Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


4.4 Door regering en parlement verwachte effecten

Welke effecten verwachtten regering en Kamer nu eigenlijk van de inwerkingtreding van het Vrouwenverdrag voor Nederland? In 1985 had men daar nog een zonnige kijk op: de Tweede Kamer nam een motie aan om het goedkeuringsvoorstel van het Verdrag zó tijdig in te laten dienen, dat de Goedkeuringswet nog voor de VN-Wereldvrouwenconferentie in Nairobi in juli 1985 in het Staatsblad zou kunnen staan. Uiteindelijk werd besloten deze streefdatum los te laten en het goedkeuringsvoorstel uitgebreid te behandelen. Tijdens deze behandeling rees de nodige twijfel met betrekking tot de aansluiting tussen de Nederlandse wetgeving en het Vrouwenverdrag. Een meerderheid van de Kamer bleek van mening dat er nog veel zou moeten gebeuren om de verdragsverplichtingen uit te voeren. Vooral tijdens de mondelinge behandeling van het goedkeuringsvoorstel in 1990 sprak men herhaaldelijk over de effecten van het Verdrag in de Nederlandse rechtsorde en in algemene zin over de maatregelen die nog getroffen zouden moeten worden om Nederland te laten "passen" in het Verdrag.

Het GroenLinks-fractielid Brouwer verzocht nog maar eens om verhoging van het tempo van de toegezegde uitvoeringswetgeving, aangezien

"met name wetsvoorstellen op het terrein van de vrouwenemancipatie jaren in de kast blijven liggen voordat zij tot wet worden verheven."[188]

Het PvdA-fractielid Kalsbeek-Jasperse gaf een overzicht van de actuele stand van zaken met betrekking tot wetgeving die van belang is voor de uitvoering van het Vrouwenverdrag. Volgens dit Kamerlid was veel van hetgeen waartoe het Verdrag verplicht op dat moment gerealiseerd, maar een aantal voornemens wachtte nog op uitvoering. Verder stelde zij dat het een open vraag bleef welke gevolgen nog zouden kunnen voortvloeien uit het feit dat ook indirecte discriminatie valt binnen de werkingssfeer van het Verdrag.[189] Zij wilde geen voorspellingen doen over deze gevolgen, maar vroeg de Kamer om aanpassing van het goedkeuringsvoorstel.

"Mijn fractie zou het met name met het oog op datgene wat wij wellicht nu nog niet kunnen vermoeden, een goede zaak vinden als het parlement periodiek verslag zou krijgen van de stand van zaken rond de tenuitvoerlegging van het Verdrag. Dat is niet alleen voor de directe discriminatie van belang, maar ook voor de indirecte. Deze laatste kan zomaar als een duveltje uit een doosje te voorschijn komen en daagt het kabinet dan uit, regelgeving aan te passen. Dat kan noodzakelijkerwijze wel eens enige geleidelijkheid met zich brengen. Om die verslaglegging en verantwoording aan het parlement goed te regelen, heb ik een amendement ingediend, medeondertekend door mevrouw Groenman en de heer Weisglas. Ik heb gekozen voor een vierjarige verslagperiode, omdat dit aansluit op de verplichting die in het Verdrag zelf is vastgelegd om eens in de vier jaar aan de VN te rapporteren. Het verslag aan de beide Kamers zou dan steeds één jaar voordat aan de VN verslag wordt uitgebracht, hier komen, hetgeen het ook nog mogelijk maakt de rapportage aan de VN te beïnvloeden."[190]

Het CDA-fractielid Soutendijk-van Appeldoorn kwam nog even terug op de opmerking uit de jaren 1984-1985 dat van het Verdrag "nauwelijks narigheid" te vrezen viel. Zij stelde vast dat inmiddels wel gebleken was dat de Nederlandse wetgeving

"niet altijd geheel voldeed en voldoet aan het non-discriminatiebeginsel."(...)
"Daarom willen wij nu proberen vooraf bij de behandeling van dit soort verdragen nauwkeuriger vast te stellen wat de consequenties kunnen zijn van de verdragsverplichtingen die wij op ons nemen. Niet omdat er sprake is van narigheid als wij het beginsel van gelijke behandeling toepassen op onze rechtsorde, maar omdat wij willen weten in welke opzichten onze wetgeving en andere beleidsinstrumenten bijstelling behoeven bij aanvaarding van verdragen. In de achter ons liggende periode is namelijk keer op keer gebleken dat internationaal recht in casu verdragsrecht veel meer is dan een beginselverklaring."

De CDA-fractie vond het dan ook van groot belang om zicht te hebben op de werkingssfeer van het Verdrag en op de tijdslimieten die de Nederlandse wetgever gesteld worden om de wetgeving aan te passen.[191]

In de discussies op 3 en 4 juli 1990 benadrukte Soutendijk-van Appeldoorn dat groot belang gehecht diende te worden aan het actualiseren en actueel houden van de overzichten betreffende de uitvoering van de verdragsverplichtingen. Met name omwille van toetsing van regelgeving aan het leerstuk van indirecte discriminatie leek haar deze actualisering gewenst. In dit kader zag zij ook een nuttige rol weggelegd voor de in het amendement-Kalsbeek voorgestelde rapportage aan het parlement over de uitvoering van de verdragsverplichtingen.[192]

Staatssecretaris Ter Veld was van mening dat een actualisering, met name ter zake van de indirecte discriminatie, "een zeer forse nieuwe taakopdracht" zou zijn, vooral vanwege het feit dat dit leerstuk sterk in beweging is. Zij deed de toezegging dat bekeken zou worden of "de meest pregnante gevallen" opgespoord konden worden.[193] Met betrekking tot het amendement-Kalsbeek merkte zij op dat het altijd handig is, "gewoon voor de keukenkalender, als iets ook in de wet staat." Afgezien van het zo verwoorde praktische nut van het amendement zei zij het amendement op te vatten als een verplichting om

"een interne, nationale rapportage te doen, waarin, naast alle andere stukken waarop gewezen wordt, met name aandacht besteed wordt aan de extra effecten die juist dit verdrag op een aantal terreinen heeft voor de situatie in Nederland."