| 5.4 Wetgeving 5.4.1 Toetsing van wetgeving aan het Vrouwenverdrag Wetgeving wordt niet systematisch getoetst aan het Vrouwenverdrag. Wel toetst de stafafdeling Algemeen Wetgevingsbeleid van het ministerie van Justitie wetgevingsvoornemens, ook van andere departementen, aan een aantal criteria, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Hierbij wordt zowel de vraag naar het voorkomen van directe als van indirecte discriminatie gesteld.[274] Het Vrouwenverdrag zou bij deze toetsing een rol kunnen spelen, maar gebruikelijk is dat niet. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de gangbare opvatting dat de meeste bepalingen van het Vrouwenverdrag feitelijk niet afdwingbaar zijn. Ook speelt het moment van toetsing een rol: deze vindt als regel in een vrij laat stadium plaats. Er zijn dan zwaarwegende argumenten nodig om de betrokken departementen alsnog om wijzigingen te kunnen verzoeken. Er is bepleit om een motiveringsplicht op te nemen in de Aanwijzingen voor de regelgeving betreffende het gelijkheidsbeginsel, hetgeen ertoe kan leiden dat de opstellers van de memories van toelichting meer aandacht gaan besteden aan het nakomen van hun uit het gelijkheidsbeginsel voortvloeiende motiveringsplichten.[275] De Raad van State heeft zich bij de totstandkoming van de AWGB wel, en zelfs zeer uitvoerig over het onderwerp Vrouwenverdrag uitgelaten, en evenzo bij de behandeling van de Goedkeuringswet, maar de Raad toetst andere wetgevingsvoorstellen niet systematisch aan het Vrouwenverdrag. In het parlement is er ongetwijfeld belangstelling om de relatie tussen het Vrouwenverdrag en sommige wetgevingsvoornemens die gevolgen hebben voor de positie van de vrouw nader onder de loep te nemen. Men denke aan de lijst die op verzoek van het parlement overgelegd werd aan het einde van de parlementaire behandeling van de Goedkeuringswet, en de opmerkingen en vragen die over de relatie van het Vrouwenverdrag met andere wetgevingsvoornemens door parlementariėrs gesteld worden. Het is duidelijk dat in het parlement behoefte bestaat aan een systematisch volgen van de implementatie van het Vrouwenverdrag, met name middels de bij de Goedkeuringswet ingevoerde rapportageverplichting (NIRV). In het algemeen kan gesteld worden dat directe discriminatie in de formele wetgeving in de loop van de jaren tachtig sterk verminderd is, maar dat deze zeker nog niet verdwenen is. Bij de Nota naar aanleiding van het eindverslag van de Tweede Kamer inzake de Goedkeuringswet werd door de regering een overzicht gegeven van de wetgevingsvoornemens uit die kabinetsperiode, die relevant zijn voor de implementatie van het Vrouwenverdrag. Daaruit blijkt dat de regering zich inspant om discriminatie uit de wat te verwijderen en voorts dat er op dat moment nogal wat wetgevingsvoornemens aan de orde waren die de positie van de vrouw raken. Ook in haar eerste verslag aan het CEDAW (1992) heeft de regering gesteld dat discriminatie systematisch uit de formele wet verwijderd wordt. De implementatie van het Vrouwenverdrag was op dat moment gaande, maar nog niet voltooid. Terecht is gesteld, zowel in het parlement bij de behandeling van de Goedkeuringswet als door de NGO's in hun schaduwrapport aan het CEDAW, dat indirecte discriminatie in de wet- en regelgeving beslist nog niet is uitgebannen. Er is veel wet- en regelgeving die meer vrouwen dan mannen nadelig treft, omdat onvoldoende rekening gehouden is met het verschil in positie van mannen en vrouwen, of die vrouwen in een ongelijke positie brengt ten opzichte van mannen, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging te geven is. Bij "andere wetgevingsvoorbeelden" komen wij hierop terug. |