Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


4.3 De belangrijkste thema's in de parlementaire behandeling

Het verloop en de duur van de parlementaire behandeling roepen de vraag op of voor regering en parlement de goedkeuring van het Vrouwenverdrag vooral een symbolische waarde had gekregen. Nederland heeft uiteindelijk geen voorbehouden gemaakt, en daarmee de indruk gewekt van een volkomen acceptatie van het Verdrag, maar de regering heeft zich met betrekking tot de uitvoering, de verdragsimplementatie, steeds zeer terughoudend opgesteld.

En niet alleen de regering. Ook het parlement en met name de Tweede Kamer, heeft in de loop van de behandeling van de Goedkeuringswet blijk gegeven van een ambivalente houding tegenover het Vrouwenverdrag. Enerzijds dacht men niet veel risico's te lopen met de aanname van het Vrouwenverdrag, anderzijds zijn de lange duur en de grondige aard van de behandeling indicaties van een aarzeling, die ook herhaaldelijk uitgesproken is. Deze had vooral betrekking op onzekerheid over de invloed die dit Verdrag in de praktijk zou hebben op de Nederlandse rechtsorde. In het algemeen moeten de volksvertegenwoordigers zich wel degelijk gerealiseerd hebben dat de aanname van het Vrouwenverdrag niet zonder gevolgen kon blijven. Voor de progressieve partijen lieten die gevolgen te lang op zich wachten; met de uitvoeringswetgeving leek de regering geen haast te maken. Tijdens de behandeling van de Goedkeuringswet zijn daarom veel onderwerpen aan de orde geweest, vooral bij de artikelsgewijze behandeling van het Verdrag.

In het onderstaande worden een aantal belangrijke thema's van de parlementaire behandeling besproken en de opvattingen die daarover leefden bij regering en parlement. Het gaat om: de inhoud van het discriminatiebegrip (4.3.1), de horizontale werking en de botsing van grondrechten (4.3.2), de mogelijkheid van geleidelijke verwezenlijking (4.3.3), en de mogelijkheid van rechtstreekse werking van bepalingen van het Verdrag (4.3.4) en ten slotte de verplichtingen die voor lagere overheden voortvloeien uit het Verdrag (4.3.5). Besproken worden in dit hoofdstuk het standpunt van de regering zoals dat tijdens de parlementaire behandeling van de Goedkeuringswet naar voren is gekomen en de opvattingen in het parlement over deze onderwerpen. Het hoofdstuk eindigt met een samenvatting van de door de wetgever verwachte effecten van de aanname van het Vrouwenverdrag.