvoerlegging van het in deze verdragen en richtlijnen bepaalde."[127]

De regering begon de Memorie van Antwoord van 10 december 1986 met te stellen dat de vertraging betreurd werd en van onwilligheid geen sprake was.[128] Met betrekking tot het trage verloop van de goedkeuringsprocedure zette de regering nog eens uiteen waarom de indiening van het wetsvoorstel vijf jaar op zich had laten wachten.[129] Het Eindverslag werd vastgesteld op 6 april 1987. De Nota naar aanleiding van het eindverslag liet op zich wachten tot 1 maart 1989, een tijdsverloop, waarover de ondertekenaars, de ministers De Koning en Van den Broek, hun spijt betuigden.

"De ambtelijke voorbereidingswerkzaamheden werden in de tweede helft van 1987 en in 1988 sterk vertraagd door de grote werkdruk op de meestbetrokken departementsonderdelen, welke onder meer werd veroorzaakt door de vele wetgevingsprojecten en beleidsdebatten op het gebied van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen."[130]

Een jaar later liet staatssecretaris Ter Veld doorschemeren dat er ook nog een andere reden was voor het oponthoud. De gevolgen die bleken voort te vloeien uit de werking van art. 26 IVBPR binnen de Nederlandse rechtsorde hadden voor enige consternatie gezorgd. Deze consternatie was de aanleiding om het Vrouwenverdrag nogmaals grondig te onderzoeken op "mogelijke consequenties". Dit onderzoek leidde er uiteindelijk toe dat minister De Koning het maken van een voorbehoud met betrekking tot de sociale zekerheid niet noodzakelijk achtte.[131]

In een Tweede nota van wijziging, door de Tweede Kamer ontvangen op 1 maart 1989, meldden de beide voornoemde bewindslieden dat zij in de Goedkeuringswet van het Vrouwenverdrag een nieuw artikel 2 willen invoegen. Dit artikel luidt:

"Goedgekeurd wordt het voornemen over te gaan tot opzegging voor het Koninkrijk van het Verdrag inzake de nationaliteit van de gehuwde vrouw (New York, 20 februari 1957, Trb. 1965, nr. 218)."

Dit voorstel werd toegelicht met de opmerking dat de hoofdinhoud van dit Verdrag dezelfde is als die van artikel 9 van het Vrouwenverdrag en de overige inhoud uitgaat van een rechtsongelijkheid tussen man en vrouw met betrekking tot de nationaliteitsverkrijging die in het Koninkrijk niet langer bestaat. Om deze redenen heeft het Verdrag van 1957 zijn belang voor het Koninkrijk verloren. Het nieuwe artikel 2 werd ingevoegd.

Op 25 juni 1990 ontving de Tweede Kamer een amendement van het PvdA-fractielid Kalsbeek-Jasperse dat medeondertekend was door het D66- fractielid Groenman en het VVD-fractielid Weisglas. Het amendement bevatte een voorstel om een nieuw artikel 2a in te voegen. Artikel 2a luidt:

"Onze minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vier jaar na inwerkingtreding van deze Rijkswet, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de uitvoering voor Nederland van het in artikel 1 genoemde Verdrag."[132]

Op 26 juni 1990 begon de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer. Deze werd voortgezet op 3 en 4 juli 1990 en op 5 juli afgesloten met de stemmingen. Artikel 1 en 2 werden zonder stemming aangenomen. Het amendement- Kalsbeek-Jasperse c.s. tot invoeging van een artikel 2a, hernummerd tot artikel 3, werd aangenomen met alleen de stemmen van de fracties van SGP, GPV en RPF tegen. Artikel 3 en beweegreden werden zonder stemming aangenomen, waarna het wetsvoorstel werd aangenomen met tegenstemmen van opnieuw de fracties van SGP, GPV en RPF.[133]

Op 16 juli 1990 werd het gewijzigd voorstel van rijkswet voorgelegd aan de Eerste Kamer.[134] Deze behandelde het voorstel in de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die op 6 november 1990 het Voorlopig Verslag vaststelde.[135] De leden van de PvdA-fractie waren van mening dat de lange looptijd van de Goedkeuringswet tot gevolg had dat de door de regering gehanteerde argumentaties in de Memories van Toelichting en Antwoord wat gedateerd aandeden.[136] De bewindslieden Ter Veld en Van den Broek konden hier mee instemmen, zo meldden zij in hun Memorie van Antwoord van 14 juni 1991. De Memorie van Toelichting werd geschreven in 1982 en in 1985 herschreven, maar alleen voor zover het advies van de Raad van State daar aanleiding toe gaf of verwijzingen naar lopend beleid geactualiseerd dienden te worden. In de latere bijdragen van regeringszijde is op de toen actuele beleidsontwikkelingen alleen maar ingegaan voor zover de vragen van de Tweede Kamer daar aanleiding toe gaven.[137]

De Eerste Kamer zette vaart achter de afhandeling van de Goedkeuringswet en achtte reeds op 25 juni "de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid".[138] Op 2 juli 1991 werd het wetsvoorstel zonder beraadslaging en zonder stemming aangenomen. De SGP kon zich niet met het voorstel verenigen en kreeg gelegenheid een stemverklaring af te leggen.[139]