Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


4.3.2 Horizontale werking en botsing van grondrechten

In artikel 2, aanhef jo sub e, van het Verdrag wordt bepaald dat de staten, die partij zijn bij het Verdrag, zich verbinden om alle passende maatregelen te nemen om discriminatie van vrouwen door personen, organisaties of ondernemingen uit te bannen. Dat wil zeggen dat het Verdrag ook moet worden toegepast op rechtsverhoudingen tussen burgers onderling. Het Verdrag verplicht daarmee het discriminatieverbod waar mogelijk horizontale werking te verlenen.

In de loop van de parlementaire behandeling is over dit onderwerp een fundamentele discussie ontstaan, met name over de vraag of horizontale werking niet in strijd zou kunnen komen met andere, in de Grondwet of internationale verdragen vastgelegde fundamentele rechten en vrijheden. In deze debatten ging het in de praktijk om de vraag of en in hoeverre het gelijkheidsbeginsel in botsing zou kunnen komen met grondrechten als de vrijheid van godsdienst en onderwijs, de vrijheid van vereniging en vergadering en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

De opstelling van de regering op dit punt was enerzijds principieel met de uitspraak dat het geslacht van een rechtsgenoot niet van belang is voor de uitoefening van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel gebied. Anderzijds erkende de regering dat er een spanningsveld kan bestaan tussen het non-discriminatiebeginsel en andere grondrechten. Dat spanningsveld zou kunnen worden opgelost door het maken van een belangenafweging. Het Verdrag zou, volgens de regering, de staten daartoe op nationaal niveau de ruimte bieden.[161] De Raad van State was van mening dat met het voorgaande een "zwakke stee" in het Verdrag was blootgelegd. De afbakening tussen de verschillende grondrechten zou nu door elke staat zelf verricht worden. Een dergelijke afbakening is moeilijk en de daarvoor noodzakelijke belangen-afweging zou tot uiteenlopende resultaten kunnen leiden. In de praktijk zou dit kunnen resulteren in een ongelijke gelding van het non-discriminatiebeginsel in de verschillende staten.[162]

Het CDA en D66 vonden de opstelling van de regering te vaag en vroegen onder meer of de regering nader wilde ingaan op de afbakeningsproblematiek, zeker nu het toegezegde wetsvoorstel van een AWGB uitbleef. Juist deze wet zou duidelijkheid moeten scheppen ten aanzien van de afbakening van het gelijkheidsbeginsel naar diverse grondrechten en tevens krachtige bestrijding van discriminatie moeten bevorderen. De kleine confessionele partijen vreesden een te royale opstelling van de regering. Zij stelden dat particuliere organisaties, politieke partijen inbegrepen, zelf verantwoordelijk zijn voor hun interne beleid. Wie het met zo'n beleid niet eens is, kan voor een andere organisatie, een andere partij kiezen, zo werd gezegd.[163]

Staatssecretaris Ter Veld vond deze redenering "iets te gemakkelijk". Het argument dat toch niemand gedwongen wordt lid te zijn van een politieke partij vond zij te veel afdoen

"aan het feit dat het uitsluiten van een categorie personen van het lidmaatschap van of een functie binnen een partij op grond van het geslacht toch als een niet te rechtvaardigen onderscheid zou moeten worden aangemerkt."[164]

Dat er geen sprake zou zijn van een publiek belang werd door de staatssecretaris bestreden,

"omdat politieke partijen bij uitstek hun grond vinden in de beïnvloeding van het maatschappelijk gebeuren in het politiek en democratisch stelsel."[165]

Wel achtte zij terughoudendheid van de wetgever passend, gezien de bijzondere positie van de politieke partijen.

Bij de besprekingen in het kader van het Verdrag zijn door de regering geen keuzes gemaakt ten aanzien van de botsing van grondrechten. In concreto is dat voor een deel gerealiseerd in de AWGB.