| 6 TUSSENBALANS 6.1 Het traditionele beeld van een
verdrag: terugblik
Het Vrouwenverdrag is tot stand
gekomen op initiatief van een speciale VN-Commissie, de
Commission on the Status of Women (CSW), die zich
bezighoudt met verbetering van de positie van vrouwen in
het algemeen. De CSW heeft zich lange tijd voornamelijk
geconcentreerd op de positie van vrouwen in
ontwikkelingslanden. Toch heeft deze Commissie al in 1967
de aanzet gegeven tot een Verklaring inzake de Uitbanning
van Discriminatie van Vrouwen (DEDAW), en vervolgens,
toen deze Verklaring in de praktijk weinig opleverde, tot
een breed opgezet Vrouwenverdrag, dat in 1979 door de
Algemene Vergadering van de VN werd aanvaard.
Het Vrouwenverdrag behoort
krachtens zijn afkomst dan ook tot het geheel van
VN-verdragen, en tot de mensenrechtenverdragen, maar het
bevindt zich daar in een marginale positie. De
mensenrechtenverdragen, en de organen die zich daarmee
bezighouden, zijn gericht op de "mainstream",
op de dominante waardenpatronen, en de samenstelling van
commissies en de keuze van de experts werkt in de hand
dat er binnen de VN-organisatie slechts een geringe
deskundigheid over vrouwenproblematiek voorhanden is. Die
deskundigheid is wel aanwezig in de CSW en ook in het
toezichthoudend comité, het CEDAW, het supervisieorgaan
van het Vrouwenverdrag.
Het Vrouwenverdrag lijkt op het
eerste gezicht op een beleidsprogramma. Het is thematisch
van opzet en het heeft door de verschillende gremia
waarin het tot stand is gekomen geen doorwrochte
juridische systematiek. Wèl biedt het Verdrag
normstellingen, soms abstract, soms ook wat meer
concreet, en kan het op die wijze tot leidraad dienen
voor nieuwe beleids- en rechtsontwikkelingen. Opmerkelijk
is dat het Verdrag een zeer ruim discriminatiebegrip
hanteert en in het licht daarvan vrouwendiscriminatie wil
bestrijden. Daarbij past dat het Verdrag zich ook
uitstrekt tot de privé-sfeer. De verdragsverplichtingen
richten zich in de eerste plaats op de wetgever en op het
overheidsbeleid, die op grond van het Verdrag alle
passende maatregelen ter verwezenlijking moeten nemen.
Het Verdrag staat voor de verwezenlijking echter een
geleidelijke invoering toe en tijdens de parlementaire
behandeling in Nederland is onduidelijk gebleven tot
hoever na de eeuwwisseling deze geleidelijkheid zich zou
mogen uitstrekken. Wel verplicht het Verdrag de
statenpartijen daarbij onmiddellijk te beginnen met deze
geleidelijke verwezenlijking.
Op het eerste gezicht lijkt het
supervisiemechanisme de zwakke stee in het Verdrag. De
supervisie houdt niet veel meer in dan een vierjaarlijkse
rapportageverplichting aan het speciaal ingestelde
Comité CEDAW. Er is geen individueel klachtrecht en geen
rechtstreeks bevoegde internationale rechter, zodat er
onzekerheid is over de inroepbaarheid
("justiciability") van rechten op basis van het
Vrouwenverdrag. Het CEDAW heeft gemeen met andere
toezichthoudende instanties dat het geen directe
mogelijkheid heeft om nakoming van het Verdrag af te
dwingen. Wèl heeft het CEDAW, in navolging van andere
supervisieorganen, de rapportageverplichting meer inhoud
gegeven en ook doet het Comité tegenwoordig Algemene
Aanbevelingen van materiële aard. Door de positie van
het CEDAW temidden van de andere VN-organen die zich
bezighouden met de mensenrechtenverdragen, is een uitbouw
van deze supervisiemogelijkheden denkbaar, en ook de
actieve opstelling van het CEDAW bij de bespreking van de
landenrapporten kan daartoe bijdragen.
Hoe serieus de Nederlandse wetgever
het Vrouwenverdrag neemt, blijft in nevelen gehuld. Het
Vrouwenverdrag leek in de regeringsuitspraken tijdens de
behandeling van de Goedkeuringswet niet meer dan een
symbool van goede bedoelingen zonder veel juridische
status. Dat is opmerkelijk, omdat Nederland zich
indertijd op internationaal niveau actief heeft ingezet
voor het Vrouwenverdrag. Nederland heeft bijgedragen tot
de formuleringen van het Verdrag en is de indiener
geweest van de resolutie tot aanname van het
Vrouwenverdrag. Vervolgens heeft Nederland 11 jaar laten
verstrijken voor de ratificatie. Nederland heeft
uiteindelijk geen voorbehouden gemaakt en bij de
ratificatie zijn bezwaren neergelegd tegen de door andere
lidstaten gemaakte voorbehouden bij het Verdrag.
De invloed het Verdrag op de
nationale wetgever en beleidsmaker is tot nu toe minimaal
gebleken. Dit moet vooral geweten worden aan het door de
Goedkeuringswetgever gecreëerde beeld dat het Verdrag
juridisch niet hard is en bovendien niet zoveel nieuws
bevat in vergelijking met alles wat reeds is
gerealiseerd. Bovendien hebben regering en parlement zich
tijdens de behandeling van Vrouwenverdrag en Algemene wet
gelijke behandeling gecommitteerd aan een zeer beperkte
opvatting van het discriminatiebegrip en zich voor de
geleidelijke verwezenlijking van de
verdragsverplichtingen een vrije beleidsruimte toegekend,
die twijfels oproept ten aanzien van de loyaliteit van de
verdragsuitvoering.
Voor de houding van de regering
tijdens de goedkeuringsfase zijn uiteraard wel
verklaringen. Het Vrouwenverdrag is in de politieke
discussie in Nederland gelieerd geraakt aan het werk aan
de Algemene wet gelijke behandeling en heeft daardoor
zijn deel gehad van de commotie rondom onderwerpen als
botsing van grondrechten en horizontale werking. De
kleine confessionele partijen zijn beducht geweest voor
de gevolgen van ratificatie van het Vrouwenverdrag en de
regering heeft zich daarom gericht op politiek uitstel en
op het minimaliseren van de pretenties van het Verdrag.
Volgens de regering waren er tijdens de behandelingsfase
dan ook nauwelijks grenzen aan de geleidelijkheid bij de
invoering; er is geen eindtermijn voor de invoering
genoemd en wat de rechtstreekse werking betreft, verwees
de regering naar de rol van de rechter, zonder zichzelf
over de verdragsartikelen uit te willen spreken. Mede om
deze reden heeft de Tweede Kamer een wettelijke
rapportageplicht vastgelegd ten aanzien van de
implementatie van het Vrouwenverdrag, opdat men de vinger
aan de pols kan houden.
Wat de implementatie betreft: in
het overheidsbeleid wordt het bestrijden van
vrouwendiscriminatie in ieder geval naar de letter
beleden. Er is sinds de tweede helft van de jaren
zeventig, en in ieder geval sinds het begin van de jaren
tachtig een geformuleerd emancipatiebeleid. Het
specifieke emancipatiebeleid heeft resultaten geboekt,
maar is wel marginaal gebleven: het is projectmatig van
opzet en wordt vaak te vroeg weer in de
"mainstream" gebracht. De
"mainstreaming" van het emancipatiebeleid
middels facetbeleid heeft weinig aanwijsbare resultaten
en van een structurele aanpak is in ieder geval geen
sprake. Wat de "national machinery" betreft: er
is nog steeds een departementale organisatiestructuur,
een adviesorgaan en er zijn nog enkele gesubsidieerde
ondersteuningsorganisaties om het emancipatiebeleid tot
uitvoering te brengen. De Nederlandse regering heeft de
"national machinery" echter sterk ingekrompen
en dat proces lijkt nog verder te gaan.
Beziet men de wetgeving die sinds
de aanname van het Vrouwenverdrag tot stand is gekomen,
dan blijkt dat er sinds 1979 veel aan de direct
discriminerende wetgeving is gebeurd. Moeilijker blijkt
het om, zoals ook tijdens de parlementaire discussies
werd gesteld, indirect discriminerende elementen uit de
wetgeving te bannen, dat wil zeggen zo op het oog
sekseneutrale criteria of voorwaarden, die nadelig
uitwerken voor vrouwen.
In de rechtspraktijk heeft het
Vrouwenverdrag tot nu toe weinig invloed gehad, want
onbekend maakt onbemind. In enkele zaken is een beroep op
het Vrouwenverdrag gedaan en dat heeft niet geleid tot
baanbrekende jurisprudentie. Het is wellicht ook te veel
gevraagd voor een gemiddelde rechtzoekende om zich in de
complexiteit van het Verdrag te verdiepen, zonder dat de
juridische wetenschap daarin is voorgegaan. In de
juridische vakliteratuur heeft het aanvankelijke
enthousiasme voor het Vrouwenverdrag plaatsgemaakt voor
teleurstelling over de meerwaarde van het Verdrag. Het
nogal formele en beperkte gelijkheidsdenken van de
Algemene wet gelijke behandeling heeft de eindstreep
gehaald, maar voor het veel bredere en analytisch zeker
interessantere kader van het Vrouwenverdrag is weinig
belangstelling.
Het toezichthoudend Comité CEDAW
was naar aanleiding van de eerste formele rapportage van
Nederland in 1994 wat gereserveerd: op papier en in
presentatie was het beleid van ons land goed in orde,
maar hoe zat het met de aansturing van het
emancipatiebeleid, met verbetering van de werkelijke
achterstand van vrouwen, en met evaluatie van de effecten
van het beleid? Was daar zicht op, waren er statistische
gegevens, waren er indicatoren? Waarom was het beleid zo
projectmatig opgezet en was er geen structurele
financiering? Het CEDAW miste in de rapportage een
gedegen analyse van de positie van vrouwen in Nederland
en ook effectieve maatregelen, in het bijzonder op het
terrein van de arbeid, bij de herverdeling van betaald en
onbetaald werk.
|