Het Vrouwenverdrag in de Nederlandse rechtsorde


7.2.5 Van vrouwenrechten naar mensenrechten van vrouwen

Een vergelijking met de discussies rondom het gelijkheidsbeginsel en het antidiscriminatieconcept dringt zich op. Men zou kunnen zeggen dat de "mainstream" van het mensenrechtensysteem zich tot nu toe vooral heeft georiënteerd op de gedachte van de formele gelijkheid, die in de praktijk staat voor een aanpassing aan de mannelijke norm, en dat het andere, nieuwe perspectief leidt tot een meer materiële gelijkheidsopvatting, waarbinnen plaats is voor een daadwerkelijke gelijkheid van vrouwen en mannen en een "enjoyment of rights" door vrouwen. Deze materiële gelijkheid kan alleen verwezenlijkt worden als het nu marginale vrouwenperspectief ook werkelijk een plaats krijgt in het denken van de "mainstream". Tegelijkertijd moet de "marge" van de instituties en procedures die speciaal op vrouwen gericht zijn, versterkt worden, omdat alleen vanuit een dergelijke excentrische positie vernieuwing van de "mainstream" mogelijk is.

"If the goal of full realization of human rights for all is to be achieved, international human rights instruments must be applied in such a way as to take more clearly into consideration the systematic and systemic nature of discrimination against women that gender analysis has clearly indicated",

aldus het Platform for Action.[324]

Er is inmiddels een aantal hoopgevende ontwikkelingen. Binnen de "mainstream" is een groeiend besef dat meer gedaan dient te worden om de mensenrechten van vrouwen te garanderen. In de afgelopen jaren is daaraan op verschillende wijzen gestalte gegeven. Het toezicht op de naleving van mensenrechten van vrouwen wordt ook door de "gewone" mensenrechtenorganen van de VN meer en meer als een belangrijke taak gezien. In 1993 heeft de Algemene Vergadering van de VN een Verklaring inzake de Uitbanning van Geweld tegen Vrouwen aanvaard.[325] In aansluiting daarop heeft de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens bij resolutie besloten een bijzonder rapporteur inzake het geweld tegen vrouwen aan te stellen.[326] De Sri Lankaanse juriste Radhika Coomaraswamy is op deze post benoemd en heeft in 1995 haar eerste rapport voorgelegd aan de Mensenrechtencommissie.

De Wereldconferentie Mensenrechten (Wenen, 1993) heeft bij beide ontwikkelingen een katalyserende rol gespeeld. In de Slotverklaring en het Actieprogramma[327] dat deze Conferentie aannam, werd zowel de CSW als het CEDAW opgeroepen met spoed te werken aan het creëren van een individuele klachtrechtprocedure door middel van een Facultatief Protocol bij het Vrouwenverdrag.[328] Een individuele klachtrechtprocedure past goed binnen de "mainstream" van het VN-systeem en betekent een belangrijke versterking van het supervisiemechanisme van het Vrouwenverdrag. Dit voorstel is thans in behandeling binnen de CSW.

De Vrouwenconferentie in Beijing aanvaardde in 1995 het Platform for Action, waarvan de Human Rights for Women een belangrijk onderdeel waren. De UNHCR werkt op dit moment aan richtlijnen ten behoeve van vrouwelijke vluchtelingen.