| 5.4.4 Enkele conclusies Uit het wetgevingsoverzicht blijkt dat de
wetgevingsactiviteit op het gebied van gelijke
behandeling in de jaren tachtig en de eerste helft van de
jaren negentig niet gering was. Tevens kan echter het
volgende worden geconstateerd:
- voor zover het de algemene
uitvoering van het Verdrag in de AWGB betreft is
geconstateerd dat deze wet is gericht op formele
gelijke behandeling, dat de EG-benadering maar
beperkt geschikt is voor het bestrijden van
indirect onderscheid en dat met de wet het
Vrouwenverdrag slechts op beperkte terreinen
wordt geïmplementeerd
- voor zover het de
"overige wetgeving" betreft, blijkt dat
geen enkele wet(saan-passing) uitsluitend
geïnspireerd werd door het Vrouwenverdrag
- de meeste activiteit vond
plaats op het gebied van het arbeidsrecht, een
terrein dat al wordt bestreken door het EG-recht
- de regelingen betreffen alle
formele gelijkheid, met als resultaat dat de
formele gelijkheid is toegenomen. Desondanks is
ook deze nog niet voltooid. In de uit 1991
daterende slotnota van de Nota "Anders
geregeld" wordt vermeld dat de helft van de
in de Nota genoemde bepalingen inmiddels is
aangepast dan wel vervallen, dat van 1/3 de
aanpassing nog zal plaatsvinden, terwijl van 10%
gemotiveerd wordt aangegeven dat wijziging niet
wordt overwogen[308]
veel regelingen zijn nog niet afgerond
- in enkele regelingen worden de
aanspraken van vrouwen verminderd, zoals in de
ANW en de AAW. Daarmee wordt gebruik gemaakt van
de ruimte die het EG-recht biedt voor de
opvatting dat er ook gelijk behandeld wordt als
beide seksen even slecht worden behandeld
- uit de ANW is voorts af te
leiden dat de wetgever er in de praktijk geen
blijk van geeft het gelijkheidsbeginsel materieel
te benaderen. De wet kent aan mannen een
weduwnaarspensioen toe zonder dat er sprake is
van de vervulling van zorgtaken
- er vinden wetsaanpassingen
plaats die op andere wijze voor vrouwen ongunstig
uitpakken.
Een voorbeeld is de heringerichte
ABW, waarvan in de literatuur wordt opgemerkt dat deze
wet "de sociale claim op herverdeling van loon- en
zorgarbeid transformeert tot een bijna onontkoombare
arbeidsplicht voor vrouwen".[309] Een ander voorbeeld is de aanpassing van de
Wet op de rechtsbijstand, die de gefinancierde rechtshulp
afhankelijk stelt van het gezinsinkomen en een hogere
eigen bijdrage oplegt, waardoor vooral voor vrouwen de
toegang tot de rechter beperkt wordt. Deze twee
voorbeelden laten zien dat wetgeving indirecte
discriminatie kan doen toenemen. Het gaat immers om
wetgeving die niet specifiek op vrouwen is gericht, maar
wel nadelige effecten heeft voor de positie van vrouwen.
De samenvattende conclusie is dat
de activiteit op het gebied van wetgeving groot was en
dat de formele gelijkheid is toegenomen. Anderzijds zijn
normstellingen in ongunstige zin gewijzigd (ANW/AAW) en
op sommige terreinen ontstonden nieuwe vormen van
indirecte discriminatie. Voorts stond, als uitvloeisel
van het Vrouwenverdag, materiële gelijkheid of
doorbreking van de stereotiepe rolverdeling tussen mannen
en vrouwen niet hoog op de agenda. Daarmee blijkt niet
dat het Vrouwenverdrag ten opzichte van reeds bestaande
inter- of supranationale verplichtingen een meerwaarde
zou hebben.
|