Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


5.5 Invloed op de rechtspraak

Tot 1995 zijn slechts enkele rechterlijke uitspraken met betrekking tot het Vrouwenverdrag bekend geworden.

De eerste zaak waarin een beroep is gedaan op het Vrouwenverdrag leidde tot een uitspraak van de Raad van Beroep Rotterdam inzake de inkomenseis bij een AAW-uitkering.[310] Het feit dat deze inkomenseis een indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen ten gevolge heeft, leidt volgens de Raad niet tot een verboden indirect onderscheid, aangezien de inkomenseis een redelijk middel is tot het bereiken van het doel van de AAW. De klager was een man en de Raad maakt weinig woorden vuil aan het feit dat het Vrouwenverdrag niet voor mannen bestemd is: "Aangezien M. een man is, kan hij niet met vrucht een beroep doen op het Vrouwenverdrag".

De tweede zaak waarin het Vrouwenverdrag is ingeroepen, bij de Raad van Beroep Arnhem, had eveneens betrekking op de inkomenseis in de AAW.[311] De klaagster voerde aan dat de betrokken regelgeving leidt tot indirecte discriminatie van vrouwen ten opzichte van mannen en om die reden in strijd is met de Europese richtlijn 79/7, met artikel 26 IVBPR, met artikel 14 EVRM en met artikel 11 Vrouwenverdrag. De Raad kwam tot de conclusie dat het resultaat waartoe de betreffende bepaling leidt het vermoeden van discriminatie wettigt en dat dit vermoeden niet kan worden weerlegd door de aanwezigheid van objectieve en redelijke gronden waaraan iedere gedachte van discriminatie vreemd is. De betreffende regelgeving is daarmee in strijd met artikel 26 IVBPR en dient om die reden buiten toepassing te worden gelaten. Dit betekent dat de Raad aan de overige door de klaagster aangevoerde bezwaren niet meer toekomt. Deze uitkomst, het buiten toepassing laten van een deel van de voor vrouwen zeer nadelig uitpakkende reparatiewetgeving van de AAW, is uiteraard positief, maar de rechter laat hier opnieuw een mogelijkheid liggen om in een uitspraak ook het Vrouwenverdrag te betrekken.

De derde zaak waarin een beroep op het Vrouwenverdrag gedaan is, handelt over de uitsluiting van zwangerschap als arbeidsongeschiktheidsgrond in een arbeidsongeschiktheidsverzekering.[312]

Klaagster meende dat betreffende uitsluitingsbepaling in strijd is met artikel 1 van de Grondwet en met artikel 11 lid 2 aanhef en onder b van het Vrouwenverdrag. De rechtbank had weinig boodschap aan deze bepaling en oordeelde dat "voormeld artikel (slechts) de Nederlandse overheid verplicht om passende maatregelen ter uitbanning van discriminatie te nemen, derhalve om beschermende arbeidswetgeving en sociale-zekerheidswetgeving tot stand te brengen. Artikel 11 lid 2 van het Vrouwenverdrag mist rechtstreekse werking". Het vonnis vermeldt niet waar de rechtbank deze restrictieve uitleg van het Vrouwenverdrag op baseert; dit standpunt wordt gepresenteerd als een vanzelfsprekendheid, zonder reflectie op de reikwijdte van het Vrouwenverdrag en op de rol van de rechter. Wel luistert de rechtbank naar een beroep op artikel 26 IVBPR en stelt vast dat er sprake is van indirecte discriminatie, waarvoor zij een objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig acht.

Overigens is deze vorm van onderscheid, zoals hierboven beschreven, een vorm van direct onderscheid die sinds 1 september 1994 door de AWGB verboden is. Verzekeraars die nu nog zwangerschappen uitzonderen in de polisvoorwaarden handelen in strijd met de AWGB.

Ten slotte was er de geruchtmakende zaak over de uitsluiting van vrouwen van het lidmaatschap van de SGP. Tijdens de parlementaire behandeling van het Vrouwenverdrag maakt de regering duidelijk dat zij zich terughoudend wil opstellen met betrekking tot regelgeving ter implementatie van artikel 7 Vrouwenverdrag. Deze bepaling, met name sub c, moet worden gelezen in samenhang met het grondrecht van vereniging en vergadering.[313] Volgens de regering betekent de terughoudendheid voor wat betreft het uitvaardigen van specifieke regels ter zake "evenwel niet dat aan de bepaling reeds zou worden voldaan indien bepaalde partijen of verenigingen vrouwen toelaten respectievelijk indien het aan vrouwen vrij staat zelf organisaties en verenigingen op het bewuste gebied op te richten. Een dergelijke uitleg lijkt ons niet verenigbaar met doel en strekking van het Vrouwenverdrag".[314]

De SGP-zaak leidde tot verschillende civiele en strafrechtelijke procedures en tot een verzoek om een oordeel bij de Commissie Gelijke Behandeling, waarbij ook een beroep op het Vrouwenverdrag werd gedaan. Geen van de zaken leidde tot een negatief oordeel over de uitsluiting van vrouwen voor het SGP- lidmaatschap; het beroep op art. 7 Vrouwenverdrag maakte geen deel uit van de uitspraken.

Bij de implementatie van het Vrouwenverdrag leek het uitgangspunt te zijn dat de belangrijkste taken zouden zijn weggelegd voor de wetgever en de administratie. Implementatie via de reguliere bestuurlijke kanalen zou immers doelmatiger zijn, omdat dit de mogelijkheid biedt het Vrouwenverdrag als een afgewogen en samenhangend pakket uit te voeren. In de praktijk bleek implementatie via de lijn van wetgeving en bestuur problematischer te zijn dan verwacht, en de implementatie is tot nu zeker niet ten volle gerealiseerd.

Maar de weg via de rechter blijkt ook niet altijd begaanbaar, omdat niet alle bepalingen van het Vrouwenverdrag volgens de heersende opvatting directe werking hebben. Bovendien is een nadeel dat de implementatie dan geïnitieerd wordt door individuele actie en niet door gericht overheidsbeleid. Het afdwingen van rechten zal fragmentarisch gebeuren, en de implementatie dus ook . De verminderde toegang tot de rechtshulp kan als gevolg hebben dat groepen minder draagkrachtige vrouwen nog minder dan nu in staat zullen zijn hun rechten onder het Vrouwenverdrag te realiseren. Deze nadelen hebben echter tot op heden nog nauwelijks een rol gespeeld, omdat de weg naar de rechter met betrekking tot het Vrouwenverdrag vooralsnog een vrijwel onbekende route blijkt te zijn. De rechtspraktijk in het algemeen is nauwelijks op de hoogte van de reikwijdte, inhoud en gevolgen van het Vrouwenverdrag, laat staan dat het Vrouwenverdrag binnen de Nederlandse rechtsorde gebruikt wordt om door middel van rechterlijke uitspraken de positie van vrouwen te verbeteren.