| 5.3.4 Invloed op het
terrein van de arbeid Het voert in het kader van dit onderzoek te
ver om de invloed van het Vrouwenverdrag op de
verschillende beleidsterreinen te bespreken. In deze
paragraaf besteden wij wel enige aandacht aan de
ontwikkelingen op het arbeidsterrein omdat deze cruciaal
zijn voor de positie van vrouwen in het algemeen en omdat
in de Nederlandse opvattingen en ook in de opvattingen
van het CEDAW daaraan groot belang wordt gehecht.
Emancipatiebeleid is vanaf het midden van de jaren
tachtig vooral gericht op arbeidsdeelname en het
verbeteren van de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt.
Juist op het arbeidsterrein blijft er echter nog wel wat
te wensen over, ook in vergelijking met omringende
landen. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de
verplichtingen die voortvloeien uit het Vrouwenverdrag in
relatie tot arbeid. De belangrijkste verplichtingen op
dit terreinen zijn verwoord in artikel 11, maar ook
artikel 4, 5 en een zestal Algemene Aanbevelingen.
Nederlandse Rapportage aan het
CEDAW
In deze eerste rapportage in 1992 is artikel 11 zeer
summier behandeld. Dat wekt bevreemding, omdat het
verbeteren van de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt
tot de speerpunten van het Nederlandse emancipatiebeleid
behoort. Het rapport gaat kort in op het algemene
werkgelegenheidsbeleid van de Nederlandse overheid, en de
Vrouw-en-Werkwinkels en de vrouwenvakscholen worden
vermeld als specifieke instrumenten om de deelname van
vrouwen aan de arbeidsmarkt te bevorderen. De maatregelen
die de overheid wil nemen om de beroepssegregatie te
doorbreken worden genoemd: middels projecten en
voorlichting.
Cijfers over deeltijd en voltijd,
het aantal uren dat aan onbetaalde arbeid wordt besteed
en werkloosheid onder vrouwen worden niet vermeld. Het
cijfermateriaal is wel voorhanden: de Sociale Atlas van
de Vrouw deel II, uitgegeven door het Sociaal en
Cultureel Planbureau bevat veel informatie over de
positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Daarnaast wordt
er door SZW regelmatig een overzicht gegeven van de
positie van vrouwen op de arbeidsmarkt.[257] Over het
doorberekenen van de waarde van onbetaalde arbeid in het
BNP is het rapport kort: dat gebeurt niet in Nederland.
Voor wetgeving op het terrein van
arbeid wordt in het rapport verwezen naar de WGB, de AWGB
en naar maatregelen in verband met gezondheid en
veiligheid. Wel wordt uitgebreid ingegaan op het beleid
ter bestrijding van seksuele intimidatie op het werk. De
diverse verlofregelingen, flexibele werktijden en het
kinderopvangbeleid worden kort beschreven bij lid 2 sub
c.
Bij de bespreking van de
Nederlandse Rapportage door het CEDAW, komt vooral het
hoofdstuk over artikel 11 zwaar onder vuur te liggen. Het
CEDAW vindt de rapportage op dit onderdeel
"remarkably thin". Men mist een analyse van de
situatie, alsmede vele gegevens, onder meer over
pensioenrechten, atypische vormen van arbeid en het
bevorderen van de doorstroming van vrouwen naar hogere
functies. Het CEDAW baseert haar kritische vragen deels
op de schaduwrapportage van de NGO's, die onder meer
cijfers over de werkloosheid onder vrouwen, over het
aantal vrouwelijke deeltijders, en over de inkomenskloof
tussen mannen en vrouwen bevat.
Arbeidsmarktdeelname
Recente cijfers laten het volgende beeld zien van de
positie van vrouwen op de arbeidsmarkt. De totale
arbeidsparticipatie van vrouwen gerekend in uren is in
1994 niet gestegen: evenals in 1993 had 42% van alle
vrouwen tussen 15 en 65 jaar een baan van minstens 12 uur
per week.[258] In 1994
is het werkloosheidspercentage van vrouwen ruim 11% en
dat van mannen iets minder dan 7%. Zwarte en
migrantenvrouwen zijn drie maal zo vaak werkloos als
autochtone vrouwen. Cijfers van de OSA[259] laten zien dat
het aantal werkende vrouwen wel is gestegen. Dit wordt
veroorzaakt door een afname van het aantal voltijd
werkende vrouwen en een toename van het aantal in
deeltijd werkende vrouwen. Een op de tien werkende
vrouwen werkt minder dan 12 uur per week. En zes van de
tien werken minder dan 35 uur per week. Van de 14% mannen
die in deeltijd werken bestaat de helft uit scholieren en
studenten met een bijbaantje. Deeltijd is voor
Nederlandse vrouwen hét middel om de combinatie van
arbeid en zorg te (kunnen) realiseren. Maar
deeltijdarbeid heeft negatieve gevolgen voor de
economische zelfstandigheid van vrouwen en blijkt in de
praktijk de doorstroom van vrouwen naar hogere functies
te belemmeren.
Van alle personen met
beleidsvoerende of hogere leidinggevende functies is in
1992 13% vrouw (in 1987 was dat 7%). In alle
beroepstakken blijft het aandeel van vrouwen in
leidinggevende functies, ondanks een relatief sterke
groei, vooral na 1985 nog steeds achter bij het
gemiddelde aandeel van vrouwen in de betreffende
beroepstakken. Bovendien waren in 1992 ruim 70% van de
werkende vrouwen in slechts 10 van de 85 onderscheiden
beroepsklassen werkzaam. In de ambachts-, industrie- en
transportberoepen werkt in 1992 slechts 6% van de
werkende vrouwen tegenover 35% van de werkende mannen.
Van de vrouwen is 72% werkzaam in twee van de negen
bedrijfstakken, namelijk handel, horeca en
reparatiebedrijven (21%) en overige dienstverlening
(15%).[260]
Inkomenskloof
De inkomenskloof tussen vrouwen en mannen bedraagt
circa 25%, een cijfer dat het laatste decennium aan
weinig verandering onderhevig is. Voor een deel valt deze
inkomenskloof te verklaren door leeftijd en werkervaring.
Onderzoek toont echter aan dat
functies waarin overwegend vrouwen werkzaam zijn, over
het algemeen lager beloond worden dan functies waarin
voornamelijk mannen werkzaam zijn. Aan de beroepen die
van oudsher door vrouwen vervuld worden, zoals
verzorgende, verplegende en administratieve beroepen,
wordt in de samenleving over het algemeen een lage
financiële waardering toegekend. Deze lage waardering
van vrouwenberoepen komt terug in de
functiewaarderingssystemen. Discriminatie in (de
toepassing van) functiewaarderingssystemen is
verantwoordelijk voor 30% tot 40% van de inkomenskloof.
Maar hoewel het Vrouwenverdag expliciet oproept om
functiewaarderingssystemen te onderwerpen aan onderzoek[261], komen
initiatieven hiertoe vooral vanuit beroepsverenigingen en
vakbonden, en niet vanuit de overheid.[262] Bovendien speelt
beeldvorming hierbij een rol. Artikel 5, gekoppeld aan
artikel 11 lid 1 sub b én in het licht van Algemene
Aanbeveling 13, vraagt om een actievere houding van de
overheid dan tot op heden het geval is.
Vrouwelijke ondernemers
Hoewel het aantal vrouwelijke ondernemers toeneemt,
worden zij nog steeds geconfronteerd met een aantal
belangrijke knelpunten. Het zijn de combinatie zorg en
arbeid, kredietverstrekking, de startpositie van
herintreedsters en de ontoe-gankelijkheid van
voorzieningen. Wettelijke verlofregelingen zijn van
toepassing op werknemers in loondienst, niet voor
zelfstandigen. Er bestaan wel
(arbeids-ongeschiktheids)verzekeringen voor
zwangerschaps- en bevallingsverlof, maar dat kost
bijzonder veel geld. Sommige vrouwelijke ondernemers
willen in deeltijd ondernemen vanwege de combinatie
arbeid en zorg en moeten uitgaan van een ander
winstperspectief. Dit leidt tot problemen bij het
rondkrijgen van de financiering, omdat banken hun
kredietverleningscriteria baseren op voltijds ondernemen.
Vrouwen voldoen dus niet altijd aan deze criteria. Maar
ook beeldvorming speelt een rol. Artikel 5 gekoppeld aan
artikel 11 lid 1 sub b vraagt om verdergaande bezinning
op maatregelen en beleid dan tot op heden het geval is.
Combinatie arbeid en zorg
Een belangrijk knelpunt blijft de combinatie van
arbeid en zorg (artikel 11, lid 2 sub c). Hoewel de
laatste jaren een scala van wetgeving en
beleidsmaatregelen op dit terrein te zien is, vertoont de
praktijk nog veel gebreken. De ongelijke verdeling van
onbetaalde arbeid tussen vrouwen en mannen veroorzaakt
een stagnatie in de arbeidsdeelname van vrouwen.[263] De arbeidsmarkt
is nog steeds ingericht op mannen die voltijds werken en
thuis (nauwelijks) zorgtaken vervullen. Daarnaast zijn er
te weinig voorzieningen om de combinatie van arbeid en
zorg mogelijk te maken. Deeltijdarbeid biedt wel enig
soelaas, maar heeft repercussies op inkomen en carrière.
Dat belemmert tevens mannen om in deeltijd te gaan
werken. Verlofmaatregelen zijn onbetaald en beperkt.
Bovendien kent de kinderopvang lange wachtlijsten. Hoewel
het aantal kindplaatsen zich uitbreidt, kent Nederland
slechts voor 3% van de kinderen tot drie jaar
gesubsidieerde opvang.[264] Voor
elk kind dat geplaatst kan worden in een
kinderdagverblijf staat er één op de wachtlijst. Met
het aflopen van de Stimuleringsregeling Kinderopvang in
1996 en de onduidelijkheid over de wijze waarop
gemeentelijke overheden aan de verdragsverplichting
uitvoering gaan geven, kan men zich afvragen in hoeverre
dit tot een verslechtering gaat leiden van de
kinderopvangmogelijkheden. Als dat het geval is, ligt een
beroep op artikel 11, lid 2 sub c Vrouwenverdrag in het
vizier.
In 1995 heeft het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid twee nota's het licht
doen zien, die beide van belang zijn voor vrouwen op de
arbeidsmarkt. De nota "Om de kwaliteit van arbeid en
zorg: investeren in verlof" bevat voorstellen om de
combinatie van arbeid en zorg te vergemakkelijken. Een
tweede nota in belang van vrouwelijke werknemers is
"Flexibiliteit en zekerheid"[265], waarin naar een
evenwicht wordt gezocht tussen de gewenste
flexibilisering van de arbeid en een ongewenste
rechtsonzekerheid voor flexibele werknemers, met name aan
de onderkant van de arbeidsmarkt.
Beleid inzake horizontale en
verticale beroepssegregatie
De afgelopen 10 jaar heeft de overheid een aantal
maatregelen getroffen teneinde de beroepssegregatie te
doorbreken. Ten aanzien van de horizontale segregatie is
een aantal projecten ontwikkeld, zoals vrouwen in
technische beroepen[266];
vrouwen in de bouw en vrouwen in de metaal; een
"kies exact"-campagne (voorlichting specifiek
gericht op meisjes); vrouwen bij de politie en bij de
brandweer; en sinds 1988 voert de overheid een beleid
voor vrouwelijk ondernemerschap. Deze maatregelen zijn
vormgegeven in projecten. Via voorlichting probeert de
overheid zich vooral op vrouwen te richten teneinde hen
te bewegen in deze sectoren in te stromen. Gebleken is
dat de aanwezigheid van bepaalde arbeidsvoorwaarden,
zoals kinderopvang, deeltijdbanen en verlofregelingen,
van invloed is op de beroepssegregatie. Een andere
essentiële factor, zowel op het terrein van de
technische beroepen als bij de doorstroom van vrouwen
naar hogere functies, is de beeldvorming die negatief
uitpakt voor vrouwen. De man wordt als standaard
gehanteerd voor wat als "normaal" wordt
beschouwd. De beroepssegregatie blijft hierdoor in stand.
De Emancipatieraad heeft in zijn advies over vrouwen in
techniek kritiek geuit op de aanpak van de overheid.
Vrouwen moeten zich aanpassen aan de techniek en het
technologiebeleid in hun huidige vorm. Het
technologiebeleid zou herzien moeten worden, waarbij
gebruiksvriendelijkheid van techniek en praktische
toepasbaarheid voorop staat.[267]
Genoemde projecten zijn vaak
kortdurend: van integratie naar reguliere organisaties is
geen sprake. Concrete cijfers van de behaalde resultaten
zijn niet bekend. Wel blijkt uit onderzoek dat het aantal
vrouwen bij de politie en bij de brandweer stagneert of
zelfs terugloopt.
De vrouwenvakscholen leveren een
belangrijke bijdrage aan het opleiden van vrouwen in
technische beroepen. Hoewel het uitstroompercentage naar
betaald werk bijzonder hoog is - circa 80% - worden de
vrouwenvakscholen bedreigd met bezuinigingen en
opheffing.[268]
Hetzelfde geldt ten aanzien van de Vrouw-en-Werkwinkels.
Gezien de genomen maatregelen om de beroepssegregatie te
doorbreken en de resultaten daarvan tot nog toe, is het
de vraag of de Nederlandse overheid in het kader van
artikel 11 lid 1 sub b wel alle passende maatregelen
heeft genomen.
Wat de verticale segregatie betreft
kende de overheid van 1989 tot en met 1994 de
Stimuleringsregeling positieve actie. Arbeidsorganisaties
die een positieve-actieprogramma willen voeren om meer
vrouwen in dienst te nemen, konden een beroep doen op
deze regeling en in aanmerking komen voor subsidie. Uit
de evaluatie van deze regeling bleek dat voornamelijk
non-profitorganisaties er gebruik van hadden gemaakt.
Ten aanzien van de verticale
segregatie laat Nederland dan ook geen positief beeld
zien. Zoals reeds aangegeven is in 1992 13% van alle
personen met beleidsvoerende of hogere leidinggevende
functies vrouw. Op 17 oktober 1995 heeft het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen een uitspraak
gedaan in de zaak Kalanke. Het Hof keurde het
voorkeursbeleid van de stad Bremen in Duitsland af, omdat
dit beleid inhoudt dat vrouwen automatisch voorrang
krijgen bij vacatures, totdat in de betreffende groep
werknemers 50% vrouwen werken. In Nederland kreeg deze
uitspraak veel aandacht in de media. Maar het
voorkeursbeleid zoals dat in Nederland wordt gevoerd en
ook de criteria die de Commissie Gelijke Behandeling
hanteert zijn niet in strijd met de EG-Richtlijn over
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang
tot de arbeid. Het positieve-actie- of voorkeursbeleid
wordt slechts gehanteerd daar waar de achterstand van
vrouwen aantoonbaar is. De achterstand wordt gemeten aan
de hand van het aanbod op de arbeidsmarkt voor de bewuste
functiegroep. Gezien de positie van vrouwen op de
arbeidsmarkt in Nederland is een voorkeursbeleid nog
steeds noodzakelijk. De overheid bezint zich er momenteel
op hoe werkgevers in het bedrijfsleven tot het voeren van
positieve actie bewogen kunnen worden. Uit onderzoek
blijkt dat de term positieve-actiebeleid als verouderd en
achterhaald wordt beschouwd. Rond vrouwvriendelijk
personeelsbeleid hangt veelal een negatief imago.[269] De overheid
vindt dat een nieuwe impuls nodig is om de positie van
vrouwen in het bedrijfsleven te verbeteren. Gedacht wordt
aan een actievere rol van het bedrijfsleven zelf. Het
Servicepunt Positieve Actie, ondergebracht bij het
ministerie van Binnenlandse Zaken en bedoeld om overheden
te ondersteunen bij het ontwikkelen van
positieve-actieprogramma's, is inmiddels opgeheven.
Zeker gezien het belang dat het
CEDAW hecht aan artikel 4 kan ook hier de vraag gesteld
worden of het Nederlandse overheidsbeleid wel passend is
gezien de ernst van de situatie. Het gevoerde beleid
heeft vooralsnog tot weinig concrete resultaten geleid.
Uit de opheffing van het Servicepunt Positieve Actie valt
zelfs een verslechtering af te leiden. De cijfers laten
zien dat het met het voorkeursbeleid van de overheid zelf
ook (nog) niet al te best gesteld is. Uit een onderzoek
in opdracht van de Emancipatieraad[270] blijkt dat positieve actie wel degelijk
effect kan hebben, mits er aan een aantal voorwaarden
wordt voldaan, waaronder het stellen van concrete doelen
en het consequent voeren van beleid in de gehele
organisatie.
Beleid inzake arbeid en zorg
Een van de wettelijke maatregelen terzake is het
ouderschapsverlof. Uit de evaluatie van deze wet blijkt
dat 27% van de rechthebbende vrouwen en 11% van de
rechthebbende mannen gebruik hebben gemaakt van deze
regeling. Het onbetaalde karakter ervan blijkt de
belangrijkste belemmering te zijn bij het opnemen van het
ouderschapsverlof, met name voor mannen. Bovendien blijkt
uit het onderzoek dat in 62% van de gevallen
verlofgangers niet worden vervangen tijdens hun
afwezigheid. Dat leidt tot een hogere werkdruk voor
collega's, de verlofganger zelf of het blijven liggen van
taken. De wet draagt dus niet bij tot een herverdeling
van betaalde en onbetaalde arbeid, hetgeen toch één van
de uitgangspunten van de wet is. Het opnemen van
ouderschapsverlof kan bovendien consequenties hebben voor
de pensioenopbouw. Uit onderzoek blijkt dat in 13% van de
onderzochte regelingen het nabestaandenpensioen berekend
wordt op basis van het lagere salaris dat wordt verdiend
tijdens het verlof. In 18% van de gevallen kan de
werknemer de pensioenopbouw handhaven door zelf zowel het
werkgevers- als het werknemersaandeel te betalen. Dit
lijkt niet in overeenstemming te zijn met artikel 11 lid
1 sub c en lid 2 sub c van het Vrouwenverdrag. Het
kabinet is vooralsnog niet van plan om een regeling voor
betaald ouderschapsverlof in te stellen. Zorgverlof wordt
niet bij wet geregeld. Uit onderzoek blijkt dat er wel
een grote behoefte is aan een dergelijk verlof: 89% van
de respondenten vindt het nodig of zeer nodig dat er een
regeling voor kortdurend calamiteitenverlof komt. Wat
verbetering van arbeidsvoorwaarden betreft scoorde
calamiteitenverlof, na loonsverhogingen, het hoogst, met
langdurig verpleegverlof op de vierde plaats.[271] Wel is er sprake
van een op handen zijnd wetsvoorstel Wet op de
loopbaanonderbreking, waarin voorstellen worden gedaan
inzake een basisregeling voor verlof.
Naar Nederlandse gewoonte kennen
genoemde wettelijke regelingen op het terrein van
kinderopvang, deeltijdarbeid, positieve actie,
ouderschapsverlof en calamiteitenverlof de mogelijkheid
tot uitbreiding via cao's. Dit past in het
de-reguleringsbeleid van de overheid. Deze schept de
randvoorwaarden waaraan sociale partners zo mogelijk
invulling geven. Uit een recent onderzoek in opdracht van
de Emancipatieraad[272] blijkt
dat de alleenverantwoordelijkheid van sociale partners
onvoldoende garanties biedt voor de voortgang van het
emancipatieproces op het terrein van arbeid en inkomen.
Van de 89 onderzochte cao's blijken er negentien concrete
afspraken te bevatten (dus meer dan intentiebepalingen)
over bijvoorbeeld gelijke behandeling van deeltijd- en
voltijdwerkers, een bovenwettelijke
ouderschapsverlofregeling of mogelijkheden voor deeltijd.
Behalve dat dergelijke bovenwettelijke regelingen
dikwijls niet tot stand komen, valt niet iedere werknemer
onder een cao: cao's zijn van toepassing op circa 80% van
de werknemers.
Herverdeling betaalde en
onbetaalde arbeid
Naast genoemde wettelijke maatregelen is een van de
speerpunten van het Nederlandse emancipatiebeleid de
herverdeling van onbetaalde arbeid. De Commissie
Toekomstscenario's heeft in een viertal scenario's
uitgewerkt op welke wijze de onbetaalde arbeid
gelijkelijk onder mannen en vrouwen verdeeld kan worden.
Deze Commissie heeft twee soorten maatregelen uitgewerkt:
maatregelen die gericht zijn op de herverdeling van
onbetaalde zorgarbeid tussen mannen en vrouwen en
maatregelen die van onbetaalde zorgtaken betaalde
zorgtaken moeten maken. De Commissie geeft de voorkeur
aan het Combinatiescenario. In dit scenario is gestreefd
naar een evenwichtige verdeling van betaalde en
onbetaalde zorgarbeid, waarbij de onbetaalde arbeid
gelijk over mannen en vrouwen verdeeld is. Naast
flexibilisering van arbeidsduur stelt de Commissie de
uitbreiding voor van betaalde zorgverloven.
Kostwinnersfaciliteiten moeten geleidelijk worden omgezet
in individuele rechten en plichten in belastingen en
sociale zekerheid. De kinderopvang moet een
basisvoorziening worden door een wettelijke en
financiële regeling voor kinderen tot dertien jaar. De
Commissie geeft aan dat kinderopvang een onderwerp van
aanhoudende zorg moet zijn. Gestreefd zou moeten worden
naar 121.000 kindplaatsen in het jaar 2010. Een werkweek
van 29 tot 32 uur zou dan gebruikelijk moeten zijn. Het
kabinet heeft zich vooralsnog niet uitgesproken over het
werk van de Commissie, laat staan dat er een keuze is
gemaakt voor een scenario. Dat is jammer, want het
Combinatiescenario lijkt uitstekend te passen bij een
nadere invulling van artikel 11 lid 2 sub c in combinatie
met artikel 5, het doorbreken van traditionele
rollenpatronen.
Enkele conclusies
Geconcludeerd mag worden dat de positie van vrouwen
op de arbeidsmarkt nog lang niet gelijk(waardig) is aan
die van mannen. Er is slechts hier en daar sprake van
structurele aanzetten, maar gezien de omvang van de
problematiek lijken deze niet adequaat. Veel beleid is
projectenbeleid. Hoewel soms onderzoek wordt gedaan naar
de effecten van beleid, is van een structurele
effectmeting geen sprake. Projecten en voorzieningen
worden vaak na korte tijd weer afgebouwd zonder dat een
duidelijk verband gelegd wordt met hun effectiviteit.
- Onbetaalde arbeid is niet in
het BNP opgenomen. Om tegemoet te komen aan de
verdragsverplichting onbetaalde arbeid in het BNP
te verdisconteren, kan onder meer een reeds
uitgevoerd onderzoek van de Emancipatieraad
dienen.[273]
- Met betrekking tot de
horizontale segregatie op de arbeidsmarkt heeft
de overheid vooral projecten opgezet en (laten)
uitvoeren. Wanneer deze projecten niet worden
geïntegreerd, gaat de daarin opgebouwde
expertise verloren.
- Specifieke instrumenten, te
weten vrouwenvakscholen en Vrouw-en-Werkwinkels,
worden met opheffing bedreigd.
- De problematiek van de
beroepensegregatie hangt nauw samen met
beeldvorming (art. 5 Vrouwenverdrag).
Beeldvorming was een van de speerpunten van het
emancipatiebeleid en dreigt nu van de agenda te
worden afgevoerd.
- De verticale beroepenscheiding
vraagt om een vervolg van het
positieve-actiebeleid. Het tot nu toe gevolgde
voorkeursbeleid, in de vorm van "voorkeur
bij gelijke geschiktheid", heeft nauwelijks
effect gehad. Men kan zich afvragen of geen
dwingender maatregelen gewenst zijn.
- Het verkleinen van de
inkomenskloof tussen vrouwen en mannen kan
bevorderd worden door het gebruik van
niet-seksediscriminerende
functiewaar-deringssystemen.
- De positie van vrouwelijke
ondernemers kan worden verbeterd door de
toegankelijkheid van bepaalde voorzieningen te
bevorderen (artikel 11 lid 1 sub b).
- Om de combinatie van arbeid en
zorg mogelijk te maken zijn er, ondanks de
maatregelen die de Nederlandse overheid de
laatste jaren heeft genomen, nog belangrijke
knelpunten: het onbetaalde karakter van het
ouderschapsverlof; het ontbreken van een
wettelijk zorgverlof; onvoldoende kinderopvang;
het ontbreken van wettelijk kader voor deeltijd.
Juist op het arbeidsmarktterrein
blijkt dus een belangrijke achterstand van vrouwen. Op
basis van het tot nu toe gevoerde beleid en de genomen
maatregelen kan daarin op de korte termijn geen
verbetering worden verwacht.
|