| 5 DE INVLOED VAN HET
VROUWENVERDRAG TOT NU TOE 5.1 Inleiding
Het Vrouwenverdrag heeft, zo is uit
de voorafgaande hoofdstukken wel gebleken, een zeer
brede, programmatische opzet. Men zou kunnen zeggen dat
de bepalingen van het Verdrag zo ruim geformuleerd zijn
dat al hetgeen de positie van de vrouw raakt wel door het
Vrouwenverdrag bestreken wordt. Bij de parlementaire
behandeling is daaraan, zowel door de regering als door
de Kamer, veelvuldig gerefereerd, en zijn diverse
beleidsvoornemens en wetgevingsinitiatieven genoemd, die
door het Vrouwenverdrag bestreken zouden worden. Het
Vrouwenverdrag is, voor zover het zich richt tot de
staat, een beleids- en wetgevingsprogramma ter
bestrijding van discriminatie van de vrouw en ter
verbetering van de positie van vrouwen. Daarnaast schept
het Vrouwenverdrag, voor zover het concreet genoeg is,
rechten voor vrouwen, en zijn er aan het Vrouwenverdrag
bepaalde normen te ontlenen waaraan het overheidsbeleid
dient te voldoen. Over deze laatste twee onderwerpen is
in de rechtsliteratuur uitvoerig gediscussieerd.
Bij de ondertekening van het
Vrouwenverdrag in 1980 viel nog te verwachten dat de
invloed van het Vrouwenverdrag op de Nederlandse
rechtsorde groot zou zijn. In de regelgeving kwamen nog
veel direct discriminerende bepalingen voor en het
emancipatiebeleid stond nog in de kinderschoenen. In de
periode tussen 1979 en 1991 is op dit terrein echter veel
gebeurd. Emancipatie is een van de kerndoelen van
overheidsbeleid geworden en krijgt gestalte in zowel een
specifiek emancipatiebeleid als in flankerend beleid
gericht op het facetkarakter van emancipatie. De
wetgeving is voor een belangrijk deel gezuiverd van
direct discriminerende bepalingen, het beginsel van
gelijke behandeling is opgenomen in de Grondwet en er is,
mede in het kader van de EG-wetgeving,
anti-discrimi-natiewetgeving tot stand gekomen. Tegen
deze achtergrond lijkt de meerwaarde van het
Vrouwenverdrag thans geringer dan tijdens de jaren van de
parlementaire behandeling. Nederland heeft in de loop van
de jaren tachtig immers al veel gedaan èn veel bereikt,
zo rapporteerde de Nederlandse regering in 1992 ook aan
het toezichthoudend Comité CEDAW.
Formeel kan uiteraard het beleid in
zijn algemeenheid pas aan het Vrouwenverdrag getoetst
worden vanaf 1991, het jaar van de Goedkeuringswet. De
rapportage van Nederland aan het CEDAW vond dan ook voor
het eerst plaats in 1992. De invloed van het
Vrouwenverdrag strekt zich echter ook uit over eerdere
perioden, omdat gedurende de jaren voorafgaand aan de
goedkeuring voortdurend gespeeld heeft dat Nederland zijn
beleid en wetgeving aangepast wenste te zien vóór de
goedkeuring. Toen de gedachte van volledige aanpassing
voorafgaand aan de Goedkeuringswet omstreeks 1985 werd
losgelaten, bleef overeind dat Nederland geen
strijdigheid van beleid of wetgeving met het
Vrouwenverdrag wenste; de opvattingen van regering en
parlement over de geleidelijke verwezenlijking van het
Vrouwenverdrag kregen daardoor een bijzonder belang. Ook
het CEDAW betrok in 1992 de voorafgaande periodes en het
inmiddels ontwikkelde beleid in haar beoordeling.
In dit hoofdstuk wordt een
beschrijving gegeven van het Nederlandse beleid en de
wetgeving tegen de achtergrond van het Vrouwenverdrag: de
opdracht tot het nemen van passende maatregelen, en het
voeren van een actief en dynamisch beleid; het creëren
van een "national machinery" ten behoeve van de
implementatie; de doorwerking van het
discriminatieconcept in beleid en wetgeving, het beginsel
van de materiële rechtsgelijkheid, het voorkomen van
verslechtering; en ten slotte het beleid op een groot
aantal deelterreinen, genoemd in het Vrouwenverdrag. In
een volgend, meer theoretisch hoofdstuk komen deze
onderwerpen opnieuw aan de orde, maar dan in meer
analytische zin, en als onderbouwing van de conclusies
van dit rapport.
Hoofdstuk 5 is als volgt opgebouwd.
Het begint met een weergave van de juridische discussie
over de meerwaarde van het Vrouwenverdrag (5.2.).
Dan volgt een bespreking van het
Nederlandse overheidsbeleid (5.3), waarbij vooral
aandacht besteed wordt aan de ontwikkeling van het
emancipatiebeleid in zijn algemeenheid en van de daarbij
behorende "national machinery". Vanwege het
grote belang voor de emancipatie wordt het beleid ten
aanzien van de positie van de vrouw op de arbeidsmarkt
nader besproken.
Vervolgens komt aan de orde in
hoeverre de huidige wetgeving voldoet aan het
Vrouwenverdrag (5.4), en in hoeverre er bij de
totstandkoming van wetgeving rekening gehouden wordt met
de normen van het Vrouwenverdrag. In het parlement is
enige malen sprake geweest van voor vrouwen direct of
indirect discriminerende wetgeving, en de vraag is
gesteld of dergelijke wetgeving strijd met het
Vrouwenverdrag kan opleveren. In dit verband worden drie
wetgevingsprojecten behandeld, die duidelijk met het
Vrouwenverdrag te maken hebben:
- de AWGB die aanvankelijk werd
gezien als uitvoering van het Vrouwenverdrag
- de strafbaarstelling van (vrouwen)discriminatie, en het
daarbij gehanteerde discriminatieconcept
- de operatie "Anders Geregeld" die tot doel
heeft direct onderscheid uit de bestaande wetgeving te
verwijderen.
Daarna wordt een aantal andere
wetgevingsvoorbeelden behandeld, waarbij het
Vrouwenverdrag aan de orde was of waar het gezien doel en
strekking van het Verdrag aan de orde had kunnen komen.
Ten slotte wordt bekeken in
hoeverre het Vrouwenverdrag tot nu toe een rol heeft
gespeeld in de Nederlandse rechtspraktijk (5.5).
|