Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


7.2 Vrouwenrechten en mensenrechten

7.2.1 Marge en mainstream

Bij de implementatie van het Vrouwenverdrag moet steeds opnieuw een evenwicht gezocht worden tussen de "marge" van vrouwenrechten en de "mainstream" van de gevestigde praktijk van de mensenrechten. Deze "mainstream" wordt bepaald door het dominante waardepatroon, dat ook institutioneel - in bezetting van VN-organen, in specifieke deskundigheden van "experts" - doorwerkt.

De term "mainstream" heeft twee onderling samenhangende betekenissen. Hij wordt gebruikt om de organisaties aan te duiden die zich bezighouden met "algemene" mensenrechtenkwesties. Binnen het VN-systeem zijn dit vooral de politieke organen en de comités van deskundigen in Genève en binnen de regionale systemen (Europa, Amerika, Afrika) de organen belast met de handhaving van de rechten van de mens in die regio's, zoals het Hof in Straatsburg, de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens en het Inter-Amerikaanse Hof.

De term "mainstream" heeft ook betrekking op een inhoudelijke karakteristiek. De term verwijst dan naar de rechten die opgenomen zijn in de "algemene" mensenrechtendocumenten, zoals de beide Internationale VN-verdragen (inzake Burgerlijke en Politieke Rechten en inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten), het Europese en het Amerikaanse Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Afrikaanse Handvest inzake de Rechten van de Mens en de Rechten van Volkeren. Binnen deze "mainstream" ligt de nadruk vooral op de bescherming van de burgerlijke en politieke rechten, op de bescherming van het individu tegen de staat.

Tegenover het begrip "mainstream" staat het begrip "marge". Hiermee wordt het bijzondere, zwak geïnstitutionaliseerde gebied van de vrouwenrechten bedoeld, waarin specifieke vrouwenbelangen wel zichtbaar zijn en in zekere mate ook wel beschermd worden, maar alleen vanuit een optiek van specifiek beleid, speciaal gericht op vrouwen.

Juist vanwege de spanning tussen "marge" en "mainstream" is er de laatste jaren een discussie op gang gekomen over de fundamentele tekortkomingen van het internationale recht met betrekking tot de bescherming van vrouwen. Het overwegend mannelijke, androcentrische perspectief van het internationale recht is bekritiseerd en geanalyseerd. Deze discussie is van groot belang voor de praktische betekenis van het Vrouwenverdrag op de langere termijn, omdat verwacht mag worden dat daarmee de vrouwenrechten uit hun marginale positie zullen komen en meer in verband gebracht zullen worden met de "mainstream" van het mensenrechtensysteem. Deze verandering wordt nog versterkt door de zich ontwikkelende doctrine en rechtspraak in het internationale recht, waarin internationale verdragen steeds meer als een geheel van rechten (corpus) beschouwd worden, die in onderlinge samenhang geïnterpreteerd moeten worden en waarin de rechten van vrouwen een plaats kunnen gaan innemen.