| 7.4 Het Vrouwenverdrag in
de internationale context Het Vrouwenverdrag begeeft zich internationaal naar een positie op de grens van "marge" en "mainstream" en lijkt zich los te maken uit haar marginale positie. Daarmee zal het Verdrag binnen de "mainstream" aan kracht winnen. De gevestigde organen van de "mainstream" geven tegelijkertijd blijk van een groeiende aandacht voor de vrouwenproblematiek. Het Vrouwenverdrag kan zo een vernieuwende impuls geven aan de "mainstream" van de gevestigde mensenrechtenverdragen, bijvoorbeeld door de bijdrage van het materiële gelijkheidsidee, toegespitst op de positie van vrouwen. Vrouwen gaan daardoor duidelijker dan tevoren tot de kring van gerechtigden behoren en krijgen meer mogelijkheden om hun belangen zichtbaar te maken. Het Vrouwenverdrag lijkt op andere VN-verdragen door de terughoudende wijze waarop vorm is gegeven aan het supervisiesysteem van het Verdrag enerzijds en door de actieve wijze waarop het toezichthoudende Comité, het CEDAW naar het model van andere toezichthoudende comités de rapportageverplichting invult. Het CEDAW doet dit door richtlijnen voor de rapportage te geven, een "constructieve dialoog" met de rapporterende verdragspartijen aan te gaan en in de Algemene Aanbevelingen een nadere invulling aan de verdragsnormen te geven. Het CEDAW slaat daarbij acht op informatie die afkomstig is van niet-gouvernementele organisaties (NGO's). Dat de NGO's die zich op het gebied van de vrouwenrechten bewegen nog te weinig internationale ervaring hebben om een goede bijdrage aan het werk van het CEDAW te kunnen leveren, is alleen op de korte termijn een nadeel. Het toezicht op de naleving van de VN-verdragen en de Europese verdragen toont wel dat ook schijnbaar zwakke procedures op velerlei wijzen te optimaliseren zijn. Door een constructieve dialoog met de staten op gang te houden, door in de publiciteit te treden ("mobilisation of shame"), door controle op de naleving uit te oefenen en door de verfijning van de interpretatie door middel van een eventueel individueel klachtrecht zal het Vrouwenverdrag internationaal steeds meer gewicht krijgen. In meer algemene zin geven de overeenkomsten tussen en de toenemende verwevenheid van de verschillende toezichtsprocedures de indruk dat het hele systeem van mensenrechten aan kracht wint. Door het Vrouwenverdrag, en daarmee de mensenrechten van vrouwen, nadrukkelijk in de context van het mensenrechtensysteem te plaatsen, zal het Verdrag verder versterkt worden. Het toezicht op de Europese instrumenten geeft een goed beeld van de wijze waarop een balans gevonden kan worden tussen de (gebonden) beleidsvrijheid van de staten en de mensenrechtenbescherming. Verder blijkt uit de ervaring die inmiddels is opgedaan dat normverfijning van groot belang is: hoe concreter een norm, hoe beter hanteerbaar die norm wordt, in die zin dat schendingen duidelijker zijn vast te stellen. Aan het supervisiesysteem van het Vrouwenverdrag ontbreekt op dit moment nog een individueel klachtrecht, w at van belang is voor de verdergaande interpretatie van het Verdrag en daarnaast voor de "justiciability", de inroepbaarheid van rechten bij de rechter. Uit de ervaringen met het toezicht bij andere verdragen blijkt tevens dat het bestaan van een individueel klachtrecht een nieuwe dynamiek geeft aan de landenrapporten, omdat de behandeling van individuele klachten vaak betrokken wordt bij de algemene rapportages. Ten slotte valt nog waar te nemen dat er in het internationale recht een overgang is van wederkerige verplichtingen tussen staten onderling naar verplichtingen die een meer wetgevingsachtig, horizontaal verbindend karakter hebben. Individuen en instanties kunnen onder omstandigheden rechten ontlenen aan internationale verdragen en daar ook jegens elkaar toe gebonden zijn. Verdragsverplichtingen kunnen door individuele personen ingeroepen worden bij de internationale en soms bij de nationale rechter ("justiciability") en staten kunnen ter verantwoording geroepen worden door individuele personen of instanties voor het toelaten, of laten bestaan van schendingen van de mensenrechten en het nalaten positief beleid te voeren terzake ("accountability").[356] Het CEDAW heeft er geen twijfel over laten bestaan dat verdragspartijen op grond van artikel 2 sub e verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor schendingen in verhoudingen tussen burgers onderling ("accountability"). Algemene Aanbeveling 19 luidt: "It is emphasized, however, that discrimination under the Convention is not restricted to action by or on behalf of Governments (see articles 2(e), 2(f) and 5). For example, under article 2(e) the Convention calls on States parties to take all appropriate measures to eliminate discrimination against women by any person, organization or enterprise. Under general international law and specific human rights covenants, States may also be responsible for private acts if they fail to act with due diligence to prevent violations of rights or to investigate and punish acts of violence, and for providing compensation." Ook de Nederlandse regering is ervan uitgegaan dat op dit gebied een taak voor haar is weggelegd. In haar rapportage aan het CEDAW wijst zij, naast de in verband met artikel 2 sub b tot stand gekomen anti-discriminatiewetgeving die zich ook uitstrekt tot de particuliere sfeer, op het streven van de overheid om in haar algemene emancipatiebeleid "bij te dragen aan een maatschappelijk klimaat waarin discriminatie van vrouwen als onaanvaardbaar wordt gezien en ook actief door burgers, particuliere organisaties en ondernemingen[357] wordt bestreden."[358] Cook gaat nog verder. Zij meent dat, ook al is een staat internationaalrechtelijk niet aansprakelijk voor daden van sekse-discriminatie in de privé-sfeer, deze toch gebonden is maatregelen te nemen om dit tegen te gaan, met als doel uitbanning van dergelijke discriminatie. De verantwoordelijkheid van de staat is hierin gelegen dat de staat adequaat moet reageren op daden van seksuele intimidatie in de privé-sfeer. Dat de staat zich onthoudt van discriminerend handelen is niet genoeg. De staat moet een actief beleid voeren om dergelijk handelen te voorkomen en tegen te gaan, bijvoorbeeld door het instellen van commissies die hierop toezicht houden.[359] Het begrip discriminatie beperkt zich immers niet tot de in het verdrag zelf bestreken terreinen. Deze terreinen moeten slechts als voorbeelden worden gezien van terreinen waarop discriminatie plaatsvindt, met andere woorden, er is geen sprake van een limitatieve opsomming. De staat, zo kan geconcludeerd worden, heeft verantwoordelijkheid voor en is aanspreekbaar op de beloften en beleidsvoornemens waartoe de staat zich heeft verbonden bij de verdragssluiting, niet alleen tegenover de andere verdragssluitende staten, maar ook tegenover zijn burgers. Voor de verdragssluitende staten is er sprake van "accountability"' voor de verplichtingen uit het Vrouwenverdrag, als de staat heeft nagelaten beleid te voeren om mensenrechten van vrouwen te waarborgen. De staat draagt, meer algemeen, verantwoordelijkheid voor het bestaan en laten voortbestaan van situaties die inbreuk maken op de mensenrechten van vrouwen. Op deze vorm van verantwoordelijkheid zal de nationale staat door de internationale rechter aangesproken kunnen worden. Onder omstandigheden kan de nationale staat ook door zijn burgers daarop worden aangesproken. In het volgende hoofdstuk komen wij op deze aansprakelijkheid terug. Hier concluderen wij alvast dat het Vrouwenverdrag door de veranderende doctrine en rechtspraak op internationaal niveau aan kracht heeft gewonnen. |