| 5.4.2 Algemene
wetgevingsprojecten Een meer algemene uitvoering van het Verdrag betreft een drietal projecten:
ad a: de AWGB De AWGB behelst niet alleen een verbod op het maken van onderscheid op grond van geslacht, maar ook op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid en burgerlijke staat. De wet verbiedt onderscheid op de volgende terreinen: bij de arbeid, zowel de arbeid in dienstbetrekking (alle denkbare arbeidsverhoudingen) als in het vrije beroep, bij het aanbieden van goederen en diensten en bij het geven van advies of voorlichting over school- en beroepskeuze. Voor zover het deze terreinen betreft is aan artikel 1 Grondwet en enkele bepalingen van het Vrouwenverdrag dus horizontale werking verleend. Voor het overige is de AWGB gemodelleerd naar het EG-recht, teneinde eenheid in de gelijke-behandelingswetgeving te bereiken, de rechtszekerheid te garanderen en omdat er ervaring in de rechtspraak was opgedaan in het omgaan met de WGB.[276] Dat betekent dat niet het begrip discriminatie wordt gebezigd, maar het begrip onderscheid. Direct en indirect onderscheid wordt verboden. Het verbod van onderscheid geldt niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is. In de MvT is verwezen naar de jurisprudentie van het HvJEG voor de criteria waaraan de objectieve rechtvaardigingsgrond moet voldoen. Voor direct onderscheid is een limitatief stelsel van uitzonderingen opgenomen - het zogenaamde gesloten systeem - die variëren per kenmerk (ras enz.). Voor zover het onderscheid op grond van geslacht betreft zijn er drie categorieën uitzonderingen:
Naast deze hoofdlijnen van de AWGB kan worden vermeld dat de AWGB de reeds bestaande WGB en artikel 7A:1637ij BW onverlet laat. Dat wil zeggen dat men bij een arbeidsverhouding die door één van deze regelingen wordt bestreken geen beroep op de AWGB hoeft te doen. Wel voegde de AWGB iets toe aan deze regelingen door in artikel 8 te bepalen dat een beëindiging van de arbeidsverhouding door de werkgever in strijd met artikel 5 AWGB nietig is. Een dergelijke bepaling komt in artikel 7A:1637ij BW niet voor. Maar aangezien de arbeidsverhouding waar artikel 7A:1637ij BW op toeziet ook onder de in artikel 5 AWGB genoemde arbeidsverhoudingen valt, is artikel 8 ook van toepassing op een discriminatoir ontslag uit de arbeidsovereenkomst van titel 7A BW. In dat geval zal men echter wel een beroep op de AWGB moeten doen. Voor de handhaving van de AWGB kan men zich - net als bij de WGB en artikel 7A:1637ij BW - zowel tot de Commissie Gelijke Behandeling als tot de civiele rechter wenden. Een advies van de Commissie is niet bindend voor de rechter. De rechter mag het advies echter niet ongemotiveerd ter zijde schuiven.[278] In hoeverre is met de AWGB het Vrouwenverdrag nu omgezet in nationale wetgeving? Enkele bepalingen uit het Verdrag zijn uitgewerkt maar zeker niet alle. De wet bestrijkt immers maar een beperkt terrein. Het aantal uitzonderingen voor direct onderscheid is nogal groot en niet zo limitatief als het oogt, omdat het begrip "bijkomende omstandigheden" niet nader is uitgewerkt waar het "geslacht" of "burgerlijke staat" betreft. De parlementaire discussies zijn geconcentreerd geweest op de vraag wat bijkomende omstandigheden bij homoseksualiteit betekenen. Onbesproken is gebleven wat men zich moet voorstellen bij bijkomende omstandigheden op grond van geslacht of burgerlijke staat. Tot slot gelden voor de AWGB dezelfde bezwaren als voor het EG-recht in het algemeen: de verplichting met een "maatman" of een groep "maatmannen" te vergelijken, inclusief de vraag hoe men die persoon of die groep personen selecteert. Op dit onderwerp is bij de behandeling van de AWGB niet ingegaan. Zeker is in ieder geval dat met de AWGB niet het hele Vrouwenverdrag in wetgeving is omgezet. Zeker is ook dat met de toepasselijkheid van het EG-recht indirect onderscheid maar beperkt kan worden tegengegaan. ad b: strafbaarstelling
discriminatie op grond van geslacht Kort samengevat stelt de regeling straf op discriminatie op grond van (onder meer) geslacht in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf of op "hij die deelneemt of geldelijke of andere stoffelijke steun verleent aan activiteiten gericht op discriminatie, dan wel aanzet tot discriminatie". Dusdoende is op deze gebieden ook horizontale werking verleend aan enkele bepalingen van het Vrouwenverdrag. De regering erkende dat van de strafbaarstelling niet te veel moest worden verwacht en dat een AWGB effectiever zou zijn om discriminatie tegen te gaan. Ook in de literatuur was de mening niet positief.[280] Anderzijds was de regering van oordeel dat van opneming van een verbod in de Strafwet een normatieve werking kan uitgaan. Aan de effectiviteit van de strafbaarstelling kan inderdaad worden getwijfeld. De enige bekende aangiften tot nu toe betreffen "Kraantje Lek" en de SGP-zaak.[281] Voor het overige kan het zijn dat vrouwen geen aangifte doen. Het is echter ook mogelijk dat dit wel gebeurt, maar dat de politie daarin geen discriminatie herkent en de aangifte dus ook niet als zodanig opneemt.[282] Op 1 september 1993 trad een nieuwe richtlijn in werking die aan politie en Openbaar Ministerie aanwijzingen geeft voor de behandeling van discriminatiezaken en uitgangspunten formuleert voor de strafmaat. De richtlijn gaf echter geen uitleg over de aard en verschijningsvormen van discriminatie op grond van geslacht. Een omissie die eerst later is hersteld.[283] Het interessantste aspect van de strafbepalingen beperkt zich met dit al waarschijnlijk tot de invulling van het discriminatiebegrip. In artikel 429quater Sr werd aanvankelijk het woord onderscheid gebruikt. Daarom dienden in een tweede lid de drie limitatieve uitzonderingen voor direct onderscheid te worden toegevoegd. De bepaling werd daardoor wel erg ingewikkeld. De oplossing werd gevonden door het woord onderscheid te vervangen door discriminatie. Dan hoefden de uitzonderingen niet meer apart te worden genoemd. Want de uitzonderingen zijn aan te merken als objectieve rechtvaardigingsgronden voor discriminatie, aldus de toenmalige minister Hirsch Ballin.[284] Gesteld mag worden dat met deze manoeuvre ook het discriminatiebegrip uit het wetboek van Strafrecht werd gemodelleerd naar het EG-recht. ad c: de Nota "Anders
geregeld" |