| 8 DE BETEKENIS VAN HET
VROUWENVERDRAG 8.1 Inleiding Pacta sunt servanda, verdragen dienen geëerbiedigd te worden. Deze grondregel geldt in de eerste plaats voor de staten jegens elkaar, maar ook, en zeker waar het de mensenrechten betreft, voor de staat jegens zijn onderdanen. Ratificatie van een verdrag impliceert de bereidheid tot loyale verdragsuitvoering en het verdragsrecht vraagt dat de statenpartijen hun verplichtingen uit een verdrag te goeder trouw interpreteren ("good faith interpretation"). Dat betekent tevens dat deze verdragsuitvoering zal moeten gebeuren met de "verschuldigde ijver" ("due diligence"), die de verdragsstaat aan de dag moet leggen bij de verwezenlijking van de verplichtingen uit het verdrag. Er zal een begin van verwezenlijking zichtbaar moeten zijn en er dienen "minimum steps" gezet te worden op de weg naar de uiteindelijke verwezenlijking. Deze algemene uitgangspunten gelden voor alle verdragen, maar zijn bij het Vrouwenverdrag bijzonder relevant, vanwege de brede, programmatische opzet en het uiteindelijke - in de toekomst gelegen - doel van het Verdrag: de uitbanning van de discriminatie van vrouwen, of, om het in meer eigentijdse bewoordingen te vatten: het bereiken van de geëmancipeerde samenleving, een samenleving waarin het sekseverschil niet langer een van de pijlers is voor de inrichting van de maatschappij (Beleidsplan Emancipatie, besproken in hoofdstuk 5). Het verdragsrecht eist dat de verdragsbepalingen worden uitgelegd conform doel en strekking van het betreffende verdrag ("object and purpose"); alleen wanneer door een staat voorbehouden zijn gemaakt ten aanzien van een onderdeel van het verdrag dat niet raakt aan doel en strekking, vervalt deze gehoudenheid. Zoals uit de parlementaire geschiedenis blijkt, heeft Nederland het Vrouwenverdrag uiteindelijk zonder enig voorbehoud goedgekeurd. Dit houdt in dat Nederland aan het geheel van de verdragsbepalingen gehouden is. Deze gehoudenheid wordt nog eens benadrukt door het feit dat Nederland zijn bezwaren tegen de door andere lidstaten gemaakte voorbehouden officieel heeft gedeponeerd (besproken in hoofdstuk 2). Zoals gebleken is in de schets in hoofdstuk 3, omvat het Vrouwenverdrag een breed scala aan verplichtingen, waarbij het onderscheid tussen de verschillende bepalingen en deelbepalingen niet zozeer is gelegen in het soort mensenrechten dat een bepaling bevat, alswel in de mate van concreetheid en daarmee afdwingbaarheid van de verdragsbepaling zelf. Het Verdrag, zou men kunnen zeggen, formuleert een facetbeleid op alle terreinen die van belang zijn voor de positie van vrouwen en maakt daarbij geen onderscheid tussen de klassieke categorieën van mensenrechten. Het feit dat er in het Verdrag sprake is van een bundeling van rechten, zowel burgerrechten en politieke rechten als economische, sociale en culturele rechten, doet recht aan de veelvormigheid van vrouwendiscriminatie, aan vrouwendiscriminatie als "total phenomenon". Het Verdrag vertrekt als het ware vanuit de verschillende posities van vrouwen, maakt die posities zichtbaar en kent vrouwen op basis daarvan rechten toe. De benadering van het Vrouwenverdrag definieert de rechten van vrouwen uitgaande van de vrouw als rechtssubject en staat als zodanig dwars op de klassieke indeling van mensenrechten in categorieën als burgerlijk, politiek, sociaal, economisch of cultureel. "Kenmerkend voor het Vrouwenverdrag is dat de rechten zijn gebundeld rond het rechtssubject, anders dan een indeling op grond van het karakter van de gegarandeerde rechten."[360] Het Verdrag ziet vrouwen dus als zelfstandige rechtssubjecten die recht hebben op gelijke behandeling in het gelijke geval en een verschillende behandeling in verband met hun verschillende positie en biologische constitutie. "Ratificatie van het Vrouwenverdrag betekent dat er in onze rechtsorde een bill of rights van vrouwen wordt geïntroduceerd. De Goedkeuringswet behelst een seksespecifieke regeling (...)."[361] In het navolgende gaan wij in op de inhoudelijke implicaties van de ratificatie van het Vrouwenverdrag, alsmede op de verplichtingen die hieruit voor de overheid voortvloeien. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een bespreking van de waarborgen voor de effectuering en de naleving van het Verdrag. |