Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


4.5 Slotsom

Regering en parlement hebben bij de totstandkoming van de Goedkeuringswet van het Vrouwenverdrag uitvoerig gediscussieerd over inhoud en gevolgen van het Verdrag voor de Nederlandse rechtsorde. Deze discussie heeft vanaf de ondertekening van het Verdrag in 1980 een kleine elf jaar geduurd. Inzet van het debat was de vraag in hoeverre Nederland al voldeed aan de verdragsverplichtingen en welke wettelijke en beleidsmatige aanpassingen nog nodig zouden zijn. Direct daarmee verbonden was de vraag hoe "geleidelijk" de verwezenlijking van de verplichtingen zou mogen zijn en in hoeverre het Verdrag nu reeds direct werkende bepalingen bezat. In deze discussie kwamen de thema's die ook aan de orde waren bij de behandeling van de AWGB wederom aan de orde, zoals horizontale werking en botsing van grondrechten.

Regering en parlement waren gezamenlijk van mening dat recente opvattingen over verdragsinterpretatie met zich meebrengen dat de opvattingen van het moment van goedkeuring niet doorslaggevend zijn voor de inhoud en verplichtingen uit het Verdrag. De regering benadrukte dit nog eens bij de Nota bij het eindverslag. Daarom koos de wetgever ten slotte niet voor een eindtermijn voor de verwezenlijking, maar voor een dynamische verdragsimplementatie, in die zin, dat men ervan uitging dat verdragsverplichtingen zich met de tijd ontwikkelen en deze ontwikkeling zijn neerslag vindt in de wijze waarop het Verdrag in de toekomst geïmplementeerd wordt.

De "Kalsbeek-rapportage", de wettelijke verplichting tot een vierjaarlijkse rapportage aan het parlement, vastgelegd in de Goedkeuringswet, geeft uitdrukking aan deze opvatting. Het artikel legt vast dat het parlement periodiek op de hoogte gehouden wordt van de dynamische ontwikkelingen bij de implementatie van het Vrouwenverdrag en - in reactie daarop - ook invloed kan uitoefenen op de rapportage van Nederland aan het CEDAW. Het was de eerste maal dat de Tweede Kamer zich op deze wijze betrokken toonde bij de rapportageverplichting aan een internationaal supervisieorgaan.