Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


5.3 De invloed op het beleid

5.3.1 Passende maatregelen

In de artikelen 2 en 3 van het Vrouwenverdrag zijn de aanknopingspunten te vinden voor het voeren van een algemeen emancipatiebeleid door de (rijks)overheid. Artikel 2 gaat, kort gezegd, over het wegnemen van discriminatie jegens vrouwen en over de verplichtingen die verdragsstaten hebben tot het initiëren van wetgeving ter waarborging van de rechten van vrouwen. Artikel 3 richt zich op dezelfde onderwerpen, maar nu als positieve verplichtingen, als een opdracht tot actief beleid, en met name op het bevorderen van emancipatie in alle facetten van de samenleving. Door deze artikelen en vooral door artikel 3 wordt onderstreept dat de formele gelijkheid een noodzakelijke, maar niet een voldoende voorwaarde is om het verdragsdoel te bereiken.[207] Beide artikelen geven aan dat alle passende maatregelen, waaronder wetgevende, door verdragsstaten genomen moeten worden.

Bij de parlementaire behandeling van de Goedkeuringswet van het VN-Vrouwenverdrag zijn de criteria waar de staten aan moeten voldoen expliciet aan de orde gekomen. In de Memorie van Toelichting[208] wordt gezegd dat bestuurder en wetgever zonder uitstel - ook al mag de uitvoering geleidelijk plaatsvinden - concrete maatregelen van beleidsmatige en wetgevende aard moeten treffen. Ten aanzien van artikel 2 zijn tijdens de parlementaire behandeling vooral wetgevingsmaatregelen aan bod gekomen en bij de bespreking van artikel 3 is door het parlement met name ingegaan op beleidsmaatregelen.

In de eerste Nederlandse rapportage aan het CEDAW[209] spelen de "passende maatregelen" uiteraard een belangrijke rol. De Nederlandse rapportage geeft bij artikel 2 een overzicht van alle (antidiscriminatie)wetgeving die de afgelopen jaren tot stand is gekomen. Ten aanzien van het addendum bij artikel 2 wordt uitgebreid gerapporteerd over allerlei maatregelen en activiteiten betreffende het beleid ter bestrijding van seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes. Bij artikel 3 wordt een kort overzicht gegeven van de geschiedenis van het Nederlandse emancipatiebeleid tot en met het concept Beleidsprogramma Emancipatie van 1992. In het addendum bij artikel 3 wordt aangegeven dat ondersteuning en stimulering van het emancipatieproces mede gebeurt door de wisselwerking tussen de vrouwenbeweging en de overheid in de vorm van het emancipatie-onder-steuningsbeleid.

Het CEDAW heeft met betrekking tot de rapportage over artikel 2 en 3 een aantal vragen gesteld, mede geďnspireerd door de schaduwrapportage van de Nederlandse NGO's.[210] Het Comité vond de eerste Nederlandse rapportage in zijn algemeenheid te weinig analytisch en resultaatgericht. In de volgende rapportage wil het CEDAW meer effecten van genomen maatregelen opgenomen zien. Ook wil het Comité uitgebreidere vergelijkende gegevens en informatie over het financiële aspect van de beschreven projecten. Het CEDAW maakt zich zorgen over de resultaten van het projectmatig werken, die de plaats van structurele maatregelen lijken in te nemen. Het CEDAW vraagt zich af welke gevolgen de decentralisatie van het emancipatiebeleid heeft, en wil graag een overzicht van de knelpunten en negatieve gevolgen die de decentralisatie met zich meebrengt. Het Comité is goed te spreken over de genomen maatregelen om seksueel geweld jegens vrouwen en meisjes te bestrijden, maar wil weten of de genomen maatregelen ook daadwerkelijk effect hebben.

Uit deze eerste reactie van het CEDAW kan afgeleid worden dat de passende maatregelen op grond van artikel 2 en 3 gebaseerd moeten zijn op een deugdelijke analyse van de positie van de vrouw in de lidstaat, dat er structurele aanzetten gegeven dienen te worden voor positieverbetering en dat er gegevens over de effectiviteit van de genomen maatregelen beschikbaar dienen te zijn.