| 8.3.1 Typologie van de
verplichtingen De verplichtingen uit het Vrouwenverdrag, zo werd al in hoofdstuk 6 gesteld, zijn gevarieerder van aard en ook concreter toetsbaar dan tijdens de parlementaire behandeling werd verondersteld. In de literatuur is, mede op basis van rechtspraak, door verschillende schrijvers een typologie gegeven die het mogelijk maakt onderscheid te maken tussen de verschillende verplichtingen met betrekking tot mensenrechten. De meest gangbare indelingen[369] worden gekenmerkt door de termen:
Uitgaande van deze typologie van verplichtingen lijkt het Vrouwenverdrag op het eerste gezicht een verdrag dat vooral het oog heeft op (sociale, economische en culturele) rechten die op termijn verwezenlijkt moeten worden ("to fulfill"). De realisatie daarvan lijkt dan ook niet dadelijk afdwingbaar.[374] Het regeringsstandpunt, beschreven in het Eerste gezicht, was daarop gebaseerd. Er is echter een aantal redenen waarom deze visie op het tweede gezicht aanpassing behoeft: vele van de verplichtingen zijn "harder" en sommige afdwingbaar bij de internationale of nationale rechter. In hun studie over de "justiciability issue" van de verschillende verdragsverplichtingen maken Byrnes en Connors[375] een onderscheid in qua hardheid aflopende verplichtingen, waarbij zij per bepaling en zelfs per onderdeel van een bepaling van het Vrouwenverdrag gradaties in verplichtend niveau herkennen. Deze indeling naar gradatie, die is toegesneden op het Vrouwenverdrag, geeft een preciezer beeld van de verplichtingen uit het Verdrag dan de indeling "to respect, to protect en to fulfill". Byrnes en Connors maken het volgende onderscheid:
De verplichtingen onder a en b zijn volgens de auteurs inroepbaar: zij zijn "clearly justiciable" volgens hen. De onder c genoemde bepalingen zijn als regel "soft law"; deze zullen alleen in bijzondere gevallen in rechte inroepbaar zijn. Het blijkt uit hun analyse wel dat de parlementaire behandeling van het Vrouwenverdrag te veel geconcentreerd is geweest op het laatstgenoemde type bepaling, die met name in de aanhef van art. 2 is terug te vinden: "De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, veroordelen discriminatie in alle vormen van vrouwen, komen overeen onverwijld met alle passende middelen een beleid te volgen, gericht op uitbanning van discriminatie van vrouwen, en verbinden zich tot dit doel (...)". Doordat de aandacht tot nu toe te zeer gericht was op deze aanhef, is de variatie in het type verplichtingen, waarbij ook op onderdelen van artikelen de aard van de verplichtingen kan verschillen, buiten beeld gebleven. Zo is afbreuk gedaan aan de hardheid van bepalingen van het eerste type verplichtingen, die aangeduid worden met: "shall ensure, shall accord, shall grant the right" (a) Maar ook ten aanzien van de afwezig geachte concreetheid van artikel 2 valt af te dingen op het standpunt van de regering. Immers, bij de aanhef van dit artikel is sprake van de door Byrnes en Connors genoemde tweede categorie verplichtingen: "States Parties undertake to" (b) in plaats van: "States Parties shall take all appropriate measures". In hun analyse van artikel 2 komen Byrnes en Connors dan ook tot de conclusie: "Thus, five of the seven paragraphs of article 2 a central provision of the Convention are justiciable obligations in a fairly traditional sense, and have direct parallels or analogous provisions in other UN treaties which are subject to individual complaint procedures."[376] Volgens hen betekent dat tevens dat "a good faith interpretation" meebrengt, dat de eerste stappen voor passende maatregelen onverwijld genomen moeten worden. Er moet, met andere woorden, in ieder geval een begin van verwezenlijking zichtbaar zijn van de passende maatregelen. Het doen van zulke eerste stappen leent zich voor toetsing door internationale toezichthoudende organen. Zij verwijzen daarbij naar Aanbeveling 3 van het Comité voor de Economische, Sociale en Culturele Rechten.[377] Zij zijn van mening dat ook nu al toetsing plaats kan vinden, alsmede concretisering en nadere invulling van de norm.[378] Tevens kan uit de internationaalrechtelijke invulling van het begrip passende maatregelen en geleidelijke verwezenlijking in elk geval een minimumnorm worden gedestilleerd. Deze twee noties worden in de hieronder volgende paragrafen verder uitgewerkt. Er zijn overigens nog andere argumenten die de stelling onderbouwen dat de verplichtingen uit het Vrouwenverdrag harder zijn dan op het eerste gezicht gedacht werd. Het Vrouwenverdrag bevat, zoals in hoofdstuk 7 werd gesteld, ook burger- en politieke rechten, zoals artikel 7 en 8. Daarnaast bevat het eveneens de meer klassieke "obligations to respect" (zie bijvoorbeeld artikel 2 sub d). Het Vrouwenverdrag hoort daarom niet zo duidelijk thuis in de wereld van de sociale, economische en culturele rechten als door de regering werd gesteld. Bij de bespreking in hoofdstuk 7 van de internationale context van het verdrag, wezen wij reeds op vervagende grenzen tussen klassieke en sociale (mensen)rechten.[379] De nieuwere opvattingen over afdwingbaarheid van sociale mensenrechten brengen met zich mee dat ook dit soort verplichtingen onder omstandigheden afdwingbaar is. Ten slotte valt nog op dat het Vrouwenverdrag een geheel van positieve en negatieve verplichtingen bevat, die onderling sterk verweven zijn. Deze verwevenheid is ten aanzien van de mensenrechten van vrouwen in hoofdstuk 7 besproken en betekent hier, dat nauwelijks te onderscheiden is of bepaalde verplichtingen positief voortvloeien uit de sociale rechten van het verdrag of dat zij als negatieve verplichtingen zijn bedoeld, die de mensenrechten van vrouwen moeten waarborgen. De invulling van deze verplichtingen is voorts gebonden aan bepaalde internationale maatstaven. Zo bestaan binnen Europa verdrags- en andere maatstafbiedende verplichtingen[380] waaraan ook verplichtingen voor ons land te ontlenen zijn, bijvoorbeeld ten aanzien van de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid. Ook positieve verplichtingen uit het Vrouwenverdrag, zoals art. 2, zouden in die zin door het Straatsburgse Hof als maatstafbiedende verplichtingen kunnen worden opgevat bij de interpretatie van de verplichtingen uit het EVRM. |