| 6.2 Het Vrouwenverdrag op
het tweede gezicht: een blik vooruit Geconstateerd moet worden dat het Vrouwenverdrag aan betekenis heeft ingeboet doordat er te veel nadruk is gelegd op de geleidelijke verwezenlijking en de beleidsvrijheid van de overheid in het nemen van passende maatregelen, en er te weinig rekening is gehouden met de verplichtingen die op de Nederlandse overheid rusten tot loyale verdragsuitvoering. Omdat de regering voor de verwezenlijking van de verplichtingen uit het Vrouwenverdrag bovendien geen eindtermijn heeft willen stellen, is het voor de rechtzoekende onzeker wanneer de regering in gebreke zal zijn ten aanzien van de geleidelijkheid van de verdragsuitvoering. De rechtstreekse werking van verdragsbepalingen is buiten beeld komen te staan, omdat de regering bij de behandeling blijk heeft gegeven van een zeer conservatieve en beperkte invulling van de een ieder verbindendheid van de bepalingen voor het Nederlandse recht. "Many states parties to the Convention have structured their resistance through reservations in law, and many more demonstrate resistance through reservations in practice", zo luidt dan ook de analyse van Cook.[315] Wie de parlementaire behandeling van het Vrouwenverdrag in ons land nog eens nagaat, kan zich niet onttrekken aan de indruk dat de regering in de jaren tachtig het praktische belang van het Vrouwenverdrag niet te veel heeft willen aanzetten om daarmee te voorkomen dat alsnog voorbehouden zouden worden gemaakt of dat het werk aan de Algemene wet gelijke behandeling in gevaar zou komen. De waarde van het Verdrag werd zo geminimaliseerd. Er ontstonden op het eerste gezicht onvoldoende aanknopingspunten voor een daadwerkelijke implementatie van het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde. Hieruit moet ook de in het eerste deel beschreven teleurgestelde houding van de juridische auteurs worden verklaard, alsmede het gebrek aan animo aan de kant van de rechter om het Vrouwenverdrag daadwerkelijk in rechterlijke uitspraken te betrekken. Is met deze wat sombere samenvatting nu wel voldoende recht gedaan aan het Vrouwenverdrag? In hoeverre waren de hooggestemde verwachtingen van auteurs als Van Maarseveen en Brünottt indertijd toch terecht? En: kan het Verdrag ondanks het door de Goedkeuringswetgever gecreëerde beeld nu concreet iets betekenen voor beleid, wetgeving en rechtspraak? Wat is uiteindelijk de meerwaarde van het Verdrag voor de Nederlandse rechtsorde? Deze vraag komt in het tweede gedeelte van dit rapport aan de orde. In het tweede deel wordt een "Tweede gezicht op het Vrouwenverdrag" gegeven dat meer aanknopingspunten biedt voor daadwerkelijke implementatie. Het Tweede gezicht ontstaat door aandacht te geven aan de ontwikkeling van vrouwenrechten tot mensenrechten van vrouwen en daarbij tevens de ontwikkelingen in de internationale doctrine en rechtspraak, die zich ongeveer gelijktijdig met de goedkeuringsprocedure afspeelden, te betrekken. Op basis van deze internationale context (hoofdstuk 7) kan betoogd worden dat het Verdrag op het tweede gezicht inhoudelijk, qua reikwijdte en qua juridische status veel meer omvat en dus ook verdergaande implicaties heeft voor de Nederlandse rechtsorde, dan ten tijde van de parlementaire behandeling is aangenomen. Het Vrouwenverdrag wordt in het volgende hoofdstuk geplaatst in het kader van de ontwikkeling van mensenrechten van vrouwen. Deze worden immers steeds meer erkend als substantieel en integraal onderdeel van mensenrechten in het algemeen. De toenemende dwarsverbanden die tussen de verschillende mensenrechtenverdragen gelegd kunnen worden (inhoudelijk en qua toezichtprocedures) versterken dat systeem als geheel. Dat alles heeft consequenties zowel ten aanzien van de (invulling van de) normen van het Vrouwenverdrag als ten aanzien van de controle en handhaving. Door het Vrouwenverdrag in een dergelijk kader te plaatsen wordt tevens voldaan aan de achterliggende bedoeling van het amendement-Kalsbeek-Jasperse: dat van een dynamische interpretatie van het verdrag. De rapportageverplichting aan de Tweede Kamer doet op deze wijze recht aan het Vrouwenverdrag als een "living instrument". In het afsluitende hoofdstuk gaan wij in op de algemene consequenties van ondertekening en ratificatie van het Vrouwenverdrag voor de Nederlandse rechtsorde in het licht van deze nieuwe opvattingen. We beginnen met de kern van het verdrag: de implicaties van de normstellingen van het Vrouwenverdrag voor de nationale rechtsorde en in het bijzonder de implicaties van het discriminatiebegrip van het Vrouwenverdrag. Vervolgens worden de verschillende verplichtingen die het verdrag oplegt onderscheiden naar aard en de mate van concreetheid en afdwingbaarheid. Deze verplichtingen blijken gevarieerder en ook concreter toetsbaar, zowel op internationaal als op nationaal niveau. Daarbij zal duidelijk worden dat de beleidsruimte van de staat gebonden wordt door maximum- en minimumverplichtingen en dat de staat niet alle vrijheid heeft op het terrein van geleidelijke verwezenlijking. Ten slotte wordt de controle op de implementatie en naleving besproken en de wijze waarop burgers (vrouwen) en instanties naleving van het Vrouwenverdrag kunnen afdwingen. |