Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


4.3.4 Rechtstreekse werking volgens de regering

De artikelen 93 en 94 van de Grondwet houden onder meer in dat bepalingen van verdragen "die naar inhoud een ieder kunnen verbinden" door rechter en bestuur moeten worden toegepast, desnoods door nationale wettelijke voorschriften buiten toepassing te laten. Om vast te stellen of sprake kan zijn van directe of rechtstreekse werking is in de jurisprudentie van de Hoge Raad een aantal criteria ontwikkeld. Deze betreffen de aard en de inhoud van de bepaling, de formulering ervan en de bedoeling die de opstellers van het verdrag hadden.[173]

Bij de implementatie van het Vrouwenverdrag leek het uitgangspunt te zijn dat de belangrijkste taken zijn weggelegd zijn voor de wetgever en de administratie. Implementatie via de reguliere bestuurlijke kanalen zou immers doelmatiger zijn, omdat dit de mogelijkheid biedt het Vrouwenverdrag als een afgewogen en samenhangend pakket uit te voeren. De implementatie via de lijn van wetgeving en bestuur is echter niet de enige mogelijkheid. Verschillende juristen hadden al betoogd dat bepalingen uit het Vrouwenverdrag voldoende concreet waren voor een directe toepassing door de rechter. Daarom was de discussie over de rechtstreekse werking van verdragsbepalingen niet zonder belang. Duidelijke uitspraken van de regering tijdens de parlementaire behandeling zouden de rechter een handvat kunnen bieden voor de beoordeling van de rechtstreekse werking. Door het parlement werd daarnaar gevraagd.

Voor de beoordeling of aan een bepaling rechtstreekse werking moet worden toegekend, ging de regering uit van de HR-criteria, maar legde zij de nadruk vooral op de tekst. De Memorie van Toelichting hanteerde als uitgangspunten:

1 de tekst van de afzonderlijke verdragsbepalingen of onderdelen daarvan[174], waarbij doorslaggevend is of beleidsvrijheid voor de overheid afwezig is.[175]
Deze kwestie speelde vooral bij artikel 11, lid 1 onder d en e.

2 of er sprake is van rechtstreeks werkende bepalingen in andere verdragen, die betrekking hebben op ook in het Vrouwenverdrag opgenomen rechten, zoals bijvoorbeeld het recht op gelijke behandeling ten aanzien van het kiesrecht en het recht op benoembaarheid in de openbare dienst (artikel 7 Vrouwenverdrag).

Tevens werd aangegeven dat artikel 2 sub d Vrouwenverdrag, waarbij discriminatie door alle overheidsorganen wordt verboden, in samenhang met de definitiebepaling in artikel 1 van het Verdrag in een civiele procedure op grond van artikel 1401 BW door de rechter als maatstaf kan worden gehanteerd.[176] Voor het overige werd er ofwel op gewezen dat reeds in (aangepaste) wetgeving was voorzien (artikel 9 Vrouwenverdrag), ofwel dat er sprake was van de mogelijkheid van geleidelijke verwezenlijking. Op deze wijze kwam de regering, en uiteindelijk ook de Goedkeuringswetgever, tot de volgende direct werkende bepalingen[177]:

artikel 2 onder d (zij het omzichtig),
artikel 7,
artikel 9 (impliciet),
artikel 11 voor zover het betreft het beginsel van gelijke beloning.

Tevens werd voor wat betreft het verbod van ontslag bij zwangerschap of verlof wegens bevalling en het verbod van discriminatie bij ontslag in verband met huwelijkse staat rechtstreekse werking niet ondenkbaar geacht.[178]

Ten slotte werd genoemd artikel 15 lid 3, zie ook de opvatting van de regering betreffende artikel 23 sub a Vrouwenverdrag.[179]

In ieder geval blijkt dat het Verdrag volgens de regering wel degelijk ieder verbindende bepalingen bevat.

De herziene Memorie van Toelichting die aan de Tweede Kamer werd toegezonden vermeldde met betrekking tot directe werking, in aansluiting op de door de Hoge Raad geformuleerde criteria, dat eventuele directe werking in de landen waar dat volgens het nationale staatsrecht mogelijk is, tijdens de onderhandelingen over het Vrouwenverdrag niet aan de orde geweest is. Gelet op aard, inhoud en formulering van de materiële bepalingen was de regering van mening dat de uitvoering van de verdragsvoorschriften een taak is van de wetgever en de besturende overheid.

"Deze wijze van uitvoering behoeft echter niet uit te sluiten dat aan een bepaald verdragsvoorschrift overigens in een concrete casus rechtstreeks toepassing wordt gegeven. De beslissing hierover en de voorwaarden waaronder die rechtstreekse toepassing aan een bepaling zou worden gegeven, zijn in ons rechtsbestel voornamelijk aan de rechter."

De regering achtte daarom terughoudendheid passend. Overigens werd wel nog gewezen op het gegeven dat enkele bepalingen van het Vrouwenverdrag rechten betreffen die in andere verdragen worden beschermd door bepalingen ten aanzien waarvan rechtstreekse werking mogelijk moet worden geacht. Als voorbeelden werden genoemd het recht op gelijke behandeling ten aanzien van het kiesrecht en het recht op benoembaarheid in de openbare dienst zoals vastgelegd in artikel 7 van het Vrouwenverdrag in vergelijking met het IVBPR, artt. 2 lid 1 en 3 in verband met artikel 25; alsmede artikel 26.[180] Zo wees de regering in de Memorie van Toelichting op artikel 23 Vrouwenverdrag, dat bepaalt dat het Verdrag geen inbreuk maakt op de bepalingen in de wetgeving van een verdragsstaat, of op verdragen welke voor een verdragsstaat van kracht zijn, indien die in sterkere mate bijdragen tot de verwezenlijking van gelijkheid van man en vrouw dan de bepalingen van het Verdrag zelf.

"Bij dergelijke in sterkere mate bijdragende bepalingen valt te denken aan bepalingen welke een bepaalde termijn stellen voor het nemen van maatregelen tot uitbanning van discriminatie van vrouwen, terwijl het Verdrag geleidelijke verwezenlijking van de desbetreffende maatregelen toestaat. Een voorbeeld hiervan vormt artikel 8 eerste lid van de reeds eerder genoemde EG-richtlijn betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, dat bepaalt dat voor 22 december 1984 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen moeten zijn getroffen."[181]

De weergave van het regeringsstandpunt had bij een meerderheid van de Kamerleden vele vragen onbeantwoord gelaten. Men leek de voorkeur te geven aan een minder terughoudende opstelling van de regering, maar deze bleek daartoe niet bereid.[182] Voor de kleine confessionele partijen was het standpunt van de regering inzake rechtstreekse werking niet terughoudend genoeg. Tijdens de mondelinge behandeling in 1990 constateerde het Kamerlid Schutte van de GPV dat er wel lang en breed gefilosofeerd kon worden over de directe werking van verdragsbepalingen, maar dat de ratificerende wetgever of Kamer in de vaststelling van die werking geen rol heeft. Alleen door het maken van voorbehouden zou nog voorkomen kunnen worden dat bepalingen niet toegepast zouden kunnen worden in de Nederlandse rechtsorde.[183] Voorbehouden inzake de goedkeuring van het Vrouwenverdrag waren echter tijdens de loop van de parlementaire behandeling vervallen.