| 5.4.3 Andere relevante
wetgeving Tijdens de
goedkeuringsprocedure kwamen diverse wettelijke
regelingen tot stand, die te maken hadden met de gelijke
behandeling van mannen en vrouwen. De aanleiding voor
deze activiteiten lag doorgaans niet in het
Vrouwenverdrag, maar in de Nota "Anders
geregeld", in de rechtspraak van de Hoge Raad, de
Centrale Raad van Beroep, of in verplichtingen die uit de
EG-richtlijnen voortvloeiden. Op de twee reeds genoemde
richtlijnen waren inmiddels drie nieuwe richtlijnen
gevolgd. Zij hadden achtereenvolgens betrekking op
gelijke behandeling in de sociale zekerheid (79/7),
gelijke behandeling in de aanvullende of bovenwettelijke
sociale zekerheid (86/378) en gelijke behandeling van
zelfstandig werkzamen, met inbegrip van de landbouwsector
(86/613). Ook deze richtlijnen noopten tot aanpassing van
de nationale wetgeving.
De behandeling van deze wetten
verliep grotendeels gelijktijdig met de goedkeuring van
het Vrouwenverdrag. Daarom werd in deze projecten vaak
verband gelegd met het Vrouwenverdrag. Omgekeerd werd
tijdens de goedkeuringsprocedure van het Vrouwenverdrag
gewezen op die wetgeving, alsof zij expliciete
implementatie van het Verdrag betrof.[286] Het gaat in alle
gevallen om arbeidsrechtelijke regelingen. Hieronder
volgt een overzicht. Gezien het specifieke karakter wordt
op deze regelingen niet uitgebreid ingegaan.
Het gaat met name om de volgende
regelingen:
- de goedkeuring van IAO-verdrag
156 betreffende de gelijke kansen en gelijke
behandeling van mannelijke en vrouwelijke
arbeiders met gezinsverant-woordelijkheid[287]
- reparatiewet gelijke
behandeling. Deze wet beoogde de bestaande
wetgeving ter implementatie van de eerste en
tweede EG-richtlijnen te verbeteren, maar werd in
de literatuur bekritiseerd. Het belangrijkste was
wel dat de verspreide wetgeving op dit terrein
(WGL, WGB en WGBo) in één WGB werd
ondergebracht. Verder werden enkele bepalingen
aangescherpt, werden definities van direct en
indirect onderscheid opgenomen en werd toegevoegd
de regel dat onderscheid op grond van
zwangerschap en bevalling direct onderscheid
meebrengt[288]
- wijziging Arbeidswet 1919
leidende tot afschaffing van het verbod op
nachtarbeid van vrouwen en van overige naar
geslacht onderscheidende bepalingen[289]
- wijziging Stuwadoorswet,
houdende opheffing van het verbod tot het
verrichten van Stuwadoorsarbeid door vrouwen[290]
- de Wet op het
ouderschapsverlof, waarbij ouders van kinderen
tot vier jaar het recht wordt gegeven gedurende
een halfjaar de arbeidsduur tot maximaal twintig
uur per week terug te brengen[291]
- de Wet tot verlenging en
flexibilisering van het verlof rond de bevalling.
Deze aanpassing hield in dat de zwangerschaps- en
bevallingsuitkering niet meer over twaalf, maar
over zestien weken werd verstrekt en dat in de
verdeling van deze weken over de periode voor en
na de bevalling een beperkte keuzevrijheid aan de
vrouw werd gelaten. Dezelfde wet regelde tevens
dat vrijwillig verzekerde vrouwen ook een
aanspraak op die uitkering kregen, wat daarvoor
niet het geval was.[292]
De bovenstaande lijst betrof de
wetgeving die al was afgerond voordat de Goedkeuringswet
van het Vrouwenverdrag in het Staatsblad verscheen. Eén
in de jaren tachtig ingediend wetsvoorstel had geen
betrekking op het arbeidsrecht en het haalde de
eindstreep pas later: de Wet verevening pensioenrechten
bij scheiding.[293] In deze
regeling wordt de vrouw een aanspraak gegeven op een deel
van het pensioen van de echtgenoot dat tijdens het
huwelijk is opgebouwd.
Enkele wetsvoorstellen die eveneens
werden gepresenteerd als wetgeving die uitvoering aan het
Verdrag zou geven, zijn nog steeds niet afgerond wegens
de controverses die zij oproepen:
- herziening van het naamrecht,[294]
waarin maatregelen worden voorgesteld om de
situatie te wijzigen dat de achternaam
automatisch die van de vader is. Een meerderheid
van de Tweede Kamer kon echter niet achter het
voorgestelde systeem staan. Eind oktober 1995
verscheen de Nota naar aanleiding van het
eindverslag, een nota van wijzigingen en een
nader gewijzigd voorstel van wet. Het parlement
heeft er nog niet op gereageerd
- herziening van het
afstammingsrecht, waarin voorstellen met
betrekking tot een reeks aangelegenheden als
(stiefouder)adoptie, erkenning, toestemming,
ontkenning van vader- en moederschap. Over een
eerste voorstel[295]
kon geen eenstemmigheid worden bereikt. Het ging
voor velen te ver en voor anderen niet ver
genoeg. Eind 1995 is het ontwerp ingetrokken en
vervangen door een nieuw voorstel[296]
- voorstel tot het wettelijk
vastleggen van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen op pensioengebied.[297]
De behandeling van dit al in 1988 ingediende
voorstel is sterk vertraagd ten gevolge van de
onzekerheid over de consequenties van de
uitspraak van het HvJEG inzake het
"Barber-arrest"[298]
en vele daarna verschenen zaken. Sinds 1993 ligt
de behandeling stil.
Daarnaast is er een aantal
inmiddels tot stand gekomen regelingen die wijzigingen
aanbrachten in de rechtspositie van vrouwen. Daarbij is
echter niet expliciet gerefereerd aan het Vrouwenverdrag
(of andersom) maar meer in het algemeen aan "gelijke
behandeling" of aan "emancipatie":
- met de Algemene
nabestaandenwet (ANW)[299]
is de Algemene weduwen- en wezenwet (AWW)
vervangen. Man en vrouw krijgen ingevolge de ANW
beiden recht op nabestaandenpensioen. De
voorwaarden om voor uitkering in aanmerking te
komen zijn echter strenger dan onder de AWW. De
leeftijdsgrens is gewijzigd en er is zowel een
inkomens- als een partnertoets ingevoerd
- in het Wetboek van Strafrecht
werd verkrachting binnen het huwelijk strafbaar
gesteld door in artikel 242 Sr de woorden
"buiten echt" te schrappen[300]
- in de Arbeidsomstandighedenwet
werd een bepaling ingevoegd waarbij de werkgever
wordt opgedragen een beleid te voeren om seksuele
intimidatie op de werkplek tegen te gaan[301]
- ter uitvoering van de
EG-richtlijn inzake "de tenuitvoerlegging
van maatregelen ter bevordering van de
verbetering van de veiligheid en de gezondheid op
het werk van werkneemsters tijdens de
zwangerschap, na de bevalling en tijdens de
lactatie" (92/85), kwam een op de
Arbeidsomstandighedenwet gebaseerd Besluit
"zwangere werkneemsters" tot stand,[302]
waarin een aantal voorschriften met betrekking
tot de arbeidsomstandigheden gedurende de periode
van het biologisch moederschap van werkneemsters
- in de ter vervanging van de
Arbeidswet 1919 tot stand gekomen
Arbeidstijdenwet (ATW),[303]
werd mede als doelstelling in de considerans
opgenomen "de bevordering van de
combineerbaarheid van arbeid en zorgtaken".
De doelstelling is uitgewerkt in een bepaling die
de werkgever opdraagt, voor zover dat
redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, bij
het vaststellen van de arbeidsduur rekening te
houden met de persoonlijke omstandigheden van de
werknemers met zorgtaken. Het gaat niet om een
door de werknemer afdwingbaar recht. De
rechterlijke toets zal zich concentreren op de
"redelijkheid" van de werkgever in een
procedure op basis van goed werkgeverschap (art.
7A:1638z BW)
- de Algemene bijstandswet (ABW)
werd "heringericht"[304]
met onder meer als gevolg dat ouders met kinderen
boven de vijf jaar verplichtingen kunnen worden
opgelegd, die zijn gericht op inschakeling in het
arbeidsproces
- in de
sociale-zekerheidsregelingen werden het afgelopen
decennium talrijke wijzigingen aangebracht in
verband met gelijke behandeling van mannen en
vrouwen. Met name de Algemene
arbeidsongeschiktheidswet (AAW) werd op dit punt
naar aanleiding van de rechtspraak diverse malen
bijgesteld,[305]
met als effect voornamelijk dat de aanspraken van
vrouwen verminderden.
Niet onvermeld kunnen blijven tot
slot enkele aanhangige wetsvoorstellen die evenmin op het
Vrouwenverdrag zijn geïnspireerd, maar die wel van
belang zijn voor de arbeidsrechtelijke positie van
vrouwen:
- verbod op onderscheid tussen
werknemers naar arbeidsduur voor zowel de civiele
als de publieke sector.[306]
In dit voorstel wordt verboden te discrimineren
op het gebied van de arbeidsvoorwaarden tussen
werknemers met een voltijd- en werknemers met een
deeltijdbaan
- bevordering deeltijdarbeid.[307]
In dit voorstel wordt een regeling getroffen om
deeltijdarbeid tot op zekere hoogte een door
werknemers afdwingbaar recht te maken.
|