Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


4.3.3 Geleidelijke verwezenlijking

De regering stelde zich uitermate terughoudend op ten aanzien van de wijze waarop en het tempo waarin gestalte gegeven zou moeten worden aan de uitvoeringswetgeving van het Verdrag. In de Memorie van Toelichting die uiteindelijk bij de Tweede Kamer werd ingediend, was een passage gewijd aan de mogelijkheid van geleidelijke tenuitvoerlegging. Het belang van die mogelijkheid motiveert de regering met twee zinnen die kennelijk geacht worden een vanzelfsprekend oorzakelijk verband te beschrijven:

"De mondiale uitbanning van discriminatie van vrouwen is een zaak die niet van de ene op de andere dag zal kunnen worden gerealiseerd. Het Verdrag laat dan ook geleidelijke verwezenlijking van de verdragsverplichtingen toe."[166]

Dat het Verdrag geleidelijke verwezenlijking toelaat leidt de regering af uit een aantal verdragsartikelen.

"In artikel 2 komen de verdragsstaten overeen om met alle passende middelen en zonder uitstel een beleid te voeren ter uitbanning van discriminatie van vrouwen en verplichten zij zich daartoe een aantal, in de punten a tot en met g vervatte, concrete maatregelen te treffen van beleidsmatige en wetgevende aard. De aanhef van artikel 2 – de Staten die partij zijn bij dit Verdrag ... komen overeen onverwijld met alle passende middelen een beleid te voeren gericht op de uitbanning van discriminatie van vrouwen – geeft aan dat verwezenlijking van deze doelstelling gezien is als een geleidelijke zaak, zij het dat deze zonder uitstel ter hand genomen dient te worden.

Van betekenis zijn verder de artt. 17 en 18 over de rapportage. In artikel 17, eerste lid, wordt de Commissie voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen tot taak gesteld om de vooruitgang die wordt gemaakt bij de uitvoering van het Verdrag te beoordelen. In artikel 18, eerste lid, nemen de verdragsstaten op zich periodiek verslag uit te brengen over de maatregelen die zij hebben getroffen ter uitvoering van de bepalingen. Het tweede lid van artikel 18 bepaalt verder, dat in de verslagen de factoren en moeilijkheden kunnen worden vermeld die van invloed zijn op de mate waarin aan de in het Verdrag vervatte verplichtingen wordt voldaan.

Op grond van het voorgaande moge duidelijk zijn, dat een verdragsstaat weliswaar vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag verplicht is zonder uitstel en met alle passende maatregelen het beleid erop te richten de verdragsverplichtingen uit te voeren, maar dat deze uitvoering, voor zover de concrete omstandigheden op het terrein van een bepaalde verdragsverplichting daartoe nopen, geleidelijk mag plaatsvinden.

Bij de inwerkingtreding van het Verdrag behoeft derhalve niet alle uitvoeringswetgeving tot stand te zijn gebracht."[167]

De reactie van een ruime meerderheid van de volksvertegenwoordiging op dit regeringsstandpunt bestond uit een voortdurend aandringen op duidelijkheid en spoed bij het gestalte geven aan de uitvoeringswetgeving van het Verdrag. Dit aandringen leek een uiting van twijfel aan de bereidheid van de regering om aan deze wensen tegemoet te komen. De regering werkte op internationaal niveau wel actief mee aan de totstandkoming van regelgeving, stelden de fractieleden van de PvdA, maar als het op uitvoering aankwam, bleek de regering traag, zo niet onwillig.[168] De CPN-leden wezen op het gegeven dat de regering zelf stelt dat beleid ten behoeve van de uitvoering van de verdragsverplichtingen "zonder uitstel" ter hand genomen dient te worden.

De PvdA-fractie stelde

"dat hun in het voorlopig verslag geuite vrees voor de wijze waarop uitwerking zal worden gegeven aan het Verdrag, in de Memorie van Antwoord niet is weggenomen. Het kabinet meent uit het feit dat verwezenlijking van de doeleinden van het Verdrag niet van het ene op het andere moment kan geschieden af te mogen leiden dat geleidelijke, niet aan termijn gebonden, tenuitvoerlegging is toegestaan. Deze leden meenden daarentegen dat het woord "onverwijld" (in de bewoordingen van Van Dale: zonder uitstel) in artikel 2 van het Verdrag, een dergelijke uitleg niet toelaat. Ook het kabinet heeft erkend dat de tijd die nodig is voor de tenuitvoerlegging, niet onbeperkt kan zijn."

De D66-fractieleden formuleerden deze vraag nog scherper. Zij wilden gaarne vernemen of er terreinen zijn :

"...waarop de verdragsverplichtingen nog later zullen kunnen worden gerealiseerd dan zich thans met betrekking tot de verplichtingen inzake de pensioenregelingen laat aanzien. In welk decennium van deze of de volgende eeuw verliest, naar het oordeel van het kabinet, de Nederlandse overheid het recht zich nog ten aanzien van enige verdragsverplichting te beroepen op de mogelijkheid van geleidelijke realisering?"[169]

De regering antwoordde hierop met een uiteenzetting die inmiddels een van de kernpassages is voor de uitleg van de betekenis van het Verdrag in de Nederlandse rechtsorde en die een belangrijk element is ten gunste van de "dynamische verdragsinterpretatie":

"De betekenis van verdragsverplichtingen wordt immers niet bepaald, laat staan gefixeerd, door de opvattingen van de nationale wetgever ten tijde van een verdragsgoedkeuring. Het is goed denkbaar dat na verloop van tijd onder invloed van internationale en nationale (jurisprudentiële) rechtsontwikkelingen bepaalde verplichtingen in een verdrag worden gelezen, die door de wetgever die het verdrag goedkeurde niet als een noodzakelijk uitvloeisel van het verdrag werden beschouwd of onderkend. De recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep terzake van de betekenis van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten voor de wettelijke sociale zekerheid, tot ontwikkeling gekomen na jurisprudentie van het Mensenrechtencomité te Genève, is daarvan een treffend voorbeeld. In het recht van de Europese Gemeenschappen is artikel 119 van het EEG-verdrag een bijna klassiek voorbeeld van een indertijd minder centraal geachte bepaling die onder invloed van de jurisprudentie (van de Defrenne-arresten tot en met de Bilka/Weber-uitspraak) geleidelijk aan betekenis en diepte heeft gewonnen."[170]

Met dit betoog onderstreepte de regering het ontwikkelingspotentieel van het Vrouwenverdrag. Dat behoedde haar uiteraard niet voor kritiek uit de Kamer op het gebrek aan voortvarendheid bij diverse wetgevingsprojecten. Zo noemde tijdens de mondelinge behandeling het Kamerlid Brouwer (GroenLinks) het trage en terughoudende gedrag van Nederland met betrekking tot wetgeving op het onderhavige terrein "verontrustend". De leden Groenman (D66) en Weisglas (VVD) zagen in dit verband de bij amendement voorgestelde rapportageprocedure aan het parlement als een goede methode om de "losse einden" in het oog te kunnen houden.[171]

Het PvdA-Kamerlid Kalsbeek-Jasperse deelde mee dat haar fractie besloten had het opnemen van een eindtermijn met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de verdragsverplichtingen niet te bepleiten. In aansluiting op het regeringsbetoog, dat het stellen van een "eindtermijn" voor de verdragsuitvoering een miskenning zou zijn van het belang van komende internationale en nationale (jurisprudentiële) ontwikkelingen, herinnerde zij eraan dat zich in de afgelopen tien jaar enorme ontwikkelingen hadden voorgedaan op het terrein van de internationale verdragen en hun doorwerking in de Nederlandse rechtsorde. Bij de ondertekening van met name het IVBPR en het EG-verdrag kon men zich niet gerealiseerd hebben welke omvangrijke herzieningen van nationale regelgeving hierdoor op termijn noodzakelijk zouden blijken. Daarbij toonde de rechter, zo stelde zij, een toenemende bereidheid om te toetsen aan internationale verplichtingen, in samenhang met veranderde maatschappelijke opvattingen ten aanzien van gelijke behandeling. Een verdrag is derhalve geen statisch gegeven, aldus het Kamerlid, maar zou dat wel worden als een eindtermijn werd gesteld voor de uitvoering ervan.

"Toch betekent dat niet dat mijn fractie nu vindt, dat wij het verder maar aan de ijver van het kabinet – hoe weinig ik daar ook aan twijfel – moeten overlaten om te bepalen hoe geleidelijk geleidelijk is."

Met name met het oog op de onvoorziene ontwikkelingen diende het Kamerlid een amendement in om een verslaglegging en verantwoording aan het parlement over de uitvoering van het Vrouwenverdrag in de Goedkeuringswet vast te leggen.[172] Het voorstel tot een wettelijke rapportageplicht (de "Kalsbeek-rapportage") werd op 5 juli 1990 aangenomen. Daarmee introduceerde het parlement een verdragsrechtelijk novum: het was de eerste maal dat de Tweede Kamer zichzelf uitdrukkelijk een rol toebedeelde bij de rapportage over verdragsverplichtingen aan een internationaal supervisieorgaan.