| 5.2 De juridische
discussie over het Vrouwenverdrag In 1979 had het delegatielid Van den Assum al gewaarschuwd tegen al te hooggespannen verwachtingen. Het Vrouwenverdrag zou niet beschouwd mogen worden als een garantie dat vrouwen nu een optimale positie zouden kunnen verwerven, zo stelde zij. Wel kon het Vrouwenverdrag opgevat worden als "een startpunt van waaruit gewenste en noodzakelijke veranderingen zich verder voltrekken".[194] Een jaar later belichtte zij meer de positieve kant: met de aanvaarding van het Vrouwenverdrag was een belangrijke stap gezet op het terrein van de normstelling en hadden vrouwen een belangrijk instrument in handen gekregen in hun strijd voor gelijkberechtiging.[195] Midden jaren tachtig stelde Goldschmidt dat zij voor de positieverbetering van de Nederlandse vrouw vooral veel verwachtte van het internationale recht. Door het inroepen van de internationale verdragsregels bij de rechter kon de trage Nederlandse overheid mogelijk tot actiever optreden bewogen worden. Dit vereiste echter wel dat de rechter de nakoming van deze internationale verplichtingen daadwerkelijk zou kunnen afdwingen. Maar het lijkt er niet op dat de regering er veel voor voelt de rechter deze bevoegdheid met betrekking tot het Vrouwenverdrag te geven, zo meende Goldschmidt. Dat blijkt vooral uit de voortdurende onduidelijkheid over directe werking van de bepalingen uit het Vrouwenverdrag, een onderwerp dat meer pennen in beweging bracht. Bij het uitblijven van duidelijke uitspraken van de regering deden rechtswetenschappelijke auteurs zelf suggesties voor directe werking van de verdragsbepalingen. Goldschmidt noemt artikel 7 sub a en b, artikel 10 sub a, b, d, e en g en de meeste bepalingen van artikel 11. Zij concludeert dat "het Vrouwenverdrag de wetgever tot meer activiteit noodt dan de regering lijkt te vermoeden. Als de wetgever dit te lang achterwege laat, zal de rechter met enige creativiteit naar mogelijkheden moeten zoeken hem daartoe aan te zetten."[196] In diezelfde periode constateren De Hondt en Holtrust dat het Nederlandse familierecht op onderdelen in strijd is met artikel 16 Vrouwenverdrag. Het treurjaar van de zwangere weduwe, de ontkenning van vaderschap en het naamrecht moeten volgens hen anders geregeld worden. De auteurs concludeerden dat zowel wetgever als rechter hier een taak had: "De wetgever moet aan het werk en de rechter mag het Vrouwenverdrag alvast gebruiken."[197] In het NJB van 1985 doet Van Maarseveen een aantal suggesties van wat de rechter alvast gebruiken kan: hij wijst de bepalingen aan die zijns inziens directe werking hebben. Hij noemt o.a. artikel 2 eerste zinsnede, artikel 2 onder d, artikel 15 lid 3, artikel 16 lid 2 en artikel 23.[198] Hij stelt alvast: "Het verdrag tegen vrouwendiscriminatie zal na ratificatie aanzienlijke gevolgen hebben voor de Nederlandse wetgeving en de rechtspraktijk, al was het maar omdat de rechter de wetgeving op ruime schaal kan toetsen. (...) In zekere zin kan het Vrouwenverdrag beschouwd worden als de internationale èn nationale afronding van een jarenlange rechtspolitieke discussie. Wat er ter uitwerking gedaan moet worden is op te vatten als achterhoedewerk. (...) Het pionierswerk is elders komen te liggen. De feministische rechtspolitiek kan op weg naar meer fundamen-talistische doelstellingen."[199] Maar het "achterhoedewerk" zou langer in beslag nemen dan door Van Maarseveen was voorzien. Net als Goldschmidt, koesterde zowel Van Maarseveen als Brünott in 1987 nog de hoop dat het parlement een handje zou helpen om de rechtskracht van het Vrouwenverdrag te versterken. De wenselijkheid van directe werking zou door het parlement benadrukt kunnen worden, zodat de rechter over duidelijke aanwijzingen van de wetgever zou beschikken bij de toetsing van concrete gevallen, zo schreven zij.[200] Bovendien zou via amendering van de Goedkeuringswet per verdragsbepaling aangegeven kunnen worden binnen welke termijn de gelijkberechtiging gerealiseerd zou moeten zijn.[201] Het parlement is niet aan deze verwachtingen tegemoet gekomen. Mogelijk heeft Brünott dit voorzien; in een eerder artikel noemde zij het Vrouwenverdrag vooral een impuls voor een activistische aanpak door advocaten en andere rechtshulpverleners.[202] Een begin was inmiddels gemaakt door het initiatief van een groep rechtswetenschappers om de beschikbare kennis over het internationale recht en vrouwen te verwerken in een publicatie met bronnen en thematische commentaren.[203] In een van deze commentaren wijst Van Maarseveen nog een zeer cruciale bron aan van mogelijkheden tot verwerkelijking: de vrouwen, "maar evenzeer, of misschien zelfs meer, mannen." De taak die zij op zich dienen te nemen, is er niet alleen een van ageren en procederen, maar ook, en mogelijk vooral, een van praktiseren in het sociale en persoonlijke leven. In artikel 5 Vrouwenverdrag is als juridisch beginsel opgenomen dat de traditionele rolpatronen van mannen en vrouwen doorbroken dienen te worden. "Als dat beginsel (uitbanning van stereotypen) niet door mannen en vrouwen in hun persoonlijke relaties wordt verwerkelijkt, zijn alle publieke, officiële inspanningen vruchteloos".[204] Naarmate de jaren negentig naderen, komt de teleurstelling over het Vrouwenverdrag duidelijker naar voren. Lijnzaad spreekt van een "neuzelende en treuzelende wetgever"[205] en suggereert dat het Vrouwenverdrag "...een sprookje is: mooi, maar niet waar. Is het Vrouwenverdrag een kikker die, eenmaal omhelsd door verwachtingsvolle prinsessen, in een prins zal veranderen?" Zij denkt van niet. Sommige kikkers worden nooit prinsen. Medio jaren negentig klaart haar "wellicht te sombere kijk" weer wat op. De nadelen van het Vrouwenverdrag verdwijnen uiteraard niet: verdragspartijen zullen zich langdurig op de mogelijkheid van geleidelijke tenuitvoerlegging kunnen beroepen, het Vrouwenverdrag heeft een reikwijdte die verder gaat dan die van een klassiek mensen-rechtenverdrag, wat gemakkelijk zonder effect kan blijven. Maar deze nadelen kunnen ook als voordelen opgevat worden. Het uitbannen van vrouwendiscriminatie verdragsrechtelijk regelen betekent ook dat deze internationale verplichtingen niet zo eenvoudig naar beneden aangepast kunnen worden als een nationale wet. Daar komt nog bij dat een verdrag verplichtingen bevat voor de hele staat; wetgeving en nationaal beleid dienen op het Vrouwenverdrag afgestemd te zijn, maar ook gemeenten en waterschappen zijn aan het Vrouwenverdrag gebonden. De "vijandige omgeving" van het Vrouwenverdrag is allerminst verdwenen, maar juist dit Vrouwenverdrag vraagt om het opnieuw overdenken van de uitgangspunten met betrekking tot de doorwerking van verdragen in de Nederlandse rechtsorde.[206] |