Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


4.3.5 Verplichtingen voor lagere overheden

Pas in de loop van de parlementaire behandeling kwam de vraag aan de orde in hoeverre op de lagere overheden verplichtingen rusten op grond van het Verdrag. De vertegenwoordigers van D66 merkten op dat elke verwijzing ontbrak naar de verplichtingen van de wetgever ten opzichte van lagere overheden. Zij wilden weten of de regering voornemens was

"bijzondere middelen, zowel van wetgevende als bestuurlijke aard, te gebruiken, en zo ja welke, om lagere overheden te stimuleren, en in voorkomende gevallen zelfs te dwingen om de verdragsbepalingen actief na te leven."[184]

De regering was van mening dat het bestaande wettelijke en bestuurlijke instrumentarium toereikend is. Gemeenten en provincies hebben voldoende mogelijkheden voor een stimulerend beleid op gemeentelijk en provinciaal niveau. De rijksoverheid draagt geen verantwoordelijkheid op dit terrein; deze ligt bij de besturen en vertegenwoordigende organen van provincies, gemeenten en andere openbare lichamen. In het kader van de toenmalige Tijdelijke Rijksbijdrageregeling Emancipatiewerk stelt het Rijk wel middelen ter beschikking aan de gemeenten ter stimulering van emancipatiewerk. In het kader van de repressieve toezichtsbevoegdheid kan de Kroon besluiten van provincie- en gemeentebesturen vernietigen wegens strijd met verdragsbepalingen die zich daarvoor lenen.[185]

De leden van de D66-fractie vonden dit antwoord "niet geheel toereikend". Vernietiging van besluiten door de Kroon zou volgens deze leden een uiterste middel moeten zijn. De regering entameert de toetreding van Nederland tot het Verdrag en zou alleen al daarom er goed aan doen de andere overheden bij te staan wanneer deze hun eigen beleid en regelgeving willen afstemmen op de nieuwe verdragsverplichtingen. Waarom niet, naar analogie van de Anders Geregeld- operatie, in overleg treden met bijvoorbeeld de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Interprovinciaal Overleg om te onderzoeken in hoeverre in lagere regelgeving nog ongerechtvaardigd onderscheid tussen mannen en vrouwen gemaakt wordt? Verder waren deze leden van mening dat de Tijdelijke Rijksbijdrageregeling Emancipatiewerk

"nauwelijks als een reëel gebruik van het ter beschikking staand instrumentarium van de centrale overheid kan worden beschouwd, zeker niet als dit feitelijk het enige gebruik blijkt."

Op grond van deze Rijksbijdrageregeling zou een gemeente namelijk 50 cent per inwoner te besteden hebben. Daarbij zou deze regeling in de nabije toekomst opgaan in de Welzijnswet. De vraag werd dan ook gesteld of de regering nog andere plannen had om de lagere overheden te stimuleren de verdragsverplichtingen na te leven.[186]

Uit de Nota naar aanleiding van het Eindverslag bleek dat de regering het eens was met de stelling dat vernietiging van besluiten door de Kroon als een uiterste middel gezien dient te worden. De suggestie om in overleg te treden met de lagere overheden werd niet overgenomen. "Desgevraagd" was de regering uiteraard bereid andere overheden bij te staan, maar de gemeenten, provincies en andere openbare lichamen dragen hier de "primaire verantwoordelijkheid".

"Ons is thans niet gebleken dat aan die zijde behoefte bestaat aan overleg ter zake (...)."

Ten slotte vond de regering dat de betekenis van de Rijksbijdrageregeling niet onderschat mocht worden en gaf een toelichting op het functioneren van deze regeling en de voornemens binnen het emancipatie-ondersteuningsbeleid op lokaal en regionaal niveau.[187]