Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


7.2.2 Kritiek op de "mainstream" van de mensenrechten

De overheersende positie van het mannelijke, androcentrische perspectief in het internationale recht is in de loop van de jaren steeds meer ter discussie komen te staan. Het internationale systeem voor de bescherming van de rechten van de mens wordt bekritiseerd vanwege fundamentele tekortkomingen in de bescherming van de rechten van vrouwen. De ernstige nadelen die voor vrouwen voortvloeien uit de dominantie van het mannelijk, androcentrische perspectief worden door vele auteurs aan de kaak gesteld.[316] De tendens van deze kritiek is vooral dat de "mainstream", de mensenrechtengemeenschap, ernstige en systematische schendingen van de menselijke waardigheid van vrouwen niet opvat als schendingen van de fundamentele mensenrechten. Veel schendingen worden daardoor eenvoudigweg niet gezien. En als deze kwesties al aan de orde komen is dat in de gemarginaliseerde, procedureel zwakkere fora die zich bezighouden met humanitaire en sociale vraagstukken.

De kritiek concentreert zich rond drie onderling verwante verschijnselen:

  • het huidige begrippenapparaat op het gebied van de mensenrechten doet geen recht aan de realiteit van vrouwen; in de dominante opvattingen over mensenrechten is weinig oog voor de zienswijze en de belevingswereld van vrouwen en voor de schendingen van de menselijke waardigheid van vrouwen (concep-tualisering)
  • omdat het begrippenapparaat tekortschiet komen kwesties die voor vrouwen van essentieel belang zijn nauwelijks aan de orde in de procedures van de "mainstream" en binnen de gevestigde organen die zich met mensenrechten bezighouden. Schendingen van de rechten van vrouwen blijven meesttijds ongezien en onbenoemd; zij worden op zijn best gezien als humanitaire en sociale kwesties (marginalisering)
  • de organisaties en procedures die speciaal bedoeld zijn om de belangen van vrouwen te behartigen, zijn veel zwakker dan die van de "echte" mensenrechtenorganen, omdat deze gezien worden als iets bijzonders, iets specifieks (ontoereikende institutionalisering).

De belangrijkste reden voor deze veronachtzaming schuilt in de beperkingen van het geldende begrippenapparaat. Het gaat vooral om de ontoereikende, veel te formele invulling van het gelijkheidsbeginsel en om de veronachtzaming van de privé-sfeer, waarvoor een staat in het algemeen geen directe verantwoordelijkheid aanvaardt.

Dit komt tot uiting in een veel te beperkte invulling van het discriminatiebegrip. Het toegepaste model van gelijkheid en non-discriminatie is androcentrisch van aard: als mannen ergens recht op hebben, krijgen vrouwen hetzelfde recht. Maar vrouwen zijn met dit soort gelijke rechten meestal niet geholpen. Daadwerkelijke gelijkheid eist dat vrouwen dezelfde rechten krijgen als hun situatie gelijk is aan die van mannen en dat aan vrouwen toegekende rechten anders ingevuld worden naar gelang hun situatie of hun omstandigheden.

Ook komen de beperkingen tot uiting in de strikte scheiding die gemaakt wordt tussen de openbare en de persoonlijke levenssfeer. Een staat kan, zo is de traditionele opvatting, niet aansprakelijk gesteld worden voor de daden van individuele personen, die zich in de privé-sfeer afspelen. Het overgrote deel van het geweld tegen vrouwen is evenwel afkomstig van individuele personen, en speelt zich juist in de privé-sfeer af. De traditionele analyse van burgerlijke en politieke rechten is echter gericht op schendingen van de rechten van het individu door de staat. In deze traditionele analyse is het niet vanzelfsprekend om de staat aan te spreken op zijn (mede)verantwoordelijkheid voor het in stand houden van een sociaal en juridisch systeem waarin schendingen van de mensenrechten van vrouwen door individuele personen vóórkomen.[317]

Ook in het internationale recht is het doorbreken van de scheiding tussen de publieke en de privé-sfeer noodzakelijk om tot een gelijkwaardige bescherming van vrouwen en hun mensenrechten te komen. Mede op basis van deze kritiek is inmiddels al een aantal voor vrouwen fundamentele kwesties aan de orde gesteld. Deze hebben betrekking op het dominante mensbeeld in de mensenrechtengemeenschap, dat ontleend is aan dat van de (doorgaans mannelijke) mensen-rechtenactivist, maar dat geen oog heeft voor de ongelofelijke moed van vrouwen bij het beschermen en in stand houden van zichzelf, hun kinderen en familieleden. Ook lijkt het recht van de mensenrechten vooral de "mannelijke" normen als autonomie en individualisme centraal te stellen, terwijl aandacht voor humanitaire en sociale normen voor vrouwen meestal meer oplevert dan hun nauwelijks afdwingbare politieke rechten.